UNESCO-acties tegen Talibaan te laat

Donderdag maakten de extremistische Talibaan in Afghanistan een begin met de sloop van alle standbeelden in hun land. In Parijs vond op vrijdag een UNESCO-conferentie plaats over het culturele erfgoed van Centraal-Azië.

Het had een rustig studiedagje moeten worden, met een imposante stoet van kenners, die elk in twintig minuten hun liefde voor hetzelfde onderwerp zouden bezingen: de cultuur van Centraal-Azië waar sporen van Griekse, islamitische, boeddhistische en Perzische invloeden terug te vinden zijn. Journalist Olivier Weber en wetenschapper Simon O'li besloten al maanden geleden hun conferentie te organiseren, maar nu had de dag plotseling een wrange urgentie gekregen. Webers eerste woorden in het UNESCO-gebouw vrijdagochtend waren dat de Talibaan volgens de laatste berichten al begonnen waren om de twee grootste schatten van Afghanistan, de boeddhabeelden bij Bamiyan van 55 en 36 meter hoog, op te blazen. Een lichte siddering trok door de zaal, en de dag verliep niet meer volgens plan. Wat moet je nog met koffers vol kunsthistorische kennis als de objecten waar je over spreekt misschien wel op hetzelfde moment worden vernietigd? Boekenwijsheid vermag weinig tegen bommen en granaten, en het publiek toonde vrijdag dan ook weinig geduld met de geleerden op het podium.

Azië-kenner Michael Barry van het Institut d'Études Iraniennes van de Sorbonne wist er om tien uur 's morgens nog een gloedvol betoog over de beeltenis van Alexander de Grote op Afghaanse kunstwerken doorheen te jassen. Met behulp van schitterende dia's en veel krachtige uitroepen lichtte hij de kruisbestuiving tussen de Griekse, boeddhistische en islamitische culturen op het Afghaanse grondgebied toe. Maar ook in zijn verhaal drong de actualiteit zich op: bij sommige plaatjes van Boeddha's of Griekse godinnen moest Barry de kanttekening plaatsen dat ze `helaas compleet verwoest' waren. Voor de archeologen en filosofen die na hem aan de beurt waren, was nauwelijks aandacht meer.

Het was tijd voor een inderhaast belegde persconferentie, waarop Mounir Bouchanaki, onderdirecteur van Cultuur van de UNESCO, gedwongen werd uit te leggen wat hij nu dacht tegen de vernielingen te doen. Bouchanaki kwam met een opsomming van de brieven die naar de Talibaan waren gestuurd, de petities met handtekeningen van `prominente persoonlijkheden' en de officiële bezoeken van de UNESCO aan Afghanistan, maar de machteloosheid was op zijn gezicht te lezen. Opvallend was de nadruk waarmee hij het beleid van de Talibaan loskoppelde van de wetten van de islam. Hij meldde dat alle 54 islamitische lidstaten van de UNESCO op een vergadering die dag hun afkeuring over het beleid in Afghanistan hadden uitgesproken. ,,De Talibaan hanteren een verkeerde interpretatie van de islam'', aldus Bouchanaki. ,,De islam predikt juist de groei van kennis.''

En nu dan, klonk uit het bezorgde publiek, kon de VN niet met nieuwe sancties komen. ,,Kalm aan'', was Bouchanaki's antwoord. ,,U moet begrijpen hoe moeilijk het is. Afghanistan is een afgesloten gebied. Het enige dat we kunnen doen is contact blijven zoeken met de Talibaan. Zij besturen het land nu eenmaal.'' Olivier Weber sprak van `vlucht naar voren' van het regime: ,,De Talibaan hoopten steeds om in de internationale gemeenschap terug te mogen keren, maar dat is niet gelukt. Nu wordt het land volledig van de buitenwereld afgegrendeld.''

Onderzoeker Robert Kluyver, die enkele jaren in de Afghaanse hoofdstad Kabul heeft gewerkt voor SPACH, de door de UNESCO ondersteunde Society for the Preservation of African Cultural Heritage, had weinig illusies meer over het cultuurbeleid van de Talibaan. ,,Ze hebben geen historisch besef, zoals wij in het westen'', zei hij. ,,Iets als een `cultureel verleden' betekent niets voor ze. Twee jaar geleden kwamen de meer progressieve Talibaan met een nieuw cultureel beleid. De nationale erfgoederen zouden beschermd worden, de musea zouden weer opengaan. Dat was bedoeld als statement voor de buitenwereld, om zo fondsen en steun voor het regime los te peuteren, maar er kwam niets. De gematigde Talibaan verloren daarmee hun geloofwaardigheid. De musea van Kabul zijn wel even open gegaan, maar in plaats van buitenlandse ambtenaren en journalisten kwamen er alleen Talibaan kijken. Die waren soms zo geschokt over de onkuisheden die ze zagen, dat ze de boeddhistische beelden spontaan om de oren begonnen te slaan. Na drie dagen gingen de musea weer dicht.'' Kluyver verwachtte niet dat de aangekondigde acties van musea of organisaties als de UNESCO nog iets uit zullen halen. ,,Het is te laat. Het is als met een ontvoering: op het moment dat je zeker weet dat je geen losgeld zult krijgen, kun je je slachtoffer net zo goed afmaken. In Afghanistan is alle beeldcultuur verboden, mensen mogen nog geen foto van een familielid bij zich dragen. In zo'n regime overleven oude kunstwerken niet.''