Eisprong

Hoever ga je als je zwanger wilt worden? Een verhaal over blijde verwachting en miskraam, grafiekjes in bed en hormoonspuiten, diepe liefde en tomeloze jaloezie. 'Tot nu toe wilden we gewoon een kind, maar sinds dit doktersbezoek hebben we een Kinderwens. Het klinkt als een ziekte, die misschien wel ongeneeslijk is.'

Of het nu kwam door de meeslepende muziek, door onze vakantiestemming of gewoon doordat ik de dertig naderde, weet ik niet. Maar op die zwoele zomeravond in New Orleans besloten Paul en ik dat de tijd rijp was. Vanaf nu zouden we de natuur op haar beloop laten. Gepassioneerd en verwachtingsvol bedreven we de liefde.

Om onze standvastigheid te testen, liet mijn zwangerschap meer dan een jaar op zich wachten. Toen begon eindelijk mijn buik te bollen en werden mijn borsten opzien- barend groot en stevig. Ik liep ermee te pronken als een trotse moeder met haar kroost. Paul keek anders naar me, intenser, nieuwsgierig en verbaasd. We begonnen over namen na te denken en bekeken foto's uit onze kindertijd. Ik hoopte dat ons kind de donkere schoonheid van mijn moeder zou erven en de fijne gelaatstrekken van Pauls vader. Dat het muzikaal zou zijn, nieuwsgierig en levendig.

Pech is meer iets voor anderen. Ik heb altijd geluk. Maar de krampende pijn in mijn buik voorspelt weinig goeds. Paul is met een vriend naar het café vertrokken. Ik zit op de wc en kan me niet meer verroeren. Dan hoor ik iets vallen. Op hetzelfde moment ebben de krampen weg. Ik weet dat ik een miskraam heb, maar ik kan de betekenis daarvan nog niet vatten.

Ik sta op om te kijken. Met veertien weken horen alle lichaamsdelen zichtbaar te zijn. Maar in die glinsterende bloedklomp kan ik weinig vormen ontdekken. Wat nu? Doorspoelen? Er uit vissen? Begraven? Ik heb nog nooit gehoord of gelezen wat andere mensen in zo'n situatie doen. Bewaren, besluit ik ten slotte, misschien moet het nog onderzocht worden. Ik schep het glibberige geheel met een pollepel uit de pot, doe het in een tupperware doosje en berg het op in de vriezer, naast een kip die onbeholpen met haar poten omhoog ligt. Dan pas merk ik hoe erg mijn benen trillen. Ik kan nog net mijn bed bereiken. Leeg en wezenloos zak ik achterover in de kussens. Ik leg mijn handen op mijn buik. Die staat nog even bol als voorheen.

Ik bel mijn moeder, die me geschrokken naar het ziekenhuis brengt. Op de echo zien we het geruststellende beeld uit de boekjes: een lichaam met een hoofdje, met armpjes en beentjes. Zie je wel, het is er nog gewoon. Ik kon me al niet voorstellen dat een zwangerschap na een maandenlange aanloop zó snel tenietgedaan kan worden. Maar de arts velt zijn vonnis: 'Er is geen hartactiviteit meer. U was zwanger van een tweeling. De eerste vrucht heeft u thuis verloren. Nee, het materiaal wordt niet meer onderzocht, u mag het weggooien in de vuilnisbak. Nu moet u afwachten tot de tweede vrucht het lichaam ook verlaat. Het lichaam heeft de natuurlijke neiging om dood materiaal af te stoten.'

Ik verwonder me over zijn kille woorden: eerste vrucht, tweede vrucht, dood materiaal. Ik hoor mezelf beleefd bedanken, gris mijn kleren bij elkaar en ren naar de wc. Eerst overgeven, dan huilen, dan naar buiten om adem te halen. Mijn moeder slaat troostend een arm om me heen.

Paul bedenkt een theorie. Een vriendin van hem had ooit abortus laten plegen. Ze had daar veel last van gehad. 'Dat is een stuk moeilijker dan een miskraam', zegt hij. 'Bij een abortus haal je een gezond kind weg. Wat je bij een miskraam verliest, had toch nooit een gezond kind kunnen worden.'

Ik sputter verbouwereerd tegen: een abortus pleeg je vrijwillig, een miskraam overkomt je. Op een abortus kun je je nog enigszins voorbereiden, een miskraam overvalt je. Een abortus pleeg je in het begin van je zwangerschap, wij waren de kritieke driemaandengrens gepasseerd. Maar eigenlijk wil ik er helemaal niet over praten, niet op deze manier. Dus begin ik weer te huilen.

Ik zou willen dat Paul zich ook eens zou laten gaan, of op zijn minst zou zeggen dat hij het erg vindt. Het moet voor hem ook een teleurstelling zijn. Hij had zich er toch net als ik op verheugd? Anders had hij me niet voor het slapengaan steeds zo liefdevol op mijn buik gekust. 'Hallo, hallo jij daarbinnen', zei hij dan, 'hoe gaat het ermee? Lig je warm daarbinnen? Wij gaan nu lekker slapen, doe jij dat ook maar. Dan word je groot en sterk.'

Bij mijn eerste cafébezoek na de ziekenhuisopname reppen mijn vrienden de hele avond met geen woord over de miskraam. Ik was liever alleen thuisgebleven dan zo eenzaam tussen mijn vrienden in het café te zitten. Zij denken natuurlijk dat ik er liever niet over wil praten, dat ik er zelf wel over begin als ik dat wil.

Je hebt ook mensen die er wel iets over zeggen, maar de plank volledig misslaan. 'Het komt heel vaak voor. Eén op de vier zwangerschappen eindigt in een miskraam', weet de een. 'De volgende keer beter!', zegt de ander opbeurend, alsof ik net een spelletje Mens-erger-je-niet heb verloren.

Paul vindt dat ik overgevoelig ben. 'Als ze niets zeggen, is het niet goed, en als ze wel iets zeggen, is het ook verkeerd.' Misschien is dat wel zo. Misschien ben ik boos over de miskraam en uit zich dat in woede op alles en iedereen. Maar toch. Ze hoeven alleen maar te vragen hoe het nu met me gaat, en dan ook nog even naar het antwoord te luisteren.

Vrouwen maken hun zwangerschap doorgaans pas na drie maanden openbaar, omdat de kans op een miskraam voor die tijd het grootst is. Als het dan misgaat, hoeft niemand het te weten. Alsof je wereld niet tweemaal op zijn kop heeft gestaan, eerst door de zwangerschap en dan door de mislukking. Alsof het iets is om je voor te schamen. Alsof je er zelf ook een beetje door mislukt. Ik ben toch verdomme mijn baarmoeder niet?

Als er iemand doodgaat, is de begrafenis een vorm van rouw die het de nabestaanden mogelijk maakt hun verdriet te delen. Je kunt gezamenlijk afscheid nemen van het lichaam, en na afloop je herinneringen aan de overledene uitwisselen. Maar niemand heeft nog herinneringen aan ons kind. Voor anderen bestond het immers nog niet. Het bestond alleen in mijn buik en in ons hoofd.

Bij een miskraam zijn er geen rituelen, is er geen begrafenis. Bij een miskraam is er niets, helemaal niets, behalve de ongeschreven wet dat je dit verlies in stilte draagt.

Tijd heelt alle wonden, zeggen ze, en na verloop van tijd begin ik te geloven dat ze gelijk hebben. De woede en de teleurstelling zakken langzaam weg. Paul en ik gaan op een danscursus rock & roll. Ik herinner me weer wat ik zo leuk aan hem vond: zijn armen en benen springen alle kanten op, net als zijn gedachten. We besluiten het nog een keer te proberen. Er gaat een jaar overheen. Het geeft niet, stellen we elkaar gerust, we hebben geen haast. Er gaat nog een jaar voorbij. Het duurt te lang, zeggen we tegen elkaar, misschien is er iets niet in orde. Misschien moeten we de huisarts raadplegen.

'Jullie hebben dus een kinderwens?', informeert deze meelevend. We antwoorden bevestigend, hoewel we er zelf nooit in die term over gedacht hebben. We moeten vertellen hoe vaak we geslachtsgemeenschap hebben. We krijgen een diagram mee waarop we met behulp van de temperatuurmethode een vruchtbaarheidscurve moeten tekenen, zodat we precies kunnen zien wanneer de eisprong plaatsvindt. Gericht vrijen, dat is het recept. Op de terugweg naar huis voel ik een dodelijke vermoeidheid over me neerdalen, die dagenlang bezit van me neemt. Tot nu toe wilden we gewoon een kind, maar sinds dit doktersbezoek hebben we een Kinderwens. Het klinkt als een ziekte, die misschien wel ongeneeslijk is.

Als een stel geflipte intellectuelen liggen we in bed metingen te verrichten en grafiekjes bij te houden. Ik heb eens gelezen dat de kans het grootst is als de man eerst klaarkomt en vlak daarna de vrouw. De gulzige baarmoeder slokt het zaad dan met orgastische bewegingen naar binnen en stuwt het de eileiders in. Volgens de één moet de man minstens een dag van tevoren nog een zaadlozing hebben gehad, zodat het zaad energiek - níeuw, nu nóg beter! - doel kan treffen. De ander beweert dat een paar dagen onthouding de kwaliteit ten goede komt. Als die spermatozoïden na een paar dagen eenzame opsluiting eindelijk worden vrijgelaten, zijn ze niet meer te houden! Ze weten nog niet dat ze wellicht een nieuwe gevangenschap tegemoetgaan in een ander lichaam. Om te voorkomen dat het onnozele sperma zich in de richting vergist, blijf ik na het vrijen roerloos op mijn rug liggen met mijn benen omhoog. Soms ga ik zelfs op mijn hoofd staan, zodat het linea recta kan doorstromen naar de eindbestemming.

Het blijft doodstil in mijn buik. Het is om moedeloos van te worden. De huisarts verwijst ons door naar het ziekenhuis voor vruchtbaarheidsonderzoeken. Ik zet me schrap. We hebben het al jarenlang heel goed samen zonder kinderen, waarom zouden we ons een probleem laten aanpraten? Maar misschien is het iets eenvoudigs, dat gemakkelijk te verhelpen is. Ik ben al een keer zwanger geweest, dus een echt probleem kunnen we niet hebben.

Pauls zaad wordt getest op snelheid en beweeglijkheid. Opgelucht verneemt hij dat zijn spermatozoïden in prima conditie verkeren. Mijn baarmoeder wordt onderzocht. Die ziet er gelukkig ook prachtig uit. Stel je voor dat ze zouden zeggen: 'Mevrouw, uw baarmoeder ziet er niet uit!' Daar moet je toch niet aan denken. IJdelheid gaat diep.

Dan volgt de 'samenlevingstest'. Daarvoor moeten we op een vastgesteld tijdstip met elkaar naar bed. Een dag later onderzoeken ze of het zaad overleeft in het baarmoederslijm. Sommige vrouwen schijnen het zaad van hun partner onmiddellijk bij binnenkomst te elimineren. Godzijdank is er niets mis met onze onderlinge chemie. De laatste, meest pijnlijke test biedt opheldering: de doorgankelijkheid van mijn eileiders laat te wensen over.

Nu weten we tenminste waar het aan ligt. Maar wat worden we er wijzer van? Het betekent wéér nieuwe keuzes en nieuwe onzekerheden. Een hersteloperatie laten uitvoeren? Dan moet ik vrijwillig onder het mes zonder de zekerheid dat het helpt. IVF proberen? Het slagingspercentage van twintig procent lijkt me nogal laag. 'Veel vrouwen zijn na drie pogingen zwanger', zeggen de artsen bemoedigend. We besluiten het erop te wagen. Maar niet meer dan drie pogingen, zeg ik bezwerend tegen Paul.

Terug van de apotheek houd ik nerveus giechelend mijn uitpuilende tas voor Paul open: 'Dit zijn de instrumenten voor de productie van ons kind.' De kleine spuitjes met hormoonvloeistof zijn voor in mijn buik, die ga ik mezelf toedienen. Mensen met suikerziekte doen dit hun hele leven, houd ik me voor. Paul hanteert de grote spuiten met de dikke naalden. Om en om, in de linker- en in de rechterbil. 'Mag ik in je komen?', vraagt hij semi-geil voordat hij de spuit in mijn billen zet. 'Ja, kom maar, dieper, dieper!', roep ik terug, terwijl ik mijn achterwerk omhoogsteek.

Van anderen kan ik weinig grappen verdragen. Ik heb spijt dat ik het niet voor me heb gehouden. Een vriendin noemt IVF 'een kindje bestellen in het ziekenhuis'. Een goede vriend, wiens grove humor ik meestal erg kan waarderen, zegt tegen me: 'Dus nu krijg je straks een Mengele-baby?'

Zonder verdoving halen ze met een dikke naald dwars door mijn vaginawand de gerijpte eitjes uit mijn buik. Paul mag intussen masturberen in een ruimte met opwekkende lectuur. Klaarkomen op bevel schijnt ook geen pretje te zijn, maar het doet tenminste geen pijn. Ik word van binnen lekgeprikt. De punctie lijkt eindeloos te duren.

Dan volgt het bevrijdende telefoontje: vier eitjes zijn bevrucht, waaronder twee embryo's van uitstekende kwaliteit. Ik voel me bijna trots, net als die keer dat ik een compliment kreeg over mijn baarmoeder.

Voordat ze in de baarmoeder worden geplaatst, mogen we de twee embryo's even zien. Ze worden geprojecteerd op een monitor. Ze lijken op frambozen, twee rondjes die zijn opgebouwd uit kleine bolletjes, dat zijn de gedeelde cellen. Ik raak ontroerd door hun onbeholpen getril, dat ze nu al iets menselijks lijkt te geven. Van de terugplaatsing zelf voel ik bijna niets. Ik vind het wel een plechtig moment. Na afloop worden we alleen gelaten. Ik moet nog een kwartiertje op mijn rug blijven liggen en Paul houdt mijn hand vast. We zijn er een beetje stil van. Wat moet je ervan zeggen, wat moet je ervan denken? Er is nog helemaal niets zeker, maar toch, er bevindt zich weer een begin van nieuw leven in mijn buik. En daarmee is de hoop weer geboren.

Na twee lange weken van wachten en hopen word ik weer gewoon ongesteld, met pesterige krampen. We verbijten onze teleurstelling en maken ons op voor de volgende poging. Na een auto-ongeluk kun je ook het beste weer meteen achter het stuur gaan zitten. Maar de tweede keer gaat het weer mis. En de derde keer ook.

Op zoveel tegenslag had ik niet gerekend. Ik ben doodmoe en volkomen uit balans. Wat is er mis met mij? Waarom blijven de buiken in mijn omgeving zo aanstootgevend opbollen, terwijl onze vergeefse pogingen mij steeds verder uithollen? Mijn broer, die vier kinderen heeft, zegt bij wijze van troost: 'Ik ken een stel dat ook heel lang bezig is geweest. Toen ze het opgaven, werd zij ineens zwanger. Als de druk van de ketel is, gaat het soms ineens wél.' Ik weet dat het goed bedoeld is. Maar wat ik in dit soort bemoedigende opmerkingen hoor, is dat het mijn eigen schuld is dat het niet lukt. Ik probeer te hard. Ik doe te moeilijk. Ik ben een neuroot met een overdreven kinderwens. Als ik gewoon zou ophouden met proberen, lukt het vanzelf. Gewoon ophouden! Als ik wist dat het zou helpen, zou ik niets liever doen. IVF is geen hobby van me.

Maar nu we al zoveel moeite hebben gedaan, kunnen we het hier niet bij laten. Dan is het allemaal voor niets geweest. Volgens de IVF-artsen horen wij tot de kansrijke categorie. Dus doen we toch nog maar een vierde en laatste poging. Maar weer levert het niets op. We doen nog een allerlaatste poging om het af te leren. Weer niets. Ik ben uitgeteld.

Een vriendin vertelt me enthousiast dat ze haar kind op de echo heeft zien bewegen en het hartje heeft horen kloppen. Ik kan het niet aanhoren. Mijn hart krimpt ineen bij de aanblik van een zwangere buik. Van geboortekaartjes en kraambezoeken ben ik dagenlang overstuur. Uit zelfbehoud begin ik zwangere vrouwen te mijden. Maar ook mijn zus en mijn beste vriendin worden zwanger. Ik kan het niet opbrengen blij voor ze te zijn. Ik raak van iedereen verwijderd. Straks blijf ik eenzaam en verzuurd achter, zonder vriendinnen, zonder Paul.

Want hoe lang zal het nog duren voor ik straks van hem te horen krijg dat hij me verlaat voor een ander - ja sorry, heel lullig voor je, maar ik ben zó verliefd -, met wie hij vervolgens in no-time een kind k rijgt? Ik houd hem met argusogen in de gaten, tot ik besef dat het zo niet langer gaat. Zo ken ik mezelf niet meer, zo jaloers, zo futloos, zo gedeprimeerd. Ik wil niet langer ronddraaien om mijn eigen lege middelpunt, verfomfaaid en ingedeukt als de was in een centrifuge. Ik moet hieruit, ik wil naar buiten, languit wapperen in de wind.

Het is genoeg geweest. Iemand die na jaren van vermissing niet terugkomt, wordt op zeker moment dood verklaard. Wij wachten en hopen nu al jaren op een kind. Het wordt tijd om onze kinderwens dood te verklaren.

Ik ben over tijd. Ik wijt het aan mijn hormonen, die na al die IVF-pogingen waarschijnlijk uit hun doen zijn, net als ikzelf. Toch maar een zwangerschapstest. Positief. Zwanger. Hoe is het mogelijk? Zou mijn broer dan toch gelijk hebben? Is het nu raak, omdat we het hebben opgegeven? Misschien waren alle tegenslagen een oefening in nederigheid. Nu we bereid zijn ons in ons lot te schikken, worden we eindelijk met een zwangerschap beloond.

Paul probeert mijn blijdschap te temperen. Eerst maar eens afwachten. Maar mijn borsten zijn aangenaam gespannen. Ik voel ze met de dag groeien. Ik kan het niet: in verwachting zijn zonder er iets van te verwachten.

Misschien was ik in een vorig leven een kindermoordenaar en word ik daar nu voor gestraft. Het embryo is blijven steken in mijn eileider. Daar blijft het nog altijd nietsvermoedend doorgroeien. Als het niet met spoed wordt weggehaald, zal de boel uit elkaar knappen. Dan kun je doodbloeden.

Mijn schaamhaar wordt geschoren. Alle kleren uit, horloge, ketting en ringen inleveren. Niets van mezelf mag mee de operatiekamer in. Het lijkt een voorproefje op de narcose van straks: ze laten me nu al een beetje verdwijnen. Hoewel ik nog goed in staat ben om zelf te lopen, word ik op een ziekenhuisbed naar de operatiekamer gereden.

De onderbuik is het meest kwetsbare gedeelte van het lichaam. Dat voel ik scherper dan ooit, nu ze hem overdwars hebben doorgesneden. Ze hebben het leven er uitgehaald. Ik heb net zo'n litteken als bij een keizersnee, maar zonder de beloning van een kind. Mijn kind zal niet meer komen. Nooit meer.

Ik wil hard huilen, maar dat kan niet, want iedere beweging doet pijn. Paul streelt teder mijn hand. Mijn moeder strijkt het haar uit mijn gezicht. 'Dag lieve dochter', zegt ze. 'Het is ook allemaal niet makkelijk.'

Ik geef me over aan het trage ritme van het herstel. Een infuus voert vloeistof aan, een katheter voert vloeistof af. Langzaam verover ik mijn lichaam terug op de apparaten. Ik ga mijn eerste wankele blokje om. Een week later haal ik op eigen kracht de drogist en koop ik troostartikelen voor mezelf. We moeten samen verder, mijn lichaam en ik, we kunnen maar beter goed voor elkaar zijn.

Tijd heelt alle wonden, zeggen ze, en ik vermoed dat ze gelijk hebben, al hebben ze gemakkelijk praten. Nu vult de stilte in mijn buik nog alle ruimte om mij heen, vooral 's ochtends, als alle zintuigen wijdopen staan. Maar mettertijd zal de leegte weer gevuld worden door andere geluiden. Uiteindelijk zal het litteken op mijn buik zijn rauw- heid verliezen en als een wit streepje geschiedenis onder mijn schaamhaar verdwijnen.

En dan kan ik weer voluit huilen en lachen. Dan kan ik weer fietsen door de duinen en rennen over het strand. Ik kan gaan zwemmen in de zee en meeduiken met de golven. Ik kan de hele nacht door dansen, drinken en ongeremd vrijen. Ik kan een wereldreis maken en gaan paardrijden in Mongoli'. Een berg beklimmen in Nepal of diepzeeduiken in Australië. Ik kan saxofoon leren spelen of zangeres worden in een ruige band. Ik kan alle boeken van de wereld lezen of er zelf een gaan schrijven.

En als Paul en ik dan nog altijd samen zijn, en nog steeds niet van onze kinderwens zijn genezen, dan adopteren we een stel meiden uit Zuid-Amerika. M

Judith Uyterlinde is redacteur bij de Bezige Bij. Ze heeft twee Guatemalteekse dochters. Dit verhaal is gebaseerd op haar boek Eisprong; een verhaal over liefde en het verlangen naar een kind, dat deze week verschijnt bij uitgeverij Mets & Schilt.

Mariet Numan is illustrator. Zij publiceert onder meer in NRC Handelsblad, Opzij en Intermediair.

[streamliners] Ik verwonder me over zijn kille woorden: eerste vrucht, tweede vrucht, dood materiaal.

Dan volgt het bevrijdende telefoontje: vier eitjes zijn bevrucht. Ik probeer te hard. Ik doe te moeilijk. Ik ben een neuroot met een overdreven kinderwens.