Beeldenstorm als opium voor het volk

De Talibaan vernietigen religieuze beelden. Communisten, calvinisten en Grieken gingen hen voor. Een korte historie van het beeldenstormen.

Beeldenstorm en revolutie horen bij elkaar als twee kruinen op één hoofd. Als de macht onder druk staat of kantelt, moeten er ook symbolisch koppen rollen. Zo was het en zo is het nog. Hooguit verandert de techniek. In Afghanistan neemt de Talibaan de pre-islamitische Boeddhabeelden anno 2001 met luchtafweergeschut onder handen. In de Nederlanden gingen de calvinisten in 1566 de roomse kerken met hun blote handen te lijf. En in Duitsland zette Hitler in de Reichskristallnacht van 1938 de SA en gewapende leden van de NSDAP in tegen de synagogen, winkels en woonhuizen van Joden.

Vaak wordt een beeldenstorm met verheven (quasi) religieuze argumenten omkleed. Maar net zo vaak zijn er op de achtergrond politieke motieven en soldateske zelfbevrediging in het spel. Door de eeuwen heen hebben de verschillende godsdiensten zich hierin weinig van elkaar onderscheiden. Polytheïstische, christelijke of islamitische bewegingen: allemaal hebben ze wel eens in de bijl gezet in iconen omdat ze daarmee hun eigenwaarde wilden bevestigen en intussen een politiek doel dachten te bespoedigen. Allemaal poogden ze zo de andere ideologie af en de eigen op te tuigen.

In de vierde eeuw voor Christus raakte de `democratie' in Athene door de uitputtende Peleponnesische oorlog tegen Sparta uitgewoond. Twee vleugels streden om de macht. De oorlogspartij van generaal Alcibiades had de beste kaarten. Totdat Alcibiades verwikkeld raakte in een godsdienstig schandaal. Toen na een nacht in 415 v. Chr. een aantal Hermesbeelden in de stad onthoofd én ontmand bleek, werd Alcibiades daarvan beschuldigd. De generaal had zich voordien al niet laten kennen als een ootmoedig man. Maar achter de aantijging van hoogmoed gingen politieke calculaties schuil. Onder het volk genoot de militair faam. Door hem op zijn zwakste eigenschap te treffen, hoopten zijn tegenstanders hem de wind uit de zeilen te nemen.

Bijna een millennium later raakte het christendom verwikkeld in een langdurige beeldenstrijd, die het toch al verdeelde christelijk Romeinse Rijk verder zou verscheuren. Mede onder invloed van Jodendom en Islam, waar God niet kan en mag worden afgebeeld, liet keizer Leo III van Byzantium in 726 het Christusbeeld in zijn paleis te Constantinopel vernietigen. Vier jaar later maakte hij dit besluit af met een verbod van beeldenverering in de gehele kerk. De formele reden daartoe was godsdienstig. Iconen waren een vorm van afgoderij, een misplaatste poging van de mens om zich God in humane gedaante voor te stellen. Feitelijk was er ook iets anders aan de orde. Keizer Leo III koos niet louter uit theoretische overwegingen vóór zijn `iconoclastische' hofdignitarissen en officieren en dus tégen de monniken en gewone onderdanen. Voor de laatsten waren de iconen als mystieke ervaring dermate van belang dat steeds meer mannen in de productieve fase van het leven hun toevlucht in kloosters zochten. Met een algeheel verbod dachten de bureaucratie aan het hof en de legerleiding deze vorm van desertie het hoofd te kunnen bieden. In 843 werd het decreet van Leo III weer ingetrokken. Tijdens het concilie van Nicea 44 jaar later werd de strijdbijl in christelijke kring begraven.

Althans voor zeshonderd jaar. Want in de zomer van 1566 raasde door de Lage Landen een beeldenstorm tegen het `misbruik der paapse afgoderij'. Wederom gingen economie, politiek en theologie hand in hand. Het laatste woord over de verhouding tussen deze drie factoren is nooit gesproken. Ongetwijfeld waren de slechtere economische omstandigheden in het door de historicus Erich Kuttner getypeerde `hongerjaar 1566' een voedingsbodem. Door oorlogen in het Balticum en importbeperkingen voor Engels katoen liep vooral de textielmanufactuur in Vlaanderen gevaar. De beeldenstorm begon niet toevallig in het Zuiden, waar uit Frankrijk gevluchte calvinisten zich aandienden als broodnodige infanteristen. Maar toen die een maand later oversloeg naar Holland, liep hij verder in het Noorden uiteindelijk uit op een `vreedzame zuivering'. Volgens de Britse historicus Jonathan Israel was de beeldenstorm (een ,,fenomeen zonder precedent of parallel'') dan ook niet alleen een uiting van sociale onrust maar eveneens een ,,een zuivere en simpele aanval op de kerk''.

Met de opmars van de Verlichting veranderde het iconoclasme langzamerhand van karakter. Maar één aspect bleef overeind: de iconen van de verliezers werden steeds weer vervangen door de iconen van de winnaars. Zonder respect voor de mystieke behoeften van het volk kan elke keizer of partijleider zijn legitimiteit immers verliezen. Zo durfden de Jakobijnen het in 1793, na de executie van Marie Antoinette, niet aan de kerk af te schaffen. God kreeg, net als de kalender, een andere naam. Het mislukte.

In Rusland volgden de bolsjewieken na de Oktoberrevolutie van 1917 een vergelijkbare weg. Her en der werden kerken geplunderd. Maar uit angst voor het volk, dat zich door de eeuwen heen vertrouwd had gevoeld in de orthodoxe kerk, waagden de communisten het niet in één klap korte metten te maken met de `opium voor het volk'. Weliswaar werd in 1921 het godsdienstonderwijs en het kerkelijk grondbezit onteigend, maar onderwijscommissaris Loenatsjarski zocht het toch vooral in alternatieve en concurrerende beelden en bewegingen. Pas tijdens de collectivisatie van de landbouw na 1929, waarbij het dorpsleven volgens industrieel model werd geliquideerd, werden kerken en kloosters massaal gesloopt door `enthousiastelingen' of verbouwd tot bioscopen en zwembaden.

Tegelijkertijd bouwde Jozef Stalin aan zijn eigen evangelie: het marxisme-leninisme, dat in zijn iconografie een soort wereldlijke variant werd van het christendom. De standbeelden, schilderijen en musea van aartsvader Lenin gingen een steeds grotere gelijkenis vertonen met de verbeelding van Christus in de kerken en kloosters voor 1917. De Chinese partijleider Mao Zedong zou tijdens zijn culturele revolutie tussen 1965 en 1969 dit tot voorbeeld nemen, zij het aangepast aan de tradities in eigen land.

In 1991 kwam aan de marxistisch-leninistische geloofsbelijdenis in sovjet-Rusland een einde. Maar opmerkelijk genoeg bleef het beeld van Lenin grotendeels overeind staan. In de week van de mislukte staatsgreep van augustus 1991 werden de mindere goden stuk voor stuk van hun sokkel gehaald. De cellist Rostropovitsj begeleidde de feestelijke ontmanteling van het standbeeld van KGB-oprichter Dzerzjinski voor het hoofdkwartier op het Loebjankaplein. Omstanders zochten in de brokstukken naar souvenirs van hun gading. Ook ex-president Kalinin, partijbureaucraat Sverdlov, het boerenjongetje Pavlik Morozov (mythologisch martelaar van Stalins collectivisatie) en een veelvoud straatnamen moesten er aan geloven. In de niet-Russische sovjetrepublieken werden de Leninbeelden eveneens bestormd of naderhand rustiger afgebroken. Maar in hartland Rusland zelf bleven ze op centrale plaatsen staan. Zelfs het mausoleum met het gebalsemde lichaam van Lenin bleef intact. Tot op de dag van vandaag.

Daar is een verklaring voor. In Rusland heeft het afgelopen decennium een sociaal-economische omwenteling plaatsgevonden, met allerlei politieke en culturele implicaties. Maar dat is niet het werk geweest van een geheel nieuwe elite die eigen beelden nodig had en haar infanterie al plunderend moest belonen.