Exodus 20: `Gij zult geen gesneden beeld maken'

De beeldenstormers hebben oude papieren. Het binnen de islam heersende verbod op het afbeelden van schepselen is ten dele terug te voeren op oudere joodse voorschriften. In de tora, de oudste joodse wetten, wordt het afbeelden van mensen en dieren voor religieus gebruik uitdrukkelijk verboden.

,,Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen, want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig (jaloers) God'' (Exodus 20).

Als het volk Israël desondanks een gouden stierkalf maakt – naar het voorbeeld van de Egyptische religie – wekt dit de woede van Mozes: ,,Daarop nam hij (Mozes) het kalf dat zij gemaakt hadden, verbrandde het met vuur en vermaalde het, totdat het fijn gestoten was, vervolgens strooide hij het op het water en gaf dit aan de Israëlieten te drinken'' (Exodus 32, 20).

Ook eeuwen later komt het in Israël nog regelmatig tot een beeldenstorm. Zo hakt Gideon, een van Israëls latere leiders, een aan de Kanaänitisch god Baal gewijde houten paal om en gebruikt die als brandhout.

Deze actie markeert het begin van een gewapende opstand tegen de politieke invloed van de Midianieten en van een religieuze zuivering in joodse gelederen.

Over de afgodsbeelden van de volken rondom spraken gelovige Israëlieten in spottende zin, zoals blijkt uit Psalm 115: ,,Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden; zij hebben een mond maar spreken niet, zij hebben ogen maar zien niet, zij hebben oren, maar horen niet, zij hebben een neus maar ruiken niet; hun handen – maar zij tasten niet, hun voeten – maar zij gaan niet, zij geven geen geluid met hun keel. Wie hen maakten, zullen worden als zij, ieder die op hen vertrouwt''.