Vlucht Wilhelmina was terecht

Op 13 mei 1940 was de militaire situatie voor Nederland hopeloos. De Grebbelinie was in feite gevallen. Duitse parachutisten stonden bij Den Haag en Rotterdam. Een Duitse tankcolonne rukte door Noord-Brabant op, richting Rotterdam, naar en over de al in Duitse handen gevallen Moerdijkbruggen. Alleen in Zeeland waren geallieerde (Franse) troepen bij de strijd betrokken. De mythe van het dapper strijdende Nederlandse leger, dat nog lang niet verslagen was maar gedemoraliseerd werd door het vertrek van koningin en ministers, duikt reeds op 15 mei 1940 op. Het wordt dan in De Standaard uitgedragen door Colijn. Dat veel Nederlanders in die bewogen meidagen redeneerden zoals hij, kan geen afbreuk doen aan de waarheid, hoe bitter deze ook was: Nederland was op 13 mei 1940 al verslagen.

Het was generaal Winkelman, de opperbevelhebber van land- en zeemacht, die in overleg met minister van Oorlog Dijxhoorn in de ochtend van 13 mei de koningin het advies gaf uit Den Haag te vertrekken, omdat hij voor haar veiligheid en vrijheid niet langer kon instaan. In haar boek Om erger te voorkomen gaat Van der Zee geheel aan dit ook door L. de Jong in zijn geschiedwerk gesignaleerde advies voorbij. Thans verschuilt zij zich achter de dikke delen van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. De commissie is echter op dit punt glashelder. Evenmin juist is haar bewering dat Wilhelmina in de vroege ochtend van 13 mei haar vertrek in een telefoontje met de Engelse koning even geregeld zou hebben. Het dagboek van de koning, uitgegeven door diens biograaf Wheeler-Bennett doet een heel ander verhaal: zij verzocht om Engelse militaire steun voor de Grebbelinie.

Het was Hitlers bedoeling geweest koningin en regering in handen te krijgen (vandaar ook de Duitse luchtlandingen rond Den Haag). Haar vlucht doorkruiste dus zijn plannen. Wat hij allemaal in zijn schild voerde, kon Wilhelmina onmogelijk voorzien. Het is wijsheid achteraf om te zeggen dat zij door te blijven een rijkscommissariaat en de jacht op joden had kunnen voorkomen of ten minste matigen. Een fraai staaltje achteraf-redeneren is de bijdrage van de classicus Anton van Hooff in deze krant van 27 februari. Zelfs Pétain wordt erin gelauwerd. Het enige dat op 13 mei 1940 vaststond was dat het vertrek naar Zeeland of Engeland de Duitse plannen doorkruiste. Aan het hoofd van een vrije regering kon de koningin de strijd in het Engelse kamp voortzetten. Daar was ook alle reden toe: Nederland had een onmetelijk koloniaal bezit en een grote koopvaardijvloot, die voor de Engelse oorlogsvoering van eminent belang waren.

Als Wilhelmina de intentie had naar Zeeland te gaan, hetgeen op gezag van haar omgeving kan worden aangenomen, dan werd dit voornemen door de Engelsen verijdeld. Zij hadden meer belang bij een Nederlandse koningin in Londen dan bij een koningin op de vlucht in Zeeuws-Vlaanderen of België, die misschien alsnog in Duitse handen zou vallen. Van der Zee stelt dat al in het najaar van 1939 via de Engelse gezant in Den Haag, Bland, door haar een soort `asielverzoek' bij de Engelse regering zou zijn gedaan. Ik maak er meteen in het begin van mijn boek melding van dat de Engelse koning blijkens zijn dagboek reeds op 23 november 1939 rekening hield met de mogelijkheid dat bij een Duitse inval in Nederland de Nederlandse regering met de koningin naar Engeland zou uitwijken. Dat was dan ook precies de strekking van de door Bland overgebrachte boodschap: zijn wij welkom in Engeland als Nederland door Hitler wordt aangevallen en bezet? Dat is wel iets anders dan een verzoek om asiel. Hoe tentatief de vraag was geformuleerd, blijkt ook uit de latere dagboekaantekeningen van George VI wanneer hij zich in april 1940 (na de Duitse invasie van Denemarken en Noorwegen) afvraagt of er niet een plan moet worden gemaakt bij een Duitse inval van Nederland de koningin naar Engeland te brengen (zie p. 11). Ook Nederlandse multinationals als Shell, Philips en Unilever hadden voorzorgsmaatregelen getroffen om in het geval van een Duitse bezetting van Nederland hun bedrijfsleiding en (statutaire) zetel te kunnen verplaatsen naar het buitenland. Waarom zou de BV Nederland van die dagen dat niet hebben mogen doen? In Engeland was Wilhelmina aan het hoofd van een vrije regering ongetwijfeld nuttiger dan in Nederland waar zij, onmiddellijk monddood gemaakt, vermoedelijk op paleis Het Loo zou zijn geïnterneerd en spoedig daarna vanwege weerspannig gedrag naar Duitsland zou zijn afgevoerd.

Hoewel Van der Zee dit in een interview met deze krant op 24 februari nu ontkent of niet meer zo precies weet, gebruikt zij wel degelijk de term `landverraad' in haar boek in verband met Wilhelmina. Zie pagina 187: `Landverraad, want ontrouw jegens het land.' Ik heb haar en de lezer daaraan op pagina 21 van mijn boek herinnerd. Zij onderbouwde deze niet geringe beschuldiging onder meer met een beroep op de geslepen jurist – haar woorden – Seyss-Inquart, die in juli 1940 de koningin ervan betichtte dat zij de Grondwet had geschonden door de regeringszetel naar het buitenland te verplaatsen. Dit beroep op een geschonden Grondwet was op 15 mei 1940 ook door Colijn gebruikt om de vlucht van de regering te veroordelen. Hoe onzinnig die redenering was, blijkt uit de discussie rond de Grondwetsherziening van 1922. Conclusie van die discussie was, dat de Grondwet niet voor tijd van oorlog geschreven was.

De term `landverraad' is ook door Mussert in Volk en Vaderland gebruikt. Van der Zee is nu hogelijk verontwaardigd als ik in mijn boek vaststel dat wie zo'n beschuldiging uit zich in het gezelschap van Mussert bevindt. Zij leest daarin dat zij naar mijn mening een geestverwant van Mussert zou zijn. Dat is natuurlijk onzin. Dat heb ik niet gezegd en ook niet gesuggereerd. Het hoeft dus ook niet te worden ontkend. Wat zij echter niet kan ontkennen is dat de landverraad-these voor het eerst in 1940 is gebruikt, naast Colijn, door Mussert en Seyss-Inquart, onder meer met een beroep op de Nederlandse Grondwet. Op zijn minst dwingt dat tot voorzichtigheid bij het (opnieuw) gebruiken van deze beladen term in het historisch debat.

Prof.dr. C. Fasseur is historicus en biograaf van Wilhelmina.