Van maakbaar naar breekbaar

De commissie-Oosting wil in Nederland een `culturele revolutie' ontketenen. Het gebruik van die term in het rapport over de vuurwerkramp in Enschede roept allerlei vragen op. Is dit serieus bedoeld? Of is het reclametaal, een oneliner voor de media? Voor ons journalisten is het een zegen dat de presentatie van een rapport van 1.600 pagina's in twee woorden kan worden samengevat. Maar wat betekent het: culturele revolutie?

Het is misschien wat overdreven of zwaar op de hand om dit begrip besmet en voorgoed onbruikbaar te noemen. Even niet denken aan de Culturele Revolutie in China, de misdadige massahysterie op instigatie van Mao Zedong. Zet die verschrikkingen uit je hoofd. Het moet mogelijk blijven de term in een andere historische context te gebruiken, bijvoorbeeld: provo, de pil, mei '68, de verbeelding aan de macht.

Waar het om draait, is wat de commissie-Oosting er zelf mee wil zeggen en waarom zij zo hamert op het fundamentele karakter van de door haar beoogde omwenteling. Met `culturele revolutie' bedoelt men ongetwijfeld zoiets als een grootscheepse mentaliteitsverandering bij de overheid, een omslag in het denken van bestuurlijk en ambtelijk Nederland.

Toch vind ik het een nogal lichtvaardig gebruikte slogan.

Ik vraag me af waarom de commissie in dit geval niet liever van een `bestuurlijke' dan van een culturele revolutie spreekt. Uitsluitend de bestuurscultuur lijkt zij op het oog te hebben, zeker niet het culturele leven in bredere zin. Oosting c.s. willen een revolutie in vergaderzalen, kantoortuinen en inspectiebureaus.

Wekt behalve het woord `cultuur' ook het woord `revolutie' geen verkeerde associaties op? Niemand hoeft de barricade op. In een land dat het moet hebben van hervorming en overleg, kan een oproep tot een culturele revolutie misschien koppenmakers inspireren en sommige bestuurders uit den dommel wekken, maar het blijft niettemin een loze kreet.

Ik kan me de degelijke jurist Oosting, al legt hij dan de zweep over gemakzuchtige politici en bureaucraten, onmogelijk indenken als een eigentijdse Marat.

Marat/ nu is je tijd gekomen/ Marat laat je zien/ ze wachten op je/ Want de revolutie/ moet maar één ogenblik duren/ als een inslaande bliksem/ die alles verteert/ met verblindend licht

Excuus dat hier de revolutie wordt vergeleken met een explosie die ons direct doet denken aan de vuurwerkramp in Enschede. Maar zo is het wel. Revolutie is ontploffing, verterend vuur. De geciteerde tekst komt uit Peter Weiss' onvolprezen toneelstuk Marat-De Sade (De vervolging van en de moord op Jean Paul Marat) en is in de mond gelegd van de agitator en afvallige priester Jacques Roux, een historische stokebrand.

Ach, in Nederland wordt het met revoluties nooit wat. Vergelijk `Marat-De Sade' maar eens met het toneelstuk dat afgelopen week in première ging over `Den Uyl-Van Agt'. Dit stuk, Den Uyl, of: De vaandeldragers, is geschreven door Don Duyns, geboren in 1967, en is doortrokken van verlangen naar – ja, daar is zij weer – de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig. In Duyns visie is het kabinet-Den Uyl (1973-1977) daar het symbool van geweest.

Wij zijn de kinderen van Den Uyl/ wij geloofden in de maakbare samenleving/ zonder dat we wisten wat het was geloofden we erin/ dat je kon worden wat je wou/ dat je precies zo kon worden als je zelf wilde/ iets creatiefs? prima/ iets anders? ook perfect/ vrijheid weet je, per persoon en voor iedereen

Als ik een enquête had gehouden onder het première-publiek – onder wie de echte kinderen van Den Uyl die verbluft moeten zijn geweest door de fenomenale wijze waarop hun ouders worden uitgebeeld – over de vraag welke revolutionaire hervormingen het kabinet-Den Uyl heeft doorgevoerd, dan had ik nul op het rekest gekregen. Wat was dat ook weer: de Vermogens Aanwasdeling of de Wet op de Investeringsrekening? Niemand weet het nog. Alleen de mythe van de culturele revolutie heeft de tijd doorstaan, de mythe van de maakbaarheid.

En dat is wat me het meest treft in de `culturele revolutie' die de commissie-Oosting wil ontketenen. Wat is dit anders dan een eerherstel van het geloof in de maakbare samenleving? Enkele decennia lang, globaal genomen sinds de val van het kabinet-Den Uyl, hebben wij moeten horen dat politieke `maakbaarheid' een dwaalgedachte was, met als resultaat bedilzucht, betutteling en bureaucratisering.

In het neoliberale tijdperk van vrije jongens kwam een einde aan wat volgens de critici van Den Uyl een stelselmatige overschatting van de invloed van de overheid was geweest. Tegelijk moesten alle `maatschappijhervormers' en `wereldverbeteraars' van weleer het ontgelden.

Nu krijgen wij van de commissie-Oosting weer het omgekeerde verhaal te horen. Niet dat de maatschappij hervormd en de wereld verbeterd moet worden, maar wel dat de balans tussen particulier initiatief en algemeen belang door het terugtreden van de overheid verstoord is geraakt. De pendule slaat dus weer door naar de andere kant.

Betekent de voorgestelde culturele revolutie annex mentaliteitsverandering de aanzet tot een omslag in het denken over de rol van de overheid? Moet de overheid meer macht krijgen ten koste van de ondernemer? Keert de `maakbaarheidsgedachte' – meer overheid, minder markt – terug, niet op kousenvoeten maar op Enschedese en Volendamse brandweerlaarzen?

Ja, maar met dit verschil: in plaats van spreiding van kennis, macht, en inkomen (de leuze van het kabinet-Den Uyl) heeft de huidige culturele revolutie, om de hyperbool van de commissie-Oosting aan te houden, de spreiding van risico tot doel.

Niet de maakbaarheid, maar de breekbaarheid van de samenleving staat op de agenda. De overheid, zegt Oosting, moet voorkomen dat de maatschappij ontploft. In de meest letterlijke zin – zij moet tijdig het verterende vuur doven – maar ook in figuurlijke zin. Zij moet de opstand smoren van burgers die de overheid wantrouwen tot op het bot. Wat Oosting bepleit is een bestuurlijke contrarevolutie tegen te ver doorgeschoten `vrijheid weet je, per persoon en voor iedereen'.