Esther Jansma over MUZIEK MET WOORDEN

Ik logeerde bij vrienden van de familie - een beeldhouwer met een baard om natte lippen, zijn vrouw in zachte kleren, een heleboel kindertjes - in een groot, vreemd huis ergens vlakbij de Belgische zee. Het was midden in de nacht. Ik was wakker geworden, er was een feestje, ik zat slaperig op de trap boven een stuk of tien mensen die praatten en rookten en naar muziek luisterden. Iemand merkte me op. Nu krijg ik straf, dacht ik. Maar ik kreeg een arm om me heen en een beker warme chocolademelk. En toen gebeurde het. Muziek als kleine, blije vingertjes, gitaargepingel alsof de wolken openschoven. Here comes the sun. Absolute gelukzaligheid. It's all right.

Niet veel later hoorde ik Boudewijn de Groot. Ik had niet geweten dat mijn eigen taal zo mooi kon zijn, zo onbekend en lyrisch. Dat wilde ik ook kunnen, zo schrijven over testamenten en waterdragers, lantaarnopstekers en foute presidenten. Als iemand me toen gevraagd zou hebben wat ik later wilde worden, zou ik 'Boudewijn de Groot' geantwoord hebben. De teleurstelling toen iemand me vertelde dat de muziek en de teksten niet uit hetzelfde hoofd kwamen, was immens. Vanaf dat moment wilde ik Lennaert Nijgh zijn.

Nog steeds wil ik muziek met woorden erin, met verhalen, gedichten, uitsneden uit levens die ik niet ken, sprookjes, aanroepen, beschrijvingen, beloften. Woorden die ik niet kan verstaan mogen ook, daar verzin ik dan zelf de betekenis bij. De muziek waar ik deze dagen naar luister, heb ik van mijn liefste gekregen. Recent Songs van Leonard Cohen (1979), waaronder het prachtige Ballad Of The Absent Mare, waarvan ik maar niet kan begrijpen dat iemand het bij elkaar geschreven heeft. De cd van Paul Simon die een paar maanden geleden uitkwam, You're The One, met onthutsende sprookjes zoals The Teacher, over een stelletje volgelingen die achter hun leider aan de bergen intrekken, waar ze tegen het eind van het lied al half zijn vergeten wie ze eigenlijk waren en ongerust verder dwalen door de vrieskou, het niets in. Joni Mitchell die namens de beeldhouwersdochter die ik ben, zingt: I am not some stone commission / like a statue in the park / I am flesh and blood and vision / I am howling in the dark (uit 'Come In From The Cold', Night Ride Home, 1991). De Kindertotenlieder van Mahler, waar mijn vader zo dol op was dat hij ze op zijn begrafenis wilde, en die me plat tegen de vloer smijten van iets dat het midden houdt tussen verdriet, bewondering voor Friedrich Rfl.ckert (die de gedichten maakte) en een grenzeloze opluchting dat er teksten zijn die ik zelf niet meer hoef te bedenken, omdat iemand anders dat al voor me gedaan heeft.

Er is ook muziek waar geen woorden bij hoeven, omdat er beelden bij horen. Ik bedoel bijvoorbeeld de filmmuziek van Fellini's Amarcord, en daarvan dan weer vooral de saxofoon in de scène waarin jochies in donkere capes, plechtig rondcirkelend op het besneeuwde bordes van een vervallen huis, onzichtbare instrumenten bespelen. Zo was ik vroeger ook, zo waren vroeger alle grote mensen die ik lief vind, zo zijn de fijnste jeugdherinneringen van de wereld, de beste films, de geweldigste boeken. Iets beters is er niet.

Maar hoe zit het dan met Mozart, hoor ik u denken.

Ja, die hoort er ook bij. En Schubert ook, en nog wel meer. Maar ik pas voor Middeleeuwse luitmuziek, dat gaat me te ver, als ik dood ben is er nog eeuwigheid zat om me in te vervelen.

En experimenteel spul, nerveuze percussie, fliepfliep jazz? Aan me nooit niet. Ik wil niet zenuwachtig worden.

Ik wil door muziek worden vermaakt, ontroerd, beetgepakt en opgetild. Ik wil het vermoeden van iets groters, een aai, schrikken, weer een aai. Ik wil door muziek dingen begrijpen die ik eerder niet begreep, die ik zonder de combinatie van vingers en luchtwegen, geluiden en taal, niet eens begrijpen kàn. M

Esther Jansma is archeoloog en schrijver. In 1999 kreeg zij de VSB Poëzieprijs. Haar jongste dichtbundel Dakruiters verscheen vorig jaar bij de Arbeiderspers.

Illustratie Bouke Ylstra