De droeve geur en kleur van huiswijn

Voor minder dan zeven gulden een acceptabele fles wijn is eigenlijk een wonder. En dat wonder openbaart zich niet in iedere supermarkt. Het genoegen van de huiswijn zit vooral in de prijs.

Nederlandse wijndrinkers lijken er aan verslaafd te zijn: de huiswijnen van de grote supermarkten. Rood, wit, wit zoet en rosé, het gaat er allemaal in als de spreekwoordelijke koek. Voor een prijs die varieert van 5,49 tot 8,99 gulden mogen wij proeven wat de inkopers van de grootwinkelbedrijven in Frankrijk, Duitsland, Spanje en overzee voor ons hebben kunnen bemachtigen voor een prijs van tussen de anderhalf en vier gulden per liter. Elke fles kost immers, los van zijn inhoud, ongeveer 2,75 gulden aan emballage, accijns en BTW, waar bovenop dan ook nog de winstmarges van transportbedrijf en supermarkt moeten komen. Men kan uitrekenen hoeveel de wijn waard is in een fles van bijvoorbeeld 5,99 gulden. Bitter weinig dus.

Kan je een redelijke wijn krijgen voor zo'n bedrag, of voor een paar gulden meer? Met moeite, zo bleek uit een kleine proeverij van een aantal rode huiswijnen van Albert Heijn, C1000, Hema, Dirck III (slijterij van supermarkt Digros) en Super de Boer.

Toegegeven, het is ook bijna ondoenlijk om op basis van een afname variërend van vijfentwintigduizend tot enkele miljoenen hectoliters op jaarbasis een mooie wijn te vinden. Bij wijn is immers de vuistregel dat de kwaliteit stijgt bij het verlagen van de rendementen per hectare. Een wijn van een wijngaard die zestig of veertig hectoliter per hectare opbrengt is vele malen geconcentreerder en dus beter – puur analytisch gesproken – dan een wijn waarvan de wijngaard wordt opgedreven tot een productie van honderdvijftig of zelfs tweehonderd hectoliter. De bodem moet dan zo'n vier- tot vijfmaal meer druiventrossen voeden, wat geen onverdeeld succes kan worden, zelfs niet (of liever gezegd, juist niet) als deze is opgepept met kunstmest. Naast de natuurlijke beperkingen van de bodem is voor wijn ook het klimaat nog steeds van doorslaggevend belang.

Tot voor kort kwamen alle huiswijnen uit Frankrijk of Duitsland, niet bepaald landen die gezegend zijn met een stabiel klimaat. Toch moet er ook in een slecht jaar door de supermarkt een huiswijn worden gepresenteerd die van een zelfde kwaliteit en smaak is als het jaar daarvoor, want de huiswijnconsument denkt niet aan het weer, maar aan zijn wijn voor een minimale prijs. Zowel inkopers als producenten die leveren aan de grote supermarkten staan onder grote druk, hoewel de producent iets meer adem zou hebben als de inkoper hem een beetje meer financiële ruimte zou geven. De concurrentie is hard aan het thuisfront, er wordt zelden een kwartje extra gegeven. De inkoper van de Digroswijnen houdt de concurrent scherp in de gaten en geeft de prijs pas meer speling als de concurrent dat ook doet. De twee wijnen van Albert Heijn die eruit springen wegens hun prijs, de landenwijn uit Mexico en uit Australië (8,99 gulden), zijn alleen duurder wegens het vervoer, niet wegens een hogere kwaliteit.

Ondanks de hernieuwde activiteit van de Keuringsdienst van Waren op het punt van controle op wijnen, laten zeer veel supermarkten (en ook importeurs) hun wijnen tweemaal per jaar testen door Meron BCL, het centraal laboratorium voor wijnanalyse. Hier worden de wijnen op elementaire fouten als te veel zuur of te veel zwavel gecontroleerd, maar er worden ook suggesties gedaan die de inkoper aan zijn producent kan doorgeven ter verbetering van de wijn. Lang niet iedereen neemt deze suggesties over, in plaats daarvan breidt men zijn collectie huiswijnen liever uit.

Bijna alle supermarkten doen hun best om de consument binnen de stringente prijsmarges een `werelds' gevoel te geven: kwamen zoals gezegd de huiswijnen vroeger bijna uitsluitend uit Frankrijk en Duitsland, nu worden er `wereldwijnen' uit onder andere Chili, Australië, Argentinië en Zuid-Afrika gelanceerd door Hema, Albert Heijn en C1000. Albert Heijn heeft niet minder dan dertig wijnen van eigen makelij, en dat is mijlen verwijderd van de eenzame Pinard uit de jaren zestig. Er wordt getracht de authenticiteit van het land in de wijn te verwerken, door de in het betreffende land meest voorkomende druivenrassen te gebruiken voor de wijnen. Het klinkt allemaal heel idealistisch, en zo is het wellicht ook bedoeld, maar wie weet wat er nodig is om de authenticiteit van een druivenras of een landstreek in een wijn aanwezig te laten zijn, weet ook dat dit niet kan voor een minimaal bedrag.

In de zojuist gelanceerde campagne van Albert Heijn ter ere van de nieuwe uitmonstering van de huiswijnenserie wordt een folder bijgeleverd voor de consument waarop de druivenrassen van alle wijnen staan vermeld – ze staan ook op het rugetiket, samen met suggesties waarbij je deze wijnen kunt drinken. Het ziet er prima uit en men mag hopen dat de consument het ook allemaal leest. Er is duidelijk de behoefte om deze op te voeden en wellicht ooit naar de aankoop van duurdere wijnen te leiden. Volgens wijsgeer Seneca maken gouden teugels geen beter paard en dus mag getwijfeld worden of we uit Italië voor 8,09 een `kruidige, volle Toscaanse wijn' te drinken krijgen, zoals het etiket belooft. De sangiovese druif, de meest aangeplante soort in Toscane, is een lastig heer, die lang niet op elke bodem en in elk jaar zijn volle glorie toont in het glas. Een beetje Chianti Classico – want die wijn wil men duidelijk imiteren – kost tegenwoordig al gauw tussen de vijftien en twintig gulden, want ook in Toscane hebben ze leren rekenen en weten ze wat de goede wijnen van dit gebied waard zijn. Het gevolg is dat de consument met zijn fles van acht gulden een moeilijk product krijgt voorgeschoteld met waarschijnlijk een hoop zuren en droge tannines, dat alleen met een flink bord pasta enige soepelheid zal ontwikkelen. Dan maar weer snel naar de halfzoete witte huiswijn gegrepen, want de sprong naar een echte Chianti is financieel te groot.

Daar raken we een van de neteligste punten van de wijnconsumptie in ons land: niet alleen de inkopers van wijn treft blaam, ook de consument. De gemiddelde Nederlandse consument is een van de financieel meest onderontwikkelde wijndrinkers van Europa, ondanks de stijgende hoeveelheden die er worden gedronken. Drie vakanties per jaar, twee auto's en ten minste één filmcamera van het nieuwste type, het mag allemaal, maar een glas wijn voor bij het eten, dat mag niet meer dan zeven gulden kosten. Op die manier is er voor de supermarkten, die het leeuwendeel van de wijnverkoop voor hun rekening nemen (bijna zeventig procent), ook weinig eer te behalen op het punt van kwaliteit. Zolang de consument zijn smaak niet wil ontwikkelen omdat hem dat in de portemonnee raakt, zal mijnheer Grootgrut blijven triomferen met wijnen die niets te maken hebben met wat wijn werkelijk kan zijn.