Ik houd niet van wortels

Ik heb niets met het land van mijn voorouders, hoegenaamd niets, ik vind het idioot, dat gezanik over roots, ik houd niet van wortels.

Mijn voorouders komen uit Bihar en Bihar is een hel. Bihar is wat Congo is in Afrika en de stad Patna is Kisangani. In Bihar wonen honderd miljoen mensen, niet per se als mensen, maar niettemin. Bihar ligt in het noordoosten van India, zo tegen Nepal aan en het is de staat met het laagste onderwijspeil. De huidige chief minister, de politieke baas van de staat, kan lezen noch schrijven. Want Bihar is ook de staat met de hoogste corruptie.

Niets functioneert in Bihar. Zal ik een ziekenhuis beschrijven? Een geel gekalkt gebouw met bloedvlekken op de wanden. Op de kraamafdeling lopen straathonden rond, wachtend op een stukje placenta.

Valt er meer te zeggen? Dat de zieken op ijzeren bedden zonder matrassen liggen, de artsen niet komen opdagen omdat ze het te druk hebben met hun privé-praktijken, de medische instrumenten van patiënt naar patiënt worden gebracht in een roestige emmer?

De hoofdstad Patna was vroeger het opiumcentrum van de wereld. Het Britse koningshuis dealde in drugs vanuit Patna, over de Ganges richting China. Nederlanders waren er ook bij, hun handelshuizen staan er nog.

Toen het afgelopen was met de opiumhandel raakte Patna in verval en dat verval is onbeschrijflijk. Patna is met z'n zes miljoen inwoners het grootste dorp van de wereld. Er is een hoofdstraat met veel neonverlichting, die uitloopt op de hoerenbuurt, maar de hoerenlopers stellen niet veel eisen. Een vrouw met een baby aan haar borst vinden ze goed genoeg.

Buiten het centrum zijn een paar overheidsgebouwen en wat bungalows, verder zijn er alleen hutten van migranten uit het omliggende gebied. Bij elke bungalow staat een man met een gigantisch geweer en hij schiet echt, als hij nerveus wordt.

Waarmee we komen op de criminaliteit. Geen staat is zo crimineel als Bihar. De ganglords dragen grote, omhooggekrulde snorren, in de bergstreken houden roversbenden zich op alsof we in het Wilde Westen zijn. Ze vallen treinen aan en dorpen, ze nemen de sieraden en eetbare spullen mee en ze vergeten natuurlijk niet even alle vrouwen te verkrachten.

Deze dorpen krijgen geen hulp. Wacht, dat heb ik nog niet verteld: hoe de dorpen er uit zien. Elk dorp is aangelegd rond een centrum. Geen plein, geen kerk, geen tempel, maar een poel. Een stille, donkergroene poel, met een beschimmeld oppervlak, zo egaal dat je erop zou willen rolschaatsen. Uit deze poel wordt gedronken, men gebruikt het water om te koken en de kleren te wassen, terwijl alle goten hierop uitlopen. Als iets duizend keer erger kan zijn dan rioollucht, vind je het in deze dorpen.

De hutten bestaan uit brokken klei en koeienmest, de daken zijn van riet. De oudjes wachten op hun dood op gevlochten bedden met houten poten, de mannen roken een gerold tabaksblad en jeuken de korstige huid onder hun lendendoek.

Vrouwen zijn er niet, lijkt het. Ik mag als mannelijk persoon de schonen van het dorp niet zien, maar geloof me: het zijn geen schonen. Het zijn kleine mensen met ingevallen wangen en slechte tanden die hun leven in gehurkte houding doorbrengen, kokend, wassend, plantend en oogstend, en anders liggen ze te bevallen.

Het schrikbarende is dat ik hun taal versta. Ik kan ze zien als primitieve wezens uit een andere wereld, maar ik ken hun dialect, hun aanspreekvormen, hun uitdrukkingen. Ik maak fouten als ik ze spreek, ik ben immers honderd jaar weggeweest, maar ze vinden mij vertederend. Deze mensen die niet eens een weg naar de bewoonde wereld hebben, waardoor ze niet gered kunnen worden als de rovers komen, deze mensen vinden mij vertederend.

De dorpelingen zijn beter af dan de `tribalen'. Die slapen in de wouden, in velden met slangen en muggen. Ze vangen vis met de kleren die ze aan hebben, meer hebben ze niet. Ze ranselen elkaar af, of beter: de mannen ranselen de vrouwen af en de vrouwen de kinderen.

De politiek, daar hebben we het nog niet over gehad. Ik heb al verteld dat de huidige chief minister van Bihar niet kan lezen en schrijven. Dat komt omdat haar man, ene Laloo Yadav, de verkiezingen heeft gewonnen. Maar Laloo kan zelf dat ambt niet vervullen, omdat tegen hem een rechtszaak loopt wegens verduistering van omgerekend 750 miljoen gulden.

Laloo verscheen in 1990 op het politieke toneel. Hij is een man van lagere kaste en dat was nog nooit vertoond, zeker niet in Bihar. In Bihar zitten de Brahmanen in de bus en de anderen op het dak, dat is gewoon de regel. Maar deze Laloo, die een eenvoudige kantoorklerk was en thee en dossiers rondbracht, wierp zich op als redder van de kastelozen. En van de moslims en de christenen. Samen vormen die, let wel, 70 procent van de inwoners van Bihar. Maar de 30 procent brahmanen en andere hoge kasteleden heerste over het land, decennia lang.

Laloo beloofde wraak. Hij werd gekozen en herkozen, met zo'n overweldigende meerderheid dat hij chief minister werd. Eerst hield hij zijn imago van gewone man in stand, hij weigerde een tijd lang in het paleis te wonen, hij was maar een veeboer, zei hij. En toen hij er uiteindelijk wel zijn intrek nam, liet hij zijn koeien grazen in de tuin.

Laloo weet zijn mensen te bespelen. Hij heeft een vaste truc: eerst laat hij de politie op een menigte inslaan en daarna verschijnt hij, schreeuwend tegen de politie, dat ze `zijn mensen' met rust moeten laten. Als de politie zich terugtrekt juicht het volk. De truc werkt al meer dan tien jaar.

Laloo's vrouw, die hij tot chief minister maakte, loopt openlijk thee en koekjes rond te brengen als hij vergadert met zijn ministers. Pas als er papieren getekend moeten worden, voegt zij zich bij het gezelschap, met haar duim in de aanslag.

Verraadt de hyperventilerende toon van dit stuk nou een speciale betrokkenheid bij Bihar, een verborgen gevoel van schaamte misschien, over het oude land van herkomst? Nee, nee, voor mij is Bihar zomaar een streek in India. Eerlijk waar.

ramdas@nrc.nl