Allah-o-akbar

Met bonkend hart legde ik het boek op de toonbank van boekhandel De Slegte. Een prachtig werk met als titel Le sport dans la Grèce antique. Bijna driehonderd bladzijden met foto's van beeldjes, vazen of borden waarop sporters uit een ver verleden hun lichaam inspannen en hun projectielen werpen. Heel leerzaam ook. Zo moest ik constateren dat ik nog nooit van het pancratium als olympische discipline had gehoord. Een soort worstel- en vuistgevecht bij de oude Grieken waarbij bijna alle slagen geoorloofd waren. De geharde pancratiast mocht zijn tegenstander bijten en wurgen, zijn testikels fijnknijpen of zijn ogen uitsteken.

De grootste prestatie ooit uit de pancratium-archieven bleek op naam te staan van een zekere Arrchichion die tijdens de 54ste Olympiade (564 voor Christus) zijn titel ogenblikkelijk naar de eeuwige jachtvelden meenam. Arrchichion lag te stikken in de fatale omhelzing waarin zijn tegenstander hem klem hield. Door een priemende elleboog tegen zijn strot had hij nog maar kort te leven en de scheidsrechter vond het allemaal prima. Totdat hij uit wanhoop nog kans zag de enkel van zijn opponent te breken alvorens zijn laatste adem uit te blazen. Schreeuwend van ellende zag de anoniem gebleven verliezer zich genoodzaakt op te geven zodat Arrchichion zich de eerste dode olympische kampioen in pancratium mocht noemen. Barbaars? Wat heet primitief en wreed anno 2001 waarin landen zich op hun fanatieke religiositeit beroepen om kunstschatten te vernietigen? Ja, wat zou van al die prachtige afbeeldingen van Griekse worstelaars of discuswerpers overblijven als door een mondialisering van de imbeciliteit de Talibanse leer overal school zou maken?

Hoewel de expansionistische drift van de meest achterlijke vorm van islam die er bestaat weinig kans van slagen heeft, kan men zich moeiteloos verbeelden hoe de sportwereld in zo'n hypothetisch geval er uit zou zien. Voor de toeschouwer zou dit betekenen dat hij zijn meest elementaire recht tot het uiten van vreugde bij een doelpunt onmiddellijk verliest. Applaudisseren, ook op een sporttribune, is in het Afghanistan van de Taliban een obsceen gebaar. Ik kan er wel inkomen. Twee handpalmen die elkaar veelvuldig raken heeft iets weg van een ongewenste intimiteit die aan pornografie grenst. Sinds juni 1997 heeft de fundamentalistische Taliban een gedragscode voor de plaatselijke hooligans geïntroduceerd. Niet meer klappen dus, maar schuimbekkend `Allah-o-akbar' (God is groot) schreeuwen is wel toegestaan. Voor de sporters zelf gelden nog leukere geboden zoals het onmiddellijk onderbreken van de wedstrijd wanneer de roepende stem van de muezzin weerklinkt. Eerst bidden en dan pas scoren is het parool. De kledingvoorschriften voor sporters zijn ook aan te bevelen omdat ze tot inventiviteit kunnen dwingen. Omdat de Taliban geen blote benen en armen verdragen, zochten de voetballers van de hoofdstedelijke club afgelopen zomer naar een alternatief. In het snikhete stadion van Kabul, waar doorgaans hoofden en handen worden afgehakt, hadden ze tussen hun shorts en sokken gaas genaaid. De bezoekers, een ploeg uit Pakistan, vonden dit omslachtig en speelden gewoon in korte broek. Het duel werd door de islamitische politie stilgelegd, de Pakistani gearresteerd en kaal geschoren. Spelers als Stam, Le Boeuf of Barthez kunnen zonder vrees hun kunstjes in Kabul vertonen.

Evenals die arme Arrchichion – als hij tenminste in onze tijd had geleefd. Want de nationale sport in Afghanistan is van oudsher het bozkashi, een soort polo waarbij ruiters, genaamd Tchopendoz, een onthoofde geit moeten proberen te grijpen om ze in een cirkel te gooien. Doelpunt. En zoals bij het pancratium zijn bij het bozkashi alle slagen geoorloofd. Maar zelfs deze nationale sport wordt nu door de Taliban niet meer gepruimd.

Rest nog de vraag of het IOC het schieten met kanonnen op boeddhabeelden ooit tot olympische discipline zal verheffen.