Oorlog over de oorlog 1

De Tweede Wereldoorlog was niet zo belangrijk als Loe de Jong en zijn generatie geschiedschrijvers doen voorkomen, zegt historicus Chris van der Heijden. `Ze hebben het heroïscher gemaakt om voort te kunnen.' Elke generatie vormt zijn eigen verleden, zegt ook de Amerikaanse onderzoeksjournalist Edwin Black. `We zijn ons nu pas bewust van het belang van IT in oorlog en in vrede.'

Altijd weer die oorlog. Houdt het dan nooit op? Het `nieuws' van de afgelopen weken: Een ruzie tussen twee Nederlandse historici over de vraag of de vlucht van Wilhemina naar Engeland in mei 1940 verstandig was. Het bericht dat nu ook historicus Loe de Jong zelf vindt dat hij fouten heeft gemaakt in de zaak-Aantjes. Een aanval op computerfabrikant IBM die medeschuldig zou zijn aan de holocaust. Wanneer is de oorlog over de oorlog voorbij?

Je zou denken dat alles nu wel uitgezocht en gezegd is. Bibliotheken zijn er volgeschreven over de Tweede Wereldoorlog. En er is dat historische monument van De Jong. Zestienduizend pagina's had hij nodig voor zijn Koninkrijk: negen bladzijden voor iedere dag dat Nederland bezet was. Het is zoveel dat niemand, in ieder geval niemand van na de oorlog, het nog gaat lezen. En de meeste andere studies behandelen slechts stukjes van de oorlog. Daarom heeft historicus Chris van der Heijden (46) nóg een boek geschreven over Nederland en de Tweede Wereldoorlog. Het beschrijft in minder dan vijfhonderd pagina's, voor een breed publiek, de hele oorlog en de verwerking daarvan. Zijn conclusie staat al in de eerste zin: ,,Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg, maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.''

`Het verhaal', daarmee doelt Van der Heijden op het verhaal van Loe de Jong en zijn generatie geschiedschrijvers. Over het onschuldige koninkrijkje aan de zee dat werd overvallen door een boze macht. Over de vijf lange, donkere jaren van honger en schaarste. Over de dappere strijd van de helden tegen de schoften. Kortom, over goed en fout.

Zo was het niet, zegt Van der Heijden. Een aantal mensen haalde schoftenstreken uit, een aantal verrichtte heldendaden, maar dat betekent niet dat iedereen een held of een schoft was. Achtennegentig procent van de Nederlanders deed, nou ja, eigenlijk niets. De eerste jaren van de bezetting nam het gemiddeld aantal calorieën dat de Nederlander binnenkreeg toe. De lijfspreuk van de Nederlander was niet: Ik worstel en kom boven. Maar: Ik dobber en blijf drijven. De oorlog was in werkelijkheid niet zwart-wit, maar zoals de titel van zijn boek: een Grijs verleden.

Een nieuw geluid?

Natuurlijk niet, zegt Van der Heijden zelf. Met name de historici Bank en Blom zijn hem in hun inaugurele redes voorgegaan. Maar het zwartwit-denken van De Jong zit diep, zegt Van der Heijden. Elke discussie over de oorlog, of nu het gaat over joodse tegoeden of over Wilhelmina, draait uiteindelijk uit op de vraag: goed of fout? Ieder jaar rond mei verschijnt er weer een aantal boeken, gemaakt naar het model: De Jong. Dat wil zeggen dat ze ,,veel informatie over helden bevatten, iets minder over schurken, enkele anekdotes die de tranen doen wellen en heel wat spannende details''. De oorlog, zegt Van der Heijden, is zo sterk uitvergroot dat we er niet over uitgepraat raken. Wie er nuchter naar kijkt, stelt zich de vraag: hoe belangrijk was die oorlog eigenlijk?

Bij het gesprek dat Van der Heijden daarover wil voeren heeft hij ,,een handicap'', zegt hij bij het beantwoorden van de eerste vraag. Zijn vader was ,,niet bepaald goed''.

,,Had u het uit het boek gehaald'', vraagt hij, ,,nee he?''

Het antwoord is nee. Van der Heijden, zelf jaren journalist bij onder meer Vrij Nederland en NRC Handelsblad, zegt wat hij zich heeft voorgenomen te zeggen: ,,Mijn vader leeft nog. Hij heeft recht op een rustige oude dag, vind ik, daarom wil ik er niet meer over vertellen. Voor mijn boek is het ook niet zo belangrijk. De feiten, of mijn selectie van de feiten, dáár gaat het me om.''

Een feit: Nederland betreurde 210.000 doden als gevolg van de oorlog, van wie de helft joden, schrijft u. U voegt daar aan toe: in de Sovjet-Unie stierven 20 miljoen mensen, in Polen 5,8 miljoen, in Duitsland 6 miljoen. Wat wilt u daarmee bewijzen?

,,Natuurlijk mag je leed niet kwantificeren. Maar vergelijk het eens met Spanje, waar ze een vreselijke burgeroorlog hebben gehad. Mijn vrouw is Spaans. Haar grootvader is doodgeschoten door de fascisten. En haar vader vocht met de Duitsers bij Stalingrad. Natúúrlijk is daarover gepraat in haar familie. In Spanje is ook gediscussieerd over de oorlog. Maar het lijkt alsof men daar leed aanvaardt als deel van het leven. In Nederland zijn de feiten relatief klein, maar de aandacht voor de oorlog is groot. Ik realiseer me dat het gevaarlijk is om dit te zeggen. Ik ben kind van een tijd die ik voorzichtig opzij probeer te schuiven.''

Dat weerhoudt u er niet van over rijkscommissaris Seyss-Inquart te schrijven dat men in Nederland nooit oog had voor de kwaliteiten van deze man. U noemt hem een intelligente, gevoelige man.

,,Dat vond ik de moeilijkste passage van het hele boek. Ik heb hem er uit gehaald en er weer in gestopt. `Intelligent' is te begrijpen. Maar gevoelig? Dat was hij als het ging over muziek en over de bergen in Oostenrijk. Dat paste bij het nazisme, want dat was natuurlijk ook een sentimentele ideologie. Tegelijkertijd was hij niet in staat om te beseffen dat de mensen over wie hij besliste, ook gevoel hadden.''

Waarom hem niet sentimenteel genoemd?

,,Dan had ik hem toch weer in de hoek van de `fouten' gestopt. En dat wilde ik niet. Als je zegt dat hij fout was, een schoft, dan hoef je niks meer uit te leggen. Maar je bent niet klaar, want zo is het leven niet.''

U wilde een mens van hem maken?

,,Zo zou je het kunnen zeggen, ja. We hadden allemaal bij de gaskamers kunnen staan, zowel aan de ene als aan de andere kant van de deur. Als je je daar van bewust bent, dan sta je veel sterker in je schoenen wanneer er morgen weer wat gebeurt. Het mensbeeld dat De Jong en zijn generatie ons hebben voorgeschoteld, is een leugenbeeld. Seyss-Inquart was geen unicum in de geschiedenis. Die loopt overal om ons heen rond.''

Maar niet iedereen wordt als Seyss-Inquart. Als we in wezen niet zoveel van elkaar verschillen, waarom begingen sommige mensen dan schoftenstreken en andere niet?

,,Wist ik het maar. Het kunnen omstandigheden zijn, zoals een Duitse vrouw, een vriend, een ontmoeting. Of structurele factoren. Zo waren katholieken gevoelig voor het fascisme.''

Als alle mensen in wezen grijs zijn dan was uw vader dat ook. Die conclusie moet een opluchting zijn.

,,Nee, want ik pleit mijn vader niet vrij. Hij behoorde tot die twee procent van wie heel duidelijk was waar die stond. Als ik zeg dat mensen grijs zijn dan bedoel ik: iedereen is tot alles in staat. Een enkeling kiest op een moment voor de zwarte kant, een andere voor de witte. Voor die keuze is iemand natuurlijk zelf verantwoordelijk. Ik wijs er juist op dat er een hele grote groep is die niet kiest.''

Dus mensen als Seyss-Inquart en uw vader waren niet grijs?

,,Uiteindelijk niet, nee. Zij kozen voor de zwarte kant.''

Ik heb me afgevraagd hoe iemand van wie ik veel houd heeft kunnen meedraaien in zo'n verderfelijk systeem.''

Natuurlijk, zegt Van der Heijden, het verleden van zijn vader riep vragen op en heeft daarom bijgedragen aan zijn fascinatie voor de oorlog. Hij hoopt vurig dat zijn boek niet om die reden zal worden gediskwalificeerd als het werk van ,,een zoon van een foute vader''. ,,Daarvoor is het te bezonnen.''

Hij is vooral, zegt hij, een kind van zijn generatie, opgegroeid in de jaren zestig. Van der Heijden: ,,Toen ik in de jaren zeventig geschiedenis studeerde, was de oorlog de maat van alle dingen. Je vijanden noemde je fascist. Of je iemand een vriend noemde, hing af van het antwoord op de vraag: zou ik bij hem kunnen onderduiken als het oorlog was? De oorlog drukte als een loden last op de samenleving. Ik leerde terugkijken, dat was mijn vak. Maar als je dat deed dan zag je in de geschiedenis een gigantische muur staan, waar je niet overheen kon kijken. Pas later kwam ik erachter dat die muur er niet altijd is geweest.''

Die muur, zegt Van der Heijden, is neergezet in de jaren zestig. Vier gebeurtenissen leverden daarvoor het bouwmateriaal: de verschijning van het eerste deel van De Jongs Koninkrijk, diens tv-serie De Bezetting, het boek De Ondergang, waarin Jacques Presser de Joodse Raad aanklaagde, en het proces tegen Adolf Eichmann, dat het grote publiek dankzij de tv voor het eerst en detail confronteerde met de gruweldaden van de nazi's.

Waarom een muur?

Dat heeft te maken met de eerste oorlogsjaren, zegt Van der Heijden. Met het feit dat `we' of `ze' – hij gebruikt beide woorden door elkaar – niets gedaan hebben. Van der Heijden: ,,De meeste Nederlanders dachten in mei '40: `Wilhelmina weg? Wat krijgen we nou?' Tien dagen lang krabden ze zich achter de oren. En toen gingen de kruidenierszaken weer open. Die Duitsers: ach, dat waren mafkezen die veel snoepjes en taartjes kochten, want dat hadden ze thuis niet. Het duurde nog even voordat de joden vervolgd zouden worden. En als je eerlijk bent: de meeste Nederlanders hadden ook weinig gelegenheid om iets anders te doen dan doorgaan. Duitsland had heel het vasteland van Europa in handen. Rusland had een niet-aanvalsverdrag met de Duitsers. En Amerika deed nog niet mee.''

Die werkelijkheid, het feit dat Nederland de eerste jaren van de oorlog gewoon doorleefde, was te gênant om onder ogen te zien, zegt Van der Heijden. Zeker gezien het lot van de joden. ,,Men kon de eigen lulligheid niet aanvaarden, en heeft toen maar een mooi verhaal verzonnen.'' De schaarste en de honger van het laatste oorlogsjaar werden op de hele periode van toepassing verklaard. ,,Het was natuurlijk heerlijk om dat verhaal te hebben en te zeggen: zó was het.'' Al had je niks gedaan, je had in ieder geval aan de goede kant gestaan.

Het verhaal werd zo groot, dat we er nog steeds niet over uitgepraat zijn. Maar was de oorlog wel zo belangrijk? Nee, zegt Van der Heijden voorzichtig. Zorgde de oorlog voor politieke vernieuwingen? Nee. Ontketende zij een seksuele revolutie? Nee. Dat gebeurde later. Na de oorlog probeerde men de draad weer op te pakken. Tot de jaren zestig. Het land was weer opgebouwd en er was tijd om na te denken. Toen kwam de schok.

Loe de Jong moest de klap in woorden vatten, hij of iemand anders uit het verzet of met een joodse achtergrond. Van der Heijden: ,,Een ander verhaal had zijn generatie niet geaccepteerd. Terugkijkend moet je zeggen: hij was niet de geschiedschrijver des rijks, maar van wat het rijk had willen zijn. Ze hebben het mooier gemaakt om voort te kunnen.''

In het epos van De Jong is koningin Wilhelmina de moeder des vaderlands. Terecht? Wat vindt u van de recente controverse over haar vlucht in mei 1940?

,,Zoals Seyss-Inquart bij mij iets minder zwart is, zo is Wilhelmina iets minder wit. Ze had geen enkel besef van politiek, maar haar domheid was ook haar kracht. Terwijl iemand als premier De Geer nog nadacht over compromissen, typisch Nederlands, zei zij gewoon: Duitsers dood! Weg! Dat was precies wat we nodig hadden. Met zo iemand win je de oorlog. Haar vlucht was natuurlijk volkomen terecht. Daardoor kon ze uitgroeien tot nationaal symbool. Maar een discussie daarover wordt al snel emotioneel van toon en dat is juist wat ik probeer te vermijden.''

Uit Amerika komen op dit moment zeer emotionele, beschuldigende boeken. Zoals een boek waarin IBM medeplichtigheid aan de holocaust verweten wordt.

,,IBM heeft zich natuurlijk nooit gerealiseerd waar die ponskaarten voor gebruikt zouden worden. Het getuigt van een soort simplisme dat past in de Amerikaanse cultuur. Als er maar een film van te maken is. Goldhagen had het over de moorddadigheid van de Duitser en dacht daarmee alles verklaard te hebben. Ik hoop en geloof dat zulk denken in Nederland en Europa aan het verdwijnen is.''

U verklaart het zwartwit-denken tot een generatiekwestie. Is het niet gewoon een behoefte van alle mensen en alle tijden aan duidelijkheid?

,,Zeker, maar zoals altijd in de geschiedenis is er sprake van golfbewegingen. Zwartwit-beelden worden afgewisseld met grijstinten. Wij leven, zou je kunnen zeggen, in een politiek vrij grijs tijdperk. We kunnen daardoor de grijsheid van het verleden beter zien. In de jaren zestig en zeventig leefde men in een zwartwit-tijdperk en had veel meer dan nu begrip voor de doordrammerigheid van het marxisme en het radicalisme van de Franse Revolutie. Geschiedschrijving is de wijze waarop een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden.''

Valt Loe de Jong dan wel wat te verwijten?

,,Nee. Ik had het in zijn plaats niet anders gekund, als ik al zijn doorzettingsvermogen had gehad. Ik hoop dat ik nergens respectloos over hem ben geweest. Iedere historicus weet dat er een tijd komt dat zijn beeld voorbij is. Hij had zijn beeld nodig. Ik heb mijn beeld nodig. Omdat ik in mijn tijd geleefd heb.''

Wat is de functie voor uw generatie van uw geschiedbeeld?

,,Ik kan die vraag niet beantwoorden. De vis kent het water niet. Het is aan volgende generaties om dat te doen. Misschien zullen ze dan zeggen dat we slap en cynisch waren. Dat we geen idealen hadden en nooit keuzes durfden te maken. Het is heel goed denkbaar dat ze óns zullen verwijten dat we blind zijn geweest. Misschien zullen ze het ons kwalijk nemen dat we niks hebben gedaan tegen het gat in de ozonlaag. Zullen ze zeggen: `Maar vader, hoe heb je zo fout kunnen zijn. Je reed zo maar met een auto! Een auto, verdomme, weet je wel wat er aan de hand was?' Misschien zullen ze tot de conclusie komen dat we vreselijke mensen waren.''

Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, 470 blz., uitg. Contact, ƒ49,90