`Afrikaanse kunst is niet alleen puur'

De West-Afrikaanse kunstenaar Meschac Gaba richtte met duizenden boeken een rondreizend museum in. Het dient als alternatief voor de koloniale context waarin westerse musea met Afrikaanse kunst presenteren.

Midden in de expositieruimte van Witte de With staat een doodskist met daarop twee koptelefoons. Wie zijn schroom overwint en erop plaatsneemt, kan luisteren naar de stem van een man uit Benin die vertelt over het leven van zijn zoon, Meschac Gaba. ,,Als klein kind maakte hij overal tekeningen, in boeken en op de muren van het huis'', vertelt de vader. ,,De familie was teleurgesteld dat hij kunstenaar wilde worden, omdat dat een riskant beroep was. In de stad waar we woonden, was niet eens een museum. Maar Meschac won veel prijzen en kreeg veel tentoonstellingen, zelfs in het buitenland. In 1996 vertrok hij naar de Rijksakademie in Amsterdam. Daar zag hij voor het eerst een museum voor moderne kunst, vol met kunstwerken die hij al uit boeken kende. Hoe het verder ging met mijn zoon kan ik u niet vertellen: ik ben in 1999 aan kanker overleden.''

Het lijkt een wat sinistere daad om je vader vanuit een doodskist tot de levenden te laten spreken. ,,Veel bezoekers reageren geschrokken'', beaamt Meschac Gaba (1961). ,,Maar het is een Afrikaans gezegde dat als een oude man sterft, er met hem een hele bibliotheek verloren gaat. Dat is wat ik met dit werk duidelijk wil maken. In Afrika worden verhalen door het hoge analfabetisme nog steeds mondeling overgedragen.''

De West-Afrikaanse kunstenaar, die al vijf jaar in Amsterdam woont en een van de negen kandidaten is die een ontwerp mogen indienen voor het slavernijmonument in Amsterdam, richtte een verdieping van Witte de With in als bibliotheek. Ruim tweeduizend brieven verstuurde hij naar musea, galeries en kunstenaars, met de vraag of ze wat boeken konden missen. Het resultaat is een met duizenden boeken volgestouwde ruimte, met aparte afdelingen voor kinderboeken, kunstboeken en boeken op cd-rom. De bibliotheek maakt deel uit van Gaba's rondreizende Museum of Contemporary African Art, dat sinds 1997 in diverse kunstinstellingen onderdak heeft gevonden. Gaba richtte het conceptuele museum op als alternatief voor de koloniale context waarin westerse musea doorgaans Afrikaanse kunst tentoonstellen. De afgelopen jaren presenteerde hij al negen verschillende afdelingen van zijn museum, waaronder een winkel (SMAK, Gent), een restaurant (W139, Amsterdam), een speelkamer (Besançon, Frankrijk) en een geluidsafdeling (Bonnefantenmuseum, Maastricht).

Omdat er in Benin geen kunstacademie was, haalde hij al zijn kennis over kunst uit westerse boeken. Praktijkervaring deed hij op in de studio van de Afrikaanse kunstenaar Zossou Gratien. Naast schilderijen en houten reliëfs maakte Gaba in Benin ook installaties met gevonden materialen. Zijn ontdekking van een afvalcontainer met geldsnippers, weggegooid door een bank tijdens de zoveelste economische crisis, speelde een belangrijke rol in zijn carrière. Gaba plakte de versnipperde biljetten op zijn schilderijen en boetseerde er kralen van. Gaba: ,,Ik vertelde aan al mijn vrienden dat ik een schat had gevonden. Iedereen verklaarde me voor gek, maar later heb ik veel van mijn geldsculpturen verkocht aan een grote bank in West-Afrika.''

Op basis van de assemblages met bankbiljetten werd Gaba toegelaten op de Rijksakademie. ,,De cultuurschok was groot'', zegt hij. ,,Ik dacht werkelijk dat de fietsenstalling van de academie bedoeld was als kunstinstallatie. In mijn land reden alleen kinderen op fietsen. Omdat Benin lange tijd communistisch was, kregen we veel films uit China te zien en daarin kwamen ook vaak fietsen voor. Mijn eerste indruk van Nederland was dat het een zeer communistisch land moest zijn. De tweede schok kwam in de musea. Het Stedelijk Museum bleek vol te hangen met westerse modelkunstenaars, terwijl de Afrikaanse artefacten in de antiekwinkels lagen. Ik ben toen naar het Tropenmuseum gegaan, om te zien of ze daar hedendaagse Afrikaanse kunst hadden, maar daar was alleen etnografica te vinden. Ik had behoefte aan een context voor mijn werk. Toen die niet bleek te bestaan, kwam ik op het idee om mijn eigen museum voor actuele Afrikaanse kunst op te richten.''

Sinds 1989 is de westerse belangstelling voor Afrikaanse kunst sterk gegroeid. Volgens Gaba heeft die plotselinge interesse echter ook nadelige effecten gehad. ,,Sindsdien zijn er veel verzamelaars naar Afrika gekomen om kunst te kopen. Maar de manier waarop zij naar het werk kijken, geeft mij het gevoel dat ze het liefst hebben dat Afrikaanse kunst etnografische kunst blijft. Etnografische musea laten zien hoe Afrikanen op een traditionele manier werken, maar ze geven altijd hetzelfde stereotype beeld. Het lijkt wel of iedereen wil dat de Afrikaanse kunst puur blijft, alsof zij zich niet mag ontwikkelen. Mijn museum is bedoeld als een positieve manier om het eurocentrisme ter sprake te brengen.''

Veel Afrikaanse kunstenaars, vertelt hij, krijgen geen kans een opleiding te volgen, en blijven daardoor noodgedwongen op een naïeve manier werken. ,,Ze blijven werk maken dat in het Westen goed in de markt ligt. Zo wordt de etnografische kunst in stand gehouden. Het is de bedoeling dat mijn museumbibliotheek doorreist naar Afrika, zodat de kunstenaars daar hun horizon kunnen verbreden. Als Afrika wil voorkomen dat alle jonge kunstenaars het continent verlaten en de beste werken in de westerse musea verdwijnen, zal het zich open moeten stellen voor ideeën uit andere delen van de wereld.''

Gaba had eind vorig jaar zijn eerste presentatie in het Stedelijk Museum, iets wat voor een Afrikaanse kunstenaar tien jaar geleden nog ondenkbaar geweest zou zijn. Gaba trad er zelfs in het huwelijk, met Alexandra van Dongen, conservator van Museum Boijmans Van Beuningen. ,,In Nederland trouwen mensen op de gekste plaatsen, in een zwembad of in een luchtballon bijvoorbeeld. Waarom zou ik dan niet in een museum kunnen trouwen?''

Meschac Gaba, The Library. T/m 15 april in Witte de With, Witte de Withstraat 50, Rotterdam. Di t/m zo 11-18u.