Recordaantal pelgrims bezoekt Mekka

Miljoenen moslims uit de hele wereld maken dezer dagen de pelgrimstocht naar Mekka. Een indrukwekkend vertoon van saamhorigheid en devotie, maar ook een logistieke nachtmerrie die honderden pelgrims niet overleven.

Het is de achtste dag van Dhul-Hijjah, de twaalfde maand van het jaar 1421. Volgens de islamitische jaartelling. Die begint bij de hidjra (622 A.D.), de verhuizing van de profeet Mohammed en zijn getrouwen van het toen nog vijandige Mekka naar Medina. Vandaag begint het vijfdaagse ritueel dat jaarlijks twee miljoen moslims uit zo'n honderd landen naar Saoedi-Arabië trekt: de hadj of grote bedevaart. Hun reisdoel is Mekka, sinds de verovering door Mohammed in 630 A.D. een heilige stad en nu gastvrijer dan ooit. Dat wil zeggen, voor gelovigen.

Op deze eerste dag maken de pelgrims de zevenvoudige ommegang rond de Kaäba, het met zwart brokaat beklede, kubusvormige bouwwerk in het midden van de Grote Moskee. Dat is volgens de koran vierduizend jaar geleden opgetrokken door de profeet Abraham en zijn zoon Ismail voor de eredienst aan De God (Al-Lah), de Ene. Tijdens die massale ommegang (tawaf) roepen de bedevaartgangers in het Arabisch: ,,Hier ben ik, o God, tot Uw dienst. Hier ben ik!'' Gedurende de tawaf mogen de pelgrims de Kaäba niet binnengaan en niet stilstaan. Zij worden geacht op te gaan in deze traag stromende rivier van mannen en vrouwen, die luidkeels hun dienstbaarheid aan god betuigen, gehuld in dezelfde, eenvoudige witte weefsels die ieder verschil in status en welstand uitwissen. De tawaf is een indrukwekkend vertoon van saamhorigheid, devotie en religieuze hartstocht.

In 1884 bezocht de jonge Leidse arabist en islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje Mekka tijdens de hadj. Niet veel Europeanen waren hem voorgegaan naar deze heilige stad, die al tijdens het leven van de profeet tot verboden gebied voor ongelovigen werd verklaard en dat nog steeds is. Snouck legde zijn ervaringen vast in een dissertatie: `Het Mekkaansche Feest'. Een vijfde van de mensheid verlangt ernaar dit spirituele festival ten minste één keer in zijn leven mee te maken.

Volbrenging van de hadj is de laatste van de vijf `zuilen des geloofs', waarop de profeet Mohammed (570-632 A.D.) zijn leer, de islam (`onderwerping aan God') fundeerde. De andere vier zuilen zijn de geloofsbelijdenis; het plichtgebed, de liefdadigheidsbelasting en het vasten in de maand Ramadan. Buiten het seizoen kunnen moslims de umra of kleine pelgrimage naar Mekka maken, maar die geldt niet als vervulling van een geloofsplicht.

De islamitische wet kent een aantal verontschuldigingen voor het niet volbrengen van de hadj, eigenlijk voorwaarden voor deelname. De aspirant-pelgrim moet over voldoende middelen beschikken om de reis te maken en familie moet goed verzorgd achterblijven. De tocht moet veilig gemaakt kunnen worden en de bedevaartganger dient in uitstekende gezondheid te verkeren. Hoewel de stroom bedevaartgangers in de loop der eeuwen is aangezwollen door welvaartsgroei en massatransport, kan maar een klein percentage van de moslims de tocht aanvaarden.

De religieuze betekenis van de hadj is drieërlei. Hij bevordert bij de individuele gelovige de gerichtheid op god en bewerkstelligt een vorm van spirituele verheffing. De pelgrimage geldt ook als een kans om vergeving te vragen voor alle zonden die iemand in zijn leven heeft begaan. De profeet zou hebben gezegd dat al wie de hadj op juiste wijze volbrengt, ,,zal terugkeren naar de reine staat van de geboorte''. Ten slotte stelt de bedevaart moslims uit de hele wereld, ongeacht taal of huidkleur, in staat samen te komen in een geest van universele broederschap.

De symbolische handelingen van het vijfdaagse ritueel verwijzen naar episodes uit het leven van Abraham (Ibrahim), de patriarch die door joden, christenen en moslims wordt geëerd als de `bij uitstek rechtvaardige' en die zowel voorkomt in het bijbelboek Genesis als in de koran. Abraham geldt onder moslims als de aartsvader van het monotheïsme, het geloof in één god. Volgens de koran verliet Abraham zijn geboortestad Ur in Mesopotamië, waar hij vergeefs was opgetreden tegen veelgoderij. Hij trok eerst naar Egypte en ten slotte naar een afgelegen vallei in Arabië. Daar liet hij een van zijn vele vrouwen, Hajar (Hagar, de `Egyptische dienstmaagd' uit de bijbel) en hun jonge zoon Ismail achter, vertrouwend op Gods belofte voor hen te zullen zorgen. Hajar zocht wanhopig naar water voor haar zoon en volgens de koran beantwoordde God haar gebed door een bron te laten ontspringen. De oase die zo ontstond, zou later uitgroeien tot de handelsstad Mekka. Vijfentwintig eeuwen later herstelde Mohammed, na een reeks goddelijke openbaringen op de berg Hira (Djebel Nur, de berg des lichts), in Mekka, dat was teruggevallen in veelgoderij, het geloof in de Ene God.

Na de tawaf volbrengen de pelgrims de sa'i. Zij rennen heen en weer tussen twee heuveltjes, Safa en Marwah, in een heropvoering van Hajars speurtocht naar water. Nog diezelfde dag, de achtste van de heilige maand, gaan de pelgrims naar de vlakte van Mina, waar zij overnachten in tenten. De volgende morgen reizen zij naar de vlakte van Arafat, waar zij de hele dag doorbrengen in gebed. 's Avonds verhuizen zij naar een tentenkamp in Muzdalifa, een lokatie halverwege Mina en Arafat, waar zij gebeden uitspreken en overnachten.

De derde dag (komende maandag), de tiende van de heilige maand, is het hoogtepunt van de hadj. Meteen na zonsopkomst vertrekt de pelgrimschare naar Mina, waar offerdieren worden geslacht. Dit ter herinnering aan Gods zwaarste opdracht aan Abraham: het offeren van zijn lievelingszoon Izaak. Toen de oude man wilde gehoorzamen, schonk God hem een offerlam als vervanging. Dit offerfeest, Idul Adha, wordt door de hele islamitische wereld gevierd met het rituele slachten van geiten, schapen en runderen. Hierna keren de pelgrims terug naar de Grote Moskee in Mekka, waar zij opnieuw een zevenvoudige ommegang rond de Kaäba maken en drinken uit de bron Zemzem, Gods geschenk aan Hajar. Die avond overnacht men opnieuw in Mina.

Op de vierde dag vindt in Mina het `stenigen van de duivel' plaats, een symbolische handeling waarbij men driemaal zeven steentjes op een hoop gooit. Dit ritueel verbeeldt Abrahams strijd met Satan, die hem probeerde af te brengen van het gebod Izaak te offeren. De rituele steniging wordt na overnachting in Mina de volgende morgen herhaald en dan zit de bedevaart erop. Na het bezoek aan Mekka wordt vaak ook nog Medina aangedaan, de tweede heilige stad van de islam. Daar zou Mohammed begraven liggen in de Al-Haram moskee, die geldt als bijna even heilig als de Kaäba. In de havenstad Jeddah, waar de meeste pelgrims aankomen, kan men het graf van Adam en Eva bezoeken.

Saoedi-Arabië is verantwoordelijk voor deze heilige plaatsen en voor een ongestoord verloop van de hadj. Dat bezorgt de Saoedische regering, behalve de nodige inkomsten, ieder jaar opnieuw een logistieke nachtmerrie. Het ritueel is zo massaal dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Op verschillende plaatsen in het bedevaarttraject, zoals de tunnel naar Mina, zijn in het verleden opstoppingen voorgekomen waarbij honderden mensen werden doodgedrukt of onder de voet gelopen. In 1997 vielen er bij dergelijke ongevallen 300, in 1998 honderd doden. Sindsdien hebben de Saoedi's honderden miljoenen dollars besteed aan veiligheidsmaatregelen.

Dit jaar komt een recordaantal pelgrims - 1,5 miljoen - van buiten Saoedi-Arabië. De omvangrijkste buitenlandse contingenten zijn die van Indonesië en Pakistan, de landen met de grootste moslimgemeenschappen ter wereld. Twee jaar geleden heeft de regering in Riyad bepaald dat Saoedische burgers maar eenmaal in de vijf jaar op bedevaart mogen, dit om de aanzwellende stroom pelgrims in te dammen.

Honderden bedevaartgangers bezwijken elk jaar tijdens de bedevaart aan ziekte, ouderdom of uitputting. Van het Indonesische contingent waren er vanochtend, aan het begin van het vijfdaagse ritueel, al bijna honderd overleden. Sterven tijdens de hadj betekent een rechtstreekse gang naar de hemel.