Ontbijt met de RAF in Havana

De Duitse minister Fischer is in opspraak geraakt omdat hij ooit met de RAF-terroriste Margrit Schiller ontbeet. Dat deed Frank Westerman als student op Cuba ook. Oog in oog met een voorma- lig revolutionair.

Moskou, januari 2001

Joschka Fischer in de headlines. Als in zovele huiskamers drong in mijn Moskouse appartement het nieuws door dat de Duitse vice-kanselier zich in de nesten had gewerkt. Ik klikte een aantal nieuwspagina's aan en zag telkens dezelfde foto: Joschka als getuige tijdens het proces-Klein over de gijzeling van OPEC-ministers in 1975.

Duitslands eerste Grüne minister van Buitenlandse Zaken dreigde van getuigen- naar beklaagdenbank te worden gesleept. Niet omdat hij hand- en spandiensten aan terroristen zou hebben verleend, maar omdat hij een valse verklaring voor de rechtbank zou hebben afgelegd. Op de zitting van 16 januari had hij onder ede verklaard nooit omgang met RAF-leden te hebben gehad. Maar hij had een ontmoeting over het hoofd gezien met RAF-terroriste Margrit Schiller. Na afloop van een celstraf van anderhalf jaar logeerde deze `staatsvijandin' in 1973 enkele dagen bij Fischer en diens vrienden in hun Frankfurtse kraakpand.

,,Ik ontbeet met ze en 's avonds laat gingen we met z'n allen op kroegentocht'' – zo citeerde de Duitse pers uit Margrit Schillers autobiografie.

Haastig had Fischer een tv-station gebeld met de mededeling dat hij deze Margrit Schiller `misschien toch' aan de ontbijttafel was tegengekomen, maar het kwaad was al geschied. Bild-Zeitung eiste zijn onmiddellijke aftreden.

Het volgende moment verscheen er een politie-snapshot van Margrit Schiller op mijn scherm. `RAF-lid vanaf 1971', stond er in het bijschrift. `In 1985 in Cuba politiek asiel gekregen.' Ze trok een onwillige grimas. Uit verzet tegen het fotograferen had ze haar ogen dichtgeknepen en haar neus opgetrokken.

,,Margarita!'' hoorde ik mijzelf hardop zeggen. ,,Die ken ik.'' Hoewel ik haar achternaam nooit heb geweten, herkende ik haar gezicht. Margarita/Margrit – het kon niet missen. Ik had ook met haar ontbeten.

Havana, september 1985

Voor elf dollar per nacht logeerde ik in Hotel Plaza, een koloniaal bouwval aan een plein met palmen. Ik was twintig en telde dagelijks mijn geld om het zo lang mogelijk in het Caraïbische gebied te kunnen uithouden. De eerste maand was probleemloos verlopen: ik had deelgenomen aan de José Martí Brigade van linkse Europeanen die op uitnodiging van Fidel Castro hun solidariteit met Cuba kwamen betuigen.

Toegegeven: Het Woord bij de Daad van Harry Mulisch was in 1985 al weer zeventien jaar oud. In die ode aan de Cubaanse revolutie schreef Mulisch dat hij van de jodenvervolger Eichmann had geleerd `waartoe rechts leidt', en van Castro `wat daartegen gedaan kon worden'. Dat was het soort overzichtelijkheid waar ik naar op zoek was. In Utrecht had ik het bijvak Caraïbistiek gevolgd, waarna ik mijn studie onderbrak om Castro's Cuba met Bob Marley's Jamaica in de praktijk te vergelijken. Uit sympathie met de Cubaanse revolutie wilde ik ook mijn handen uit de mouwen steken, de daad bij het woord voegen.

's Ochtends plukten we wormstekige guaves, na de siësta legden we een fundering voor een bakkerij. Op een dag schoof er een stoet ambassadeauto's langszij. De Duitse Genossen verwaardigden zich niet met hun diplomatieke gezant te spreken, maar ik zag daar geen verraad in en maakte kennis met Hans Glaubitz, de tweede secretaris van de Nederlandse ambassade. Breed postuur, gebronsd gelaat. Quasi-serieus legde hij uit dat het corps diplomatique op inspectie was gestuurd om de geruchten te ontzenuwen als zou de José Martí Brigade `een trainingskamp voor terroristen' zijn.

Bespottelijk! Typische leugens van de bourgeois pers. Zoiets moet ik gedacht of gezegd hebben.

Enkele weken later zou ik Hans Glaubitz en de Nederlandse ambassadeur aan een voortvluchtige RAF-terroriste voorstellen.

Ik zag haar voor het eerst in een volle guagua, een harmonicabus van Hongaarse makelij. Een kop groter dan de Cubanen, waakzame ogen. Met haar dunne hals en ingevallen wangen straalde ze schraalheid uit. Later zou ze vertellen dat haar magerte en vlekkerige huid overblijfselen waren van honger- en dorststakingen in haar gevangenisjaren. Maar dat was pas later.

,,Margarita'', stelde ze zich voor. Ze bleek ook in Hotel Plaza te logeren, en de volgende dag zagen we elkaar aan het ontbijt. Nippend aan haar thee vertelde Margarita dat ze psychologe was en samenwerking zocht met de universiteit van Havana. Ze zou een paar weken blijven. ,,En jij?'', informeerde ze.

Ik vertelde haar van mijn `vergelijkend onderzoek' tussen Cuba en Jamaica. Nu de José Martí Brigade was afgelopen stond ik op het punt de eerstvolgende vlucht naar Kingston te nemen. ,,Op de terugweg wil ik nog een maand op de bonnefooi door Cuba reizen.'' Ik moet haar hebben uitgelegd dat ik per se achter de façade van opgewekte suikerrietwerkers wilde kijken.

Wat ik haar niet zei was dat Hans Glaubitz mij die avond had uitgenodigd in Tropicana, de enige nachtclub met een door Castro gedoogd showballet. Een bezoek aan Tropicana stond oorspronkelijk ook op het José Martí-programma, maar was door de vrouwelijk deelnemers gevetood. Te seksistisch. Aangezien ik in Margarita ook een fel feministe zag, nam ik afscheid van haar zonder te vertellen waar ik die avond zou uithangen.

Havana, december 1985

Ik was terug uit Jamaica en stond in te checken in de lobby van Hotel Plaza toen ik haar uit de liftkooi zag komen. Margarita begroette me schutterig. Ze liep rood aan en verontschuldigde zich, sorry, er stonden compañeros op haar te wachten. In het zonlicht buiten zag ik een groepje mannen bij een militiebusje. Margarita voegde zich bij hen, ze lieten haar als eerste instappen en reden weg. Compañeros van de universiteit? Reden die rond in militiebusjes? Ik geloofde niet dat haar missie voor de `Uni' met anderhalve maand was uitgelopen.

Die middag biechtte Margarita me haar Geschichte op. Ze vertelde dat ze in totaal 75 maanden had gezeten, met een onderbreking van een jaar in 1973. Ze was veroordeeld voor verboden wapenbezit, RAF-lidmaatschap, autodiefstal en nog zo wat – erg specifiek sprak ze daar niet over. Hoe spaarzaam ze ook omsprong met de details, ik merkte dat ze opgelucht was dat ze haar `verborgen' verleden met iemand kon delen. Af en toe viel de naam Holger, Gudrun of Ulrike. Ik begreep dat ze alle RAF-kopstukken – Andreas Baader, Ulrike Meinhof, Holger Meins en Gudrun Ensslin – van nabij kende. Van haar eerdere verhaal klopte alleen dat ze psychologe was.

,,Ik kreeg een tip dat ik weer op de opsporingslijsten stond, en toen heb ik me geen moment bedacht.'' Met grote ogen zei ze dat ze niet nog eens jarenlang in een witte geluidsloze cel wilde verblijven, afgesneden van menselijk contact. Op haar vlucht uit Duitsland had ze niemand meer gebeld of gesproken en ze was ook niet langs huis gegaan om spullen te halen. Tot na de paspoortcontrole op de luchthaven van Berlijn voelde ze zich onveilig. Hoe verdacht was het dat een alleenreizende vrouw zonder bagage een vakantie naar Cuba koopt, en nog uren nerveus zit te wachten op het vertrek van het Interflug-toestel naar Havana? ,,Pas toen we boven de oceaan vlogen, kon ik weer normaal ademen'', vertelde ze.

Met hulp van een zakwoordenboekje had ze `yo pido asilo político' samengesteld en uit het hoofd geleerd. De Cubaanse douaniers waren in een onbedaarlijk lachen losgebarsten: een gringa, een Duitse nog wel, die bij hen aanklopte voor asiel? Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt.

Toch was Margarita niet de enige. De mannen bij het militiebusje bleken Basken van de ETA. Ik moest terugdenken aan de suggestie dat de José Martí Brigade een opleidingskamp voor bommenleggers en kidnappers was. Ineens kwam dat idee mij minder absurd voor. De Italianen bijvoorbeeld die luidkeels de `Internationale' inzetten zodra wij Fidel Castro in levenden lijve te zien kregen – waarom wist ik zo verdomde zeker dat daar geen terroristen van de Rode Brigade tussen zaten? En de Ierse kameraden, was het werkelijk ondenkbaar dat zij bijklusten voor de IRA?

Ik hoorde Margarita niet uit. Waarom niet? Ik weet het niet. Ik was geen politieagent. Zoiets. En toen ze mij vroeg haar verblijfplaats geheim te houden, en vooral ook het feit dat Cuba asiel verleende aan RAF- en ETA-leden, had ik daar geen enkele moeite mee. Mijn onbegrip voor een `stadsguerrilla' in Europa betekende nog niet dat ik het Duitse staatsapparaat behulpzaam wilde zijn door Margarita's aanwezigheid en status in Cuba te verklikken. Dat deed je niet.

Moskou, februari 2001

De afgelopen zestien jaar heb ik regelmatig de aandrang gevoeld om uit te zoeken wie `Margarita' was. Ik had niet vermoed dat ze gewapende bankovervallen had gepleegd, betrokken was bij het doodschieten van een politieagent in Hamburg, en al helemaal niet dat Margarita in 1973 wekenlang op een flatje in Rotterdam woonde om samen met de PLO een (nimmer doorgezette) kaping van een El Al-lijnvlucht op Schiphol voor te bereiden.

Deze en andere feiten heb ik pas de afgelopen dagen op mij laten inwerken; zodra Margrits autobiografie, die ik bij een online-boekhandel in Duitsland had besteld, mij in Moskou had bereikt. Es war ein harter Kampf um meine Erinnerung, luidde de titel. Als eerste zocht ik naar de episode van haar vlucht naar Cuba. Vergeefs. Margrit bleek haar herinneringen abrupt in 1979 bij haar tweede vrijlating te hebben afgebroken. In het nawoord volstaat ze met: ,,In augustus 1985 ging ik naar Cuba.'' Over de zes tussenliggende jaren vermeldt ze alleen dat ze actief was in een `anti-imperialistische vrouwengroep'. Maar dat kon onmogelijk de reden zijn om halsoverkop – zonder een tandenborstel of een schoon setje kleren – de oceaan over te steken.

Zo raadselachtig als het boek eindigt, zo openhartig begint het. Eerst is er een schietpartij langs de Autobahn bij Freiburg, vier weken later een achtervolging in Hamburg. Als Ulrike Meinhof 'snachts op zoek wil naar een telefooncel lopen er twee RAF-leden als rugdekking aan de overzijde van de straat mee. Het gaat meteen mis: de eenzame passante raakt gevangen in de koplampen van een auto die haar stapvoets volgt. Smerissen! Zodra de agenten-in-burger hun portieren opengooien om Ulrike Meinhof te grijpen, duikt Gerhard Müller op en schiet ze van dichtbij neer. Margrit Schiller, de tweede `lijfwacht', kijkt verbijsterd toe en wordt later die nacht met een pistool in haar handtasje gearresteerd.

,,Waarom heb je niet geschoten?'' Die vraag, afgevuurd door Holger Meins na haar eerste schietpartij bij Freiburg, blijft door Margrits hoofd spoken. Ja, hoe was het zover gekomen dat `ein hübsches Mädchen' (aldus haar ondervragers) met een wapen in haar tasje rondliep (zonder het op beslissende momenten te gebruiken)?

De in haar memoires aangevoerde rechtvaardigingen zijn zo doortrokken van twijfel dat ze nergens pathetisch klinken. Haar vader, een majoor van de inlichtingendienst, wás een verknipt figuur die zijn puberdochter graag stijf tegen zich aanklemde om `te bewijzen dat ze zich niet aan de greep van een man kon ontworstelen'. En West-Duitsland in de jaren zestig wás een door en door conservatief land met een nazi-trauma.

Uit onmacht en woede breekt Margrit met de kerk en de CDU-moraal van haar moeder (die namens de christen-democraten in de gemeenteraad van Bonn zit). Als studente psychologie sluit ze zich aan bij het `Socialistisch Patiënten-colllectief', een actiegroep die geestelijke gestoordheid uitsluitend wenst te zien als het product van een gestoorde samenleving. Hun strijdkreet: `Macht kaputt was euch kaputt macht'. Margrit schrijft dat ze `de steen van haar eenzaamheid en levenstwijfel wilde optillen en tegen de oorzaak smijten'. Niks geen doorwrochte maatschappij-analyse, maar pure frustratie die zich omzet in daden. Het begint met het uitlenen van haar pas aan `revolutionairen' die worden gezocht. Stap voor stap, als bij een drugsverslaving, glijdt Margrit weg in de illegaliteit. Voor ze er erg in heeft, woont de RAF bij haar in huis. Ulrike Meinhof typt schotschriften op háár schrijfmachine, terwijl Andreas Baader zijn wapen schoonmaakt op háár bed.

Margrits impulsieve keuze om gewapend ten strijde te trekken tegen de Duitse staat heeft ze pas achteraf onderbouwd: door in de gevangenis Marx en Lenin te lezen. Ze wilde erbij horen, maar werd door haar politiek geobsedeerde kameraden nooit serieus genomen. Haar tragiek was dat Andreas Baader en Ulrike Meinhof haar altijd bleven minachten als een emotioneel en vooral `onpolitiek geval'. Die kritiek maakte haar nog veel verbetener: na haar vrijlating in 1973 was Margrit zelfs bereid om vliegtuigen te kapen, nota bene om Baader en de zijnen vrij te krijgen.

Havana, december 1985

Omdat mijn dollars op raakten, nam ik de uitnodiging van Hans Glaubitz aan om in zijn diplomatenvilla-met-zwembad te logeren. Ik at er voor het eerst kreeft. 's Avonds bezochten we in gezelschap van Cubaanse dansers, acteurs en andere vrijgevochten types het Havana Filmfestival.

Ik belde Margarita. We zagen de verfilming van De Stad en de Honden van Mario Vargas Llosa en na afloop dronken we mojito's en andere Hemingway-cocktails in de tuinen van het imposante Hotel Nacional. Aan ons tafeltje zat ook de Nederlandse ambassadeur Coen Stork, die later naar Boekarest werd `verbannen' omdat hij Castro's Cuba te mild zou hebben bejegend.

Ik had Margarita enkel geïntroduceerd als `Duitse', misschien met de toevoeging `psychologe', meer zeker niet.

Het precieze verloop van de avond weet ik niet meer. Wel herinner ik mij een creoolse jazzmuzikant die vertelde dat muziekinstrumenten in Cuba praktisch niet te koop waren. Deze Nicolás nam geen blad voor de mond. Hij legde uit hoe vernederend het was op een `overheidssaxofoon' te moeten blazen. ,,Uiteindelijk heb ik mijn eigen saxofoon illegaal in het buitenland laten kopen en via via hierheen weten te krijgen'', zei Nicolás.

Ik merkte dat hij indruk probeerde te maken op Margarita. Hij (een kalende, ietwat gekromde macho) nodigde haar (een fiere feministe van 1 meter 84) uit bij de repetities van zijn jazzband. Ik had niet gedacht dat het zou klikken tussen die twee, en was dan ook verrast toen Margarita mij later die week vroeg of ik mee ging naar het souterrain waar Nicolás en zijn groep oefenden.

Het liep tegen kerst. Met radiospotjes en plakkaten langs de wegen werd heel Cuba opgetrommeld voor de sinaasappel- en citroenoogst. Ik pakte mijn rugzak in voor de terugreis. Margarita's asielaanvraag was gehonoreerd; ze had een flatje toegewezen gekregen in een buitenwijk van Havana. Ze gaf me haar toekomstige adres en vroeg of ik twee brieven voor haar wilde posten in Europa.

Ik stemde toe en deed ze bij aankomst op Parijs-Orly direct op de bus. Ik besefte dat het ging om haar eerste levensteken aan het thuisfront sinds haar `verdwijning' meer dan vier maanden geleden.

Moskou, februari 2001

Naarmate de affaire-Fischer verder op de spits werd gedreven nam ook mijn nieuwsgierigheid naar `Margarita' toe. Het leek wel of Duitsland een terugkeer naar de gepolariseerde jaren zeventig beleefde. Met dit verschil: de in spijkerpak geklede stenengooiers van weleer zitten inmiddels op het regeringspluche en diegenen die tegen hen tekeer gaan, dat zijn de rechtse commentatoren in hun driedelig grijs. In hun kolommen schermen ze met pagina 116 uit Margrits boek. Op die bladzijde beschrijft ze in één alinea haar bezoek in 1973 aan Joschka Fischer en zijn militante Gruppe Revolutionärer Kampf in Frankfurt. Margrit zag hem in de kroeg en aan het ontbijt. Tijdens hun discussie bleek dat Joschka `absoluut tegen' een gewapende strijd in de Bondsrepubliek was. Maar de scherpslijperij gaat nauwelijks nog om Fischers verleden; de oppositie is er op uit om hem over een verspreking te laten struikelen en heeft zes klachten bij de rechtbank ingediend.

Margrit Schiller (`de vrouw die Fischer ten val kan brengen') is hun troef. Ik las dat het persbureau DPA haar aan de lijn had gekregen, maar dat ze iedere vorm van toelichting had geweigerd. Via een `Baader-Meinhof-discussieforum' op het internet vond ik haar e-mailadres. Margrit Schiller bleek in Montevideo, Uruguay, te wonen. Ze was 53 jaar en moeder van een twaalf jaar oude tweeling.

Ik stuurde Margrit een e-mail.

Havana, maart 1990

Als verslaggever op weg naar de presidentsverkiezingen in Peru maakte ik een tussenstop op Cuba. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om Margarita op te zoeken. Ze had geen telefoon, en ik had nog altijd geen idee hoe ze in werkelijkheid heette, maar ik wist dat ik guagua 87 moest nemen tot aan de Avenida de Camagüey.

Margarita zag er slecht uit: ze had wallen onder haar ogen en haar schouders hingen slap. Ze woonde op de vijfde verdieping in een flat zonder lift. Op de plavuizen zaten twee halfnaakte kindertjes met kroeshaar, haar kindertjes. De tweeling was met een keizersnee ter wereld gekomen, een operatie die gezien de armoedige gezondheidszorg een ware bezoeking was geweest. Via hun voornamen – Benita Ulrike en Nicolás Holger – waren ze erfelijk belast met het RAF-verleden van hun moeder. Het jongetje zou wat Margarita betreft `Andreas' hebben geheten – als dat niet in het Spaans zou hebben geklonken als een meisjesnaam.

Ik had een boek met reproducties van Joan Miró voor haar meegebracht, een van haar favoriete kunstenaars. Ze was er blij mee, maar had nauwelijks de energie om het te bekijken. Nicolás lag in het ziekenhuis bij te komen van een maagzweer. Margarita stond overal alleen voor en had ook nog de zorg om schoonmoeder in haar schommelstoel. Ik begreep dat haar Cubaanse leven neerkwam op een nieuwe, niet te winnen strijd: ditmaal tegen het machismo.

Moskou/Montevideo, februari 2001

Mail van Margrit. ,,Natuurlijk weet ik nog wie je bent.''

Ze schreef in het Spaans over haar verhuizing in 1993 naar Uruguay en over de breuk met Nicolás. De tweeling ging naar het colegio; zij verdiende de kost met het geven van Duitse les. Ze vertelde dat het optekenen van haar herinneringen haar acht jaar had gekost. Ik begreep dat ze het geweld had afgezworen, maar haar strijdbaarheid had behouden. De wereld was veranderd en zij had geleerd de verhoudingen minder zwart-wit te zien.

Aan het politieke gedoe rond Joschka Fischer maakte ze niet meer woorden vuil dan dat het `een smeercampagne' betrof. De hele Duitse pers zat achter haar aan: een krant had haar tienduizend dollar geboden voor een vraaggesprek, en een Duits tv-kanaal probeerde haar te lijmen met `garanties die ze zelfs de kanselier niet geven'. Wat dat precies inhield, schreef ze er niet bij.

Margrit vond het `geen probleem' dat ik over haar en onze Cubaanse ontmoeting wilde schrijven. ,,Maar bedenk wel dat alles in die tijd nieuw was voor mij. Ik voelde me gespannen en onzeker over mijn toekomst.'' Ze legde uit dat de Cubaanse autoriteiten van haar hadden geëist dat ze met niemand over haar asielaanvraag zou praten. ,,Ik had vele redenen om voorzichtig te zijn.''

We spraken af elkaar in Montevideo te ontmoeten om verder te praten, maar toen kwam er een kink in de kabel: haar zoontje had haar foto op CNN gezien en voor het eerst verscheen haar portret ook in een grote krant in Uruguay.

,,Dit is voor mij het summum'', schreef ze in telegramstijl. ,,Ik ga met de tweeling naar het strand en ben de komende tijd incomunicada. Ik voel me uitgeput door de klopjacht van de pers en wil even tot rust komen. Op de plek waar ik naartoe vlucht is geen telefoon. En trouwens ook geen stromend water: dat moet je daar met emmers uit de put halen.''

Margrits mailtjes nog eens nalezend bemerkte ik dat ze nog altijd een raadsel onopgelost had gelaten: de werkelijke reden van haar vlucht uit Duitsland in 1985.

`Margarita!', hoorde ik mijzelf zeggen, `die ken ik'

Stap voor stap, als bij een drugsverslaving, glijdt Margrit weg in de illegaliteit