Het vuil van onze jongens

Het is al weer een tijdje geleden dat ik in de trein zat naar Amsterdam met in de coupé naast mij twee aardige meisjes van zo'n jaar of twintig. Het gesprek ging over de vriend van een van de twee. ,,Weet je wat zo vreemd is'', zei de een, ,,als je bij hem op zijn kamer bent, laat hij alles op de vloer vallen, zijn vuile kleren, snoeppapiertjes, de as van zijn sigaretten, zijn peuken. Overal liggen stapels en hopen en maar eens in de maand ruimt hij het op.'' ,,Wat vreemd en ook wel een beetje smerig'', zei de ander, ,,heb jij daar geen moeite mee'? ,,Tja, ik vind het wel eigenaardig'', zei de eerste weer, ,,maar hij is verder wel erg leuk.''

Wat kunnen die jongens van tegenwoordig toch een viezeriken zijn, dacht ik terwijl ik even later uit de trein stapte en ik was blij dat ik een zoon had die in dat opzicht in ieder geval deugde. Dat was tenminste mijn mening totdat de zoon in kwestie in mijn huis kwam wonen. De buitengewoon ordelijke en propere ruimte die ik tot dan toe mijn werkkamer had mogen noemen, veranderde binnen de kortste keren in een soort zompig oerwoud waar je slalommend door bergen vuile kleren, lege bierflessen, overlopende asbakken en ongewassen vaat je weg moest zoeken. En toen hij na twee jaar hardvochtig misbruik van mijn ruimte naar een kamer in de grote stad vertrok, liet hij bergen vuil achter die me in de verte aan de piramiden van Gizeh deden denken. Als overbezorgde vader begon ik aan het wassen van de stapels kleren en pas na twaalf wasmachines kwam de vloer weer in zicht. Ik vertelde vrienden in schrille bewoordingen van mijn kindervervuilingsnood, en als troost kreeg te horen dat een dergelijk vervuilend gedrag ook bij hun zonen gebruikelijk was. De een probeerde zijn zoon met een hoge beloning tot opruimen te bewegen, terwijl een ander meldde dat zij alles dat langer dan een week op de grond lag gewoon in de vuilnisbak gooide. Maar de meerderheid was verzonken in een treurige berusting. Men zag uit naar de dag dat hij het huis zou verlaten en het probleem zich vanzelf zou oplossen. Dat zou overigens nog een hele tijd kunnen duren, want in sommige gevallen bleken zulke jongens het hokken bij pa en ma tot na hun dertigste vol te houden. Maar goed, God is mij in ieder geval genadig geweest. Ik zie het daarom niet als een persoonlijk, maar als een sociaal probleem, want overal waar de jeugd tezamen komt, slaat ook spontaan de vervuiling toe.

Wat te doen? Ik zit de laatste tijd regelmatig in workshops met hoge ambtenaren van Justitie, die wanneer over jeugdvandalisme of jeugdcriminaliteit gesproken wordt, als oplossing naar het wapen van het onderwijs grijpen. De scholen moeten hier, zo vinden zij, in hun onderwijs grondig corrigerend optreden door de juiste normen en waarden bij te brengen. Maar als je dan weer hoge ambtenaren van het onderwijsministerie mag geloven, is dat zo ongeveer het laatste waar ze daar op zitten te wachten. Dat is onze taak niet, zegt het ministerie, dat moeten de ouders doen. Maar die ouders werken zich tegenwoordig met zijn tweeën suf om veel geld te verdienen voor aandelen Philips, ING en KPN om met de koerswinsten daarvan een Saab cabrio of een Jeep aan te schaffen en de schaarse gedragscorrecties die kinderen krijgen, bereiken hen alleen maar wanneer ze toevallig hun mobieltje aan hebben staan wanneer paps of mams vanaf hun werk opbellen.

Hoe moeten we die jongens in hemelsnaam opruimdiscipline bij brengen. Als ze iets uit de kast moeten hebben zijn ze zo ongeïnteresseerd bezig, dat naast wat ze zoeken ook een aantal andere dingen op de grond vallen. Die worden in de wasmand gekieperd, want opvouwen en terugleggen is teveel moeite. Wij ouderen zijn daarin bepaald zorgvuldiger. Wij moesten nog in het leger. En daar leerde je onderbroeken en onderhemden in een strakke formatie in je kastje te bergen. Wie dat niet precies zo deed kreeg een uitschijter van de kapitein. Meestal een oudere officier met een Indische achtergrond, die nog in onze koloniën geoefend had in het met harde stem uitfoeteren van ondergeschikten. Een onderbroek een halve centimeter uit het geëiste gelid in je kastje kwam je dan al gauw op twee dagen licht arrest te staan en dat betekende meestal het weekend niet naar huis, maar in de legerplaats verblijven. Die leerschool bestaat niet meer voor onze jongens. En de scholen zijn te massaal geworden om dit soort details van het gedrag te controleren. Ik las kort geleden in deze krant dat in de nieuwe trend de leraar straks `facilitator' genoemd gaat worden en dat dan alles verder nog meer aan de leerling overgelaten zal worden. Dat super `studiehuis' wordt dan helemaal een sterfhuis voor de discipline.

Maar misschien is er hoop. Laatst las ik dat men tegenwoordig in staat is om kinderen al in de baarmoeder allerlei dingen bij te brengen. Het ging er daarbij om ze aan bepaalde geluiden te laten wennen. Daar zal vast wel meer mogelijk zijn. Nu kunnen ze in de baarmoeder nog niet veel vervuilen, maar misschien kun je ze daar wel leren dat het geluid van een op de grond vallende vuile onderbroek pijn kan doen. Als het later niet meer wil lukken, moeten we misschien maar heel vroeg beginnen.