Het ritueel van het rapport

Het waren beelden waar je triest van werd, van de verregende optocht ter nagedachtenis van de door politieagenten in Den Bosch doodgeschoten voetbalhooligan Pierre Bouleij. Een stille tocht moest het worden, want als je tegenwoordig waardig blijk wilt geven van je ontzetting, ga je zwijgend de straat op. Maar het was toch ook wel een protestmars, want volgens de nabestaanden vlotte het onderzoek niet vlot genoeg. Zoveel verwarring, zo weinig houvast. De media waren erop afgekomen, het was tenslotte een Stille Tocht, en buiten in de regen deed de weduwe, temidden van een handjevol medestanders, voor de camera haar best het gevoel over te brengen dat ze de afgelopen tijd op de gezichten van zoveel slachtoffers van Hollandse rampen moet hebben gezien – die gedragen mengeling van verslagenheid en woede, meestal in het onzekere licht van een flakkerende kaars, die ieder moment kan doven.

Een vertoon van onmacht, dat is die epidemie van stille tochten die over Nederland trekt. Wij weten het niet, wij staan met lege handen, wij zijn stomgeslagen door het onheil dat over ons is gekomen. Wij zijn, kortom, een speelbal. Waarvan? Van het lot, dat allereerst – en van de overheid. Want die twee vallen in toenemende mate samen. Ze blijken telkens weer, na iedere nieuwe ramp, allebei even onkenbaar. Dat gevoel is wijdverbreid, gezien de gretigheid waarmee de vertegenwoordigers van diezelfde overheid zich bij dit soort manifestaties aansluiten. Er is heel veel behoefte aan het tonen van onmacht, voor het oog van de camera, dat bij gebrek aan beter ook een beetje het oog van God is geworden. Leed is niets meer als het niet gezien wordt.

Na het lijden volgt de verlossing, en op de georganiseerde verbijstering van de stille tocht volgt in het hedendaagse Nederland onvermijdelijk het Rapport. Hoe onvoorstelbaar hetgene ook is dat ons is overkomen, we kunnen niet eeuwig in het duister blijven tasten, er moet ook iemand gefaald hebben. Wie, waar, wanneer? Daar is de commissie voor. Probeer je de politieke hoogtepunten van de afgelopen jaren te herinneren en het enige dat je te binnen valt is een oneindige reeks commissies en rapporten, hoorzittingen en persconferenties. Het drama van de afgedwongen bekentenis, het oproer vanwege de achteloze onthulling, de onverwachte emoties, de felle uithaal en dan, ten slotte, het harde oordeel. Herculesramp, Bijlmerramp, vuurwerkramp in Enschede, brand in Volendam, rellen in Groningen, de IRT-affaire, de lijst dreigt eindeloos te worden. Het is een ritueel. En wanneer het rapport gepresenteerd is, wanneer er gedreigd is met het snellen van koppen, wanneer de verbijsterende onthullingen eindeloos tegen het licht gehouden zijn en in de media zijn uitgekauwd, wanneer iedereen ervan doordrongen is dat er op alle fronten gefaald is en er nu toch echt iets moet gebeuren, vindt er een nieuwe ramp plaats, komt er een nog pijnlijker affaire aan het licht, en wordt het tijd voor een nieuwe commissie.

De slachtoffers van de vuurwerkramp in Enschede blijven na het uitbrengen van het 1.100 bladzijden tellende rapport-Oosting met veel vragen zitten, meldde deze krant. Dat is het probleem met al die Nederlandse rapporten, dat iedereen altijd met heel veel vragen blijft zitten. Alle betrokkenen blijken een beetje gefaald te hebben, maar als instituut, niet als individu. In het geval van Enschede verklaarde de burgemeester dat hij het brandweerkorps door het rapport gerehabiliteerd acht, omdat er staat dat de brandweer als korps wel fouten heeft gemaakt, maar ,,dat individuele brandweerlieden geen blaam treft''. Behalve een enkele wethouder, die weet dat je ook kunt gloriëren door publiekelijk consequenties te trekken, stapt er helemaal niemand op. De waarheid blijkt diffuus, hoe meer feiten er worden achterhaald, hoe meer er aan het licht komt, hoe ongrijpbaarder zij wordt. En wat de betrokkenen van het rapport verwachten, wat iedereen tegen beter weten in van een rapport verwacht, houvast, klinkklare klaarheid, schuld en boete, blijkt een illusie. Ieder Nederlands rapport eindigt met een kater. Begrijpelijk, want zo'n rapport blijkt vrijwel altijd een moeras, waarin de zo heftig verlangde oplossing, lees verlossing, snel uit het zicht verdwijnt. Het is alsof je voor een moordzaak een detective inhuurt die na een lang en geheimzinnig onderzoek iedereen als schuldige aanwijst. Ondanks al die harde oordelen van de afgelopen jaren, kan ik me dan ook geen enkel rapport herinneren dat vergaande consequenties heeft gehad, geen enkel rapport dat een werkelijk waarneembare omslag in het openbaar bestuur heeft veroorzaakt.

Dat komt omdat al die rapporten, met alle verwachting en potsierlijke mediahype waarmee ze omgeven zijn, zelf onderdeel zijn van het probleem. Het zijn voor het merendeel onmachtige bezweringen, onder het mom van rationele feitelijke bevinding. Het lijkt alsof de onmacht rationeel te lijf gegaan wordt, alsof de vreselijke misère van een ramp of een schandaal, door een compleet onafhankelijke, en dus onbesmette, instantie wordt onderzocht, zodat een zuiver beeld kan ontstaan, maar al te vaak blijkt het Rapport een doel op zichzelf. Het is geen begin, het is een afsluiting. Als het rapport verschenen is, kan de ramp vergeten worden.

Wat het rapport-Oosting betreft zijn de verwachtingen nog roerend hoog gespannen. Minister De Vries van Binnenlandse Zaken roept dat het rapport laat zien dat het echt anders moet met de Nederlandse overheid. Oosting zelf bepleit een culturele revolutie waarbij de overheid krachtig ingrijpt wanneer er regels overtreden worden en de openbare veiligheid in het geding komt. ,,Zo'n revolutie moet in Enschede beginnen'', trompettert de Enschedese oud-wethouder N. van Lijf.

Een revolutie? Een culturele revolutie? Ik wil niet cynisch zijn, maar de aard van onze nieuwe rapportcultuur keert zich juist tegen iedere revolutie. Het rapport veroorzaakt geen omslag in ons denken, het is onze manier van denken geworden. Over al die larmoyante stille tochten wordt genoeg geschamperd, maar je zou willen dat er eens wordt stilgestaan bij het ritueel van het rapport, wat voor een land het is dat zichzelf steeds opnieuw en steeds vaker probeert te zuiveren door middel van instanties die buiten het bestuursapparaat staan, een land waarin kennelijk zo'n algehele scepsis tegen het eigen functioneren bestaat, dat de waarheid telkens opnieuw moet worden uitbesteed.

Misschien kan een commissie hier licht op werpen.