Realist met rechte rug

Arie Kleijwegt, voormalig VARA-verslaggever en VPRO-directeur, is vrijdag op 80-jarige leeftijd overleden. Hij was al geruime tijd ziek. Nog lang na zijn pensionering bleef zijn karakteristieke radiostem te horen; onder meer in gesproken columns in het zondagochtendprogramma OVT en door de vele programma-aankondigingen die hij met verve voor de VPRO-radio sprak.

Kleijwegt begon in het eerste oorlogsjaar als jongste verslaggever bij de Schiedamsche Courant, maar dook al snel onder en wist in 1944 op de fiets het bevrijde zuiden te bereiken, waar hij nieuwsredacteur werd bij Radio Herrijzend Nederland. Na de bevrijding bleef hij bij de radio, vervuld van het ideaal van een BBC-achtige nationale omroep. Nadat de omroepen hun posities hadden heroverd, kwam hij – via zijn bevriende collega Jan de Troye – bij de VARA terecht. Door hun beeldende beschrijvingen en hun vertrouwenwekkende voordracht groeiden De Troye en Kleijwegt in de jaren vijftig uit tot de star reporters van de VARA. Hun werkterrein omvatte alle grote gebeurtenissen uit die tijd, van de watersnoodramp tot de Elfstedentocht.

In 1960 verhuisde Kleijwegt naar de VARA-televisie, waar hij op verzoek van de leiding de actualiteitenrubriek Achter het nieuws opzette. Drie jaar later vroeg de VPRO hem voor de leiding van de tv-dienst. Daar belandde Kleijwegt dikwijls in netelige omstandigheden. Hij kwam gedurig klem te zitten tussen de vrijzinnige dominees die het kleine omroepje destijds bestuurden, en de groep van jonge, rebelse programmamedewerkers die een ander soort vrijzinnigheid nastreefden. Ondanks alle beroering hield Kleijwegt echter de rug recht; hij gaf groen licht voor controversiële programma's als Hoepla en de shows rond Fred Haché en Barend Servet en verdedigde het optreden van Van Kooten & De Bie tegenover een ledenraad die meer links engagement eiste.

Voor de periode die nu wordt gezien als de nimmer geëvenaarde glorietijd van de VPRO, legde Kleijwegt de basis. Na twintig `tropenjaren' ging hij in 1983 met pensioen. Als columnist in OVT en het vakblad Broadcast legde hij sterke verhalen uit zijn verslaggeverstijd vast en kwam ook vaak terug op zijn vaste overtuiging dat Nederland kort na de oorlog een historische kans heeft gemist om een nationale omroep in het leven te roepen. Hij beschreef het bestaande omroepbestel als `het meest verrotte organisatorische fenomeen van dit land' en `een afzichtelijk anachronisme, te vergelijken met de paardentram en het tolwezen, dat natuurlijk al mensenlevens eerder uit de openbare infrastructuur had moeten worden verwijderd.' Maar hij was realist genoeg om te beseffen dat hij zelf in dat bestel – al was het soms tegen wil en dank – een belangrijke rol heeft gespeeld.