Ed Spanjaard bewijst klasse als invaller

Ed Spanjaard, die eind vorige week plotseling weer eens voor het Koninklijk Concertgebouworkest stond, werkte al in 1977 als assistent-dirigent van Bernard Haitink. Zijn officiële debuut met het orkest volgde in 1978. Later assisteerde hij Solti en Von Karajan en werd hij staflid van de opera in Glyndebourne en de Royal Opera Covent Garden in Londen. In ons land was Spanjaard chef-dirigent van het Nederlands Balletorkest en profileerde hij zich in de moderne muziek met het Nieuw Ensemble, waarvan hij sinds 1982 vaste dirigent is. Daarnaast dirigeerde hij vrijwel alle Nederlandse orkesten en, vanaf het volgende seizoen is hij chef van het Limburgs Symphonie Orkest.

Nu stond Spanjaard, die bij het Concertgebouworkest al op de nominatie stond om in de toekomst een concert te leiden, op het podium omdat de Duitse dirigent Gerd Albrecht wegens ziekte op een laat moment afzegde. Alsof hij zich maanden op Albrechts programma had kunnen voorbereiden, leidde Spanjaard de musici met enerverende doortastendheid en artistieke zelfverzekerdheid in een onalledaags programma. Zo was de uitvoering van de Eerste symfonie op. 45 'Von meiner Jugend' (1943) van Viktor Ullmann – een reconstructie van diens Vijfde pianosonate door Bernhardt Wulff in het kader van de tentoonstelling `Musik aus Theresienstadt' – een Nederlandse première.

Ook al wekt de ontstaansgeschiedenis van dit werk bij voorbaat ontzag, toch bleek Ullmanns alert en levendig uitgevoerde symfonie niet meer dan een vriendelijk stilistisch allegaartje. Een beetje Prokofjev, een beetje Frans, een beetje neo-klassiek en neo-romantiek, met daar tussenin mooie soli voor de aanvoerders van de violen, alten en celli, sensitief uitgevoerd door onder meer concertmeester Vesko Eschkenazy en eerste cellist Godfried Hoogeveen.

Werkelijk indrukwekkend klonk daarna het Concert voor trombone en orkest van Tomasi, dat schitterend werd uitgevoerd door Jörgen van Rijen, sinds 1997 solotrombonist van het Concertgebouworkest, waarvan hij een van de jongste musici is. Van Rijen is een toonkunstenaar in de ware betekenis van het woord. Uit zijn trombone haalt hij een ongelooflijk rijk palet aan kleurschakeringen en verrassende dynamische nuances. Alsof hij dagelijks soloconcerten speelt, nam Van Rijen in goede samenwerking met de helder en soepel dirigerende Spanjaard het artistieke voortouw, waarbij het Concertgebouworkest hem hoorbaar toegenegen volgde.

Er volgde een vitale lezing van Métaboles van Dutilleux, de man die al in de jaren '60 niet aan stijlen of systemen deed, maar wel streefde naar `muziek die aan de naoorlogse tijdgeest beantwoordt'. In zijn Métaboles weerspiegelde hij `de natuur en haar eeuwige metamorfoses', en Spanjaard bleek wijs, ervaren en klankgevoelig genoeg, om daarin diep te kunnen doordringen. Ook tijdens de coherente en gestroomlijnde uitvoering van Debussy's Ibéria profileerde Spanjaard zich als een respectvol, deskundig en gedreven aanvoerder, al liep er af en toe een loopje mis, mogelijk omdat musici en dirigent elkaar in een enkel geval nog niet optimaal verstonden.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Ed Spanjaard. Gehoord: 2/3 Concertgebouw Amsterdam.