EEN HOLLANDSE JONKER BIJ DE KWOMINTANG

Eenentwintig was Willem van Lennep toen hij al zijn schepen achter zich verbrandde en naar China vertrok. Om te vechten voor de nationalistische Kwomintang en voorgoed Chinees te worden. 'Ik was niet uit op avonturen, ik ging om principes.'

'Soms kun je je geweldig verlaten voelen. En wat je kunt doen is zeggen: ik ben gevallen, ik sta weer op. Achteraf is het makkelijk praten.' Of Willem Liu bitterheid voelde, vroeg ik hem. Bitterheid omdat hij heeft moeten vluchten uit het land waarvoor hij zijn leven op het spel heeft gezet. Omdat hij al een halve eeuw op Taiwan zit en niet op het vasteland van China, het land waarheen hij zeventig jaar geleden uit idealisme was vertrokken en waarvoor hij zijn Nederlandse nationaliteit had opgegeven.

Vier dagen hebben we gepraat. Nu vraagt de Chinees die ooit Van Lennep heette om stilte. Het is maandagmorgen en de pastoor staat voor de deur. Willem Liu Yuan-tao, negenentachtig jaar, is slecht ter been en krijgt zijn hostie aan huis. Wanneer Liu weer neerzakt op zijn rieten stoel, bidt hij in stilte, aan het bureau in het kleine werkkamertje met de doorgezakte houten vloer. Boven de deur hangt een kruis.

Katholiek werd Willem Liu in 1937, aan het begin van de Chinees-Japanse oorlog, toen hij deel uitmaakte van het 27ste Chinese leger. 'Onder de indruk van de vele slachtoffers heb ik mij bekeerd tot het katholiek geloof', zegt hij droog. Liu vertelt zonder veel emotie. Feitelijk. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat een Nederlandse jongen van 21 jaar een mensenleven geleden Chinees ging studeren, zich aansloot bij een Chinese politieke partij, naar China vertrok, met een Chinese vrouw trouwde, toetrad tot het nationalistische leger onder leiding van Chiang Kai-shek, tegen de Japanners en de communisten vocht, naar Taiwan vluchtte, bij de Taiwanese inlichtingendienst ging werken en in België en Nederland spioneerde voor de Republiek China. 'Ik ben geen avonturier', zegt Liu beslist. 'Ik was niet uit op avonturen, ik ging om principes.'

Ik wilde Chinees worden

Het leven van Willem Liu is een opeenvolging van bewuste stappen in een onvoorspelbare wereld. 'Ik wilde Chinees worden', zegt Liu. 'Ik heb me nooit afgevraagd waarom, het kwam heel natuurlijk.' Maar de rijzige Liu oogt met zijn negenentachtig jaar nog steeds als een rasechte Nederlander. Echt verklaren kan Van Lennep het zelf ook niet, maar vanzelfsprekend was zijn stap in ieder geval niet. Het gezin Van Lennep was nu niet bepaald exotisch.

Willem werd geboren in 1911, in de gedistingeerde familie Van Lennep. De schrijver Jacobus van Lennep was zijn oudoom. Willem had weinig met zijn familie op. Ze leefden op stand. Zijn vader was onderdirecteur van de Nederlandsch-Indische Handelsbank. Het gezin woonde aan de Keizersgracht in Amsterdam, naast Felix Meritis. Later verhuisde het naar het landgoed Trompenburg in 's-Graveland. 'Dat was vrij allenig', zegt Liu. 'Mijn vader was heel autoritair en ik mocht als jonge heer niet bij de dorpskinderen op school.' De hoofdonderwijzer kwam speciaal na schooltijd langs. Pas als er ijs lag in de gracht rond Trompenburg en de kinderen kwamen schaatsen, kon Willem, enigst kind, met hen spelen. Toen zijn vader in 1921 overleed, kwam er een einde aan die eenzaamheid, maar ook aan de welstand. Trompenburg werd opgegeven en Willem verhuisde met zijn moeder naar een pension. 'Mijn vader had een grote verzameling schilderijen; die ging geheel van de hand.'

Parijse politie

Willems belangstelling voor China begon heel onschuldig. 'Een voorvader van mijn moeders kant is in opdracht van de Verenigde Oostindische Compagnie als gezant aan het hof van Keizer Qianlong geweest', zegt Liu. Thuis stonden veel chinoiserieën uit die periode. Dat maakte hem nieuwsgierig. 'Pas veel later vertelde mijn moeder dat de Van Lenneppen tegen haar huwelijk met mijn vader waren geweest, omdat de familie van mijn moeder uit zwartjes zou bestaan - halfbloeden.' Toen hij de stamboom van zijn moeder bekeek, stuitte hij tot zijn opwinding op Indische en Chinese familieleden. In China nam hij later de achternaam van zijn familie aan.

Het romantische China prikkelde Van Lenneps verbeelding. Hij was een nieuwsgierige jongen, geëngageerd en gefascineerd door een vreemde wereld waar bijna niemand in Europa zich in verdiepte. Daarom ging Van Lennep in Leiden Chinees studeren, bij een assistent van de vermaarde professor Duyvendak. Hij had veel Chinees-Indische vrienden met wie hij de laatste politieke ontwikkelingen aan het andere eind van de aardbol besprak. Maar hij wilde meer. Hij verhuisde naar Parijs, bolwerk van overzeese Chinese intellectuelen, waar behalve de republikeinen, met wie Liu sympathiseerde, ook veel communisten in spe studeerden. Zhao Enlai zat er, de latere premier van de Volksrepubliek China, en de latere partijleider Deng Xiaoping. Hij werd lid van de Kwomintang (de republikeinse partij) en was erg actief. Maar wat dat precies inhield, wil Liu niet vertellen. In elk geval trok hij de belangstelling van de Parijse politie, die regelmatig inlichtingen over hem inwon. Nadat Chiang Kai-shek, de anticommunist en militaire leider van de nationalisten, China in 1927 na een bloedige staatsgreep onder één vlag had verenigd, stond Van Lenneps besluit vast: hij moest naar China.

Honderd procent anticommunist

Buiten giet het van de regen en het vallen van de dikke druppels overstemt het zachte gebrom van de ventilator. Liu heeft geen airconditioning, en ook verder geen enkele luxe. De rieten stoel waar hij op zit, kraakt onder zijn gewicht. Liu strekt zijn rug, hij is argwanend. 'Wat doe je met het materiaal?', vraagt hij met zijn markante bromstem. Hij doelt op mijn aantekeningen en de bandopnamen, de neerslag van vier lange gesprekken. Gesprekken waar Liu de afgelopen dagen zo over heeft liggen malen in zijn slaap, dat hij zich tot zijn grote schaamte een keer verslaapt. 'Het mag niet in vijandelijke handen komen', zegt hij.

Het eerste contact met Liu verliep op zijn verzoek via 'veilige kanalen'. Ik woon per slot van rekening in Peking, de hoofdstad van het Land van de Vijand. Via een tussenpersoon liet hij me weten dat ik hem pas mocht bellen wanneer ik buiten de communistische Volksrepubliek was. Na afloop van de gesprekken moest ik Liu beloven dat ik de aantekeningen en de bandopnamen in een kluis zou bewaren.

'Ik ben altijd honderd procent anticommunist geweest', zegt Liu. 'Omdat ze tegen het geloof zijn, omdat ze onverdraaglijk zijn. De hele boerenarbeidersbeweging vond ik één groot bedrog tegen de menselijkheid.' De communistische vijand is Liu's levenslange obsessie geweest.

Daarom deed hij inlichtingenwerk. 'Noem het liever voorlichting', zegt hij ernstig. Toen Elseviers Magazine in een artikel over Liu het woord 'spion' in de kop zette, was hij zeer onthutst. Hij wordt niet graag als spion bestempeld, want veel van zijn contacten leven nog. Maar het blijft een feit dat hij lange tijd zijn boterham verdiende met spionagewerk.

Buitenlandse invasie

In 1932 kwam Willem van Lennep per schip vanuit Venetië in het Britse Hongkong aan. Hij ging Chinese taal en filosofie studeren aan de Sun Yat-sen universiteit in Kanton, net over de grens met China. In een paar jaar tijd leerde hij Chinees, trouwde met een Chinese vrouw, nam de Chinese nationaliteit aan en nam dienst in het leger van de Chinese republiek. Hij had maar één doel: deel worden van de wereld waarmee hij zich zo verbonden voelde. Maar wat dat precies voor hem betekende, kan hij niet goed uitleggen. Omdat hij het te persoonlijk vindt, maar misschien ook omdat hij zich zo veel jaren later nauwelijks meer kan voorstellen hoe uitzonderlijk zijn positie als blanke jongeling in die vreemde wereld was.

Liu doet het voorkomen alsof zijn aanwezigheid onder Chinezen zelden verbazing opriep. Zijn Chinese vrouw heeft hij 'gewoon' ontmoet; zijn medestudenten op de militaire academie, zijn collega's in het Chinese leger accepteerden hem als een van hen en de enkele buitenlander die hij in die jaren tegenkwam interesseerde hem niet. Ik zeg hem, dat ik me dat, na zes jaar wonen in Peking, maar moeilijk kan voorstellen. En toch was het zo, zegt Liu.

'Ik heb aan haar oudere broer permissie gevraagd', zegt Liu over zijn huwelijk met Liang Kwei-yen, dat 65 jaar heeft geduurd. Drie jaar geleden overleed zijn vrouw. 'Zij kwam uit een familie van handelslieden. Haar overgrootmoeder was Italiaanse. Door mijn afkomst werd ik niet volledig als buitenlander beschouwd. Ik voel me niet blank, maar ook niet honderd procent geel. Ik kwam van Chinese scholen en werd geaccepteerd als deel van de beschaving.'

Liu kan zich maar één voorbeeld herinneren waarbij zijn verschijning opschudding veroorzaakte onder nietsvermoedende Chinezen. 'Dat was in de zomer. Ik ging alleen uit fietsen. Ik gaf in die tijd niet om de hitte. In een dorp buiten Kanton rustte ik uit onder een boom. Toen begonnen boerenvrouwen te schreeuwen: ''Er is een buitenlandse invasie!' In Kanton was men bevreesd voor buitenlanders. De Russen hebben daar flink huisgehouden.'

Doorvragen over Chinese familie en vrienden van Liu stuit op verzet. 'Nu moet je ophouden met zeuren', zegt hij. 'Het is een mensenleven geleden en je moet me niet lastigvallen met details.'

Hongkongvoeten

Halverwege de jaren dertig hing er oorlog in de lucht. Japan had in 1931 het noordoosten van China bezet en maakte aanspraak op meer. Willem Liu besloot de Chinese republiek niet alleen in woord, maar ook in daad bij te staan; hij meldde zich aan bij het leger. 'Mijn vrienden dachten dat ik wel nuttig kon zijn.' Voordat hij werd aangenomen op de militaire academie in Nanjing, moest Liu afstand doen van zijn Nederlandse nationaliteit. 'Dat deed ik graag.' Het was een zware tijd. Op een paar Koreanen en een Papoea na was Liu de enige buitenlander. 'We droegen gevlochten sandalen, maar ze hadden die niet in mijn maat.' Liu kreeg Hongkongvoeten, een zware ontsteking. 'We hadden voortdurend last van luizen. Er vielen veel Chinezen af.'

Maar Liu bleef. 'Ik heb mij nooit afgevraagd waar ik aan begonnen was. Het ging om het voortbestaan van China. Het was mijn plicht.'

Zodra de oorlog in 1937 uitbrak, werd Liu, vers van de miliaire academie, naar het front bij Kaifeng in midden-China gestuurd.'We waren er nog geen half uur of er kwam een Japans vliegtuig.' Dat wierp bommen af, een granaatscherf doorkliefde de schedel van de soldaat die naast Liu op de grond lag. 'Als je een keer een slagveld hebt meegemaakt en halfdoden hebt gezien, dan gaat er toch iets in je binnenste om', zegt hij. Het was zijn eerste oorlogservaring. Er zouden er nog vele volgen. 'Iemand die zegt dat hij niet bang is, is ongeloofwaardig. Natuurlijk voel je angst. Maar je loopt niet weg. Je kunt niet weg.'

Liu werd aan het front ingezet aaals inlichtingenofficier. 'Ik bestudeerde wat de Japanners op het slagveld hadden achtergelaten.' Soms raapte Liu hele voorraden wapentuig bijeen. 'Ik herinner mij een Japanse observatieballon. We zagen ons omsingeld. Maar toen we probeerden te ontkomen, ontdekten we dat ze niet voldoende troepen hadden. Toen hebben wij hen omsingeld. Doodsbang waren ze voor ons nieuwe Duitse 105mm geschut.'

Het moet een van de weinige momenten uit het begin van de oorlog zijn geweest waarop de regeringstroepen van Chiang terrein wonnen op de Japanners. Het leger van de Chinese republiek was in het begin van de oorlog vooral op de vlucht en wist op zijn best de vijand staande te houden. 'Ik heb nooit oog in oog met de Japanners gestaan. Ik zag meestal doden van onze zijde.'

De oorlog verliep niet gunstig voor Liu. De republikeinen van de Kwomintang stichtten hun tijdelijke hoofdstad landinwaarts in Chongqing. Daar werkte Liu bij een nieuwe Chinese radiozender die Nederlandse uitzendingen voor Nederlands-Indië maakte. 'Ik heb me laten vertellen dat mijn stem werd gehoord.' Hij werd ook ingezet als verbindingsofficier samen met Britse en Amerikaanse adviseurs. 'Ik woonde met mijn gezin tegenover een arsenaal, regeringsgebouwen en een elektriciteitscentrale.' Voor de hand liggende doelen voor de Japanners. 'Het was er niet erg veilig.'

Liu verloor verschillende keren zijn huis en zijn bezittingen, maar hij en zijn gezin bleven wonder boven wonder ongedeerd. 'De Chongqing-tijd was heel moeilijk', zegt Liu. Voordat de Chinese republiek in 1941 buitenlandse luchtsteun kreeg, werd de stad drie jaar lang bijna dagelijks door de Japanners gebombardeerd. 'De bevolking leed er enorm onder. Soms zag je een been of een arm aan een telefoondraad hangen.' Toen Liu op een dag met zijn vrouw het bombardement van de dag ervoor ging bekijken, kwamen zij zelf onder vuur te liggen. 'We schuilden onder de stadspoort en zagen de vliegtuigen aankomen. Voor die poort was een heel nauw straatje. De bommen vielen vlak buiten de poort. Veel mensen verbrandden. Het was een nare ervaring.' Weer verbaast me Liu's emotieloze vertellen.

Corruptie is een menselijk verschijnsel

Door de Japanse aanval op Pearl Harbour kreeg Chongqing geallieerde hulp, maar het duurde nog vier jaar voordat er een einde aan de oorlog kwam. 'Iedereen dacht dat het na de oorlog wel goed zou komen.' Maar het einde van de oorlog met Japan ging naadloos over in een burgeroorlog. De Kwomintang was steeds onverdraagzamer en conservatiever geworden en in de gebieden die onder Japans bestuur hadden gestaan, trad zij buitengewoon hard op. 'Veel mensen werden corrupt, omdat ze heel gedesillusioneerd waren over de uitkomst van de oorlog', zegt Liu. Toch gelooft hij niet dat corruptie de oorzaak is geweest van de ondergang van de Kwomintang in China. 'Het is een menselijk verschijnsel om zonder veel moeite snel rijk te willen worden. Corruptie wordt in China nu door de communisten betracht.'

Liu denkt dat de nationalisten te lang aan de macht zijn geweest. 'Een partij die te lang aan het bewind is, zal zich impopulair maken.' Ondanks het respect dat hij voor Chiang Kai-shek heeft ('hij heeft China herenigd'), heeft de leider van de nationalisten grote fouten gemaakt, erkent Liu. 'Hij had zich na de oorlog moeten realiseren dat de omstandigheden waren veranderd.' Een van Chiang Kai-sheks grootste fouten vindt Liu dat hij het Japanse betaalmiddel in de gebieden die onder Japanse invloed waren geweest afschafte, als strafmaatregel tegen de plaatselijke bevolking. 'Dat was de belangrijkste reden waarom de mensen tegen de Kwomintang waren. Bovendien trok de generalissimo te veel macht naar zich toe. Dat heb ik mij pas achteraf gerealiseerd.'

Liu's kritiek op de leider gaat verder dan die van zijn Taiwanese generatiegenoten. 'Dat ligt gevoelig, tot op de dag van vandaag. Chinezen hangen hun vuile was liever niet buiten. Ik ben het daar niet mee eens. Je kunt niet alles goedspreken. Mijn Chinese vrienden waren het binnenskamers met me eens. Niet daar buiten. Ik heb vaak voor dilemma's gestaan, maar kon daar bij het thuisfront niet mee aankomen.' Zo ergerde Liu zich eraan dat de democratische beginselen van de Nationalistische partij met voeten werden getreden. 'Ik kreeg dan als antwoord dat de bevolking werd ''voorbereid' op de democratie.' Uiteindelijk liet Liu zich toch steeds overtuigen. 'Ik had het gevoel dat we er naar toewerkten.'

Toch vindt Liu het autoritaire optreden van Chiang niet in alle opzichten verwerpelijk. 'Als je de verscheidenheid en het provincialisme in China beziet, met soms zeer verschillende mentaliteiten in één provincie, dan zijn bepaalde autoritaire handelingen wel nodig', zegt hij. 'Daar leef je mee.'

Over de jaren na de oorlog, vlak voordat de top van het nationalistische bewind uitweek naar Taiwan, zegt hij weinig. Toch zag ook hij in dat de regering van Chiang Kai-shek een verloren strijd tegen de communisten voerde. De communisten hadden zich in de oorlog vanuit hun bases in de bergen versterkt en een succesvolle guerrillastrijd tegen de Japanners gevoerd. Ze bleken veel beter georganiseerd. Met hun effectieve slagkracht verdreven ze de Kwomintang-troepen uit Mantsjoerije in het noordoosten van het land. Steeds meer militairen verloren de moed. 'Slecht nieuws werd zoveel mogelijk onder het tapijt geduwd. Het gevoel groeide dat we met vechten niet veel verder kwamen.' Bovendien trok de geallieerde steun zich langzamerhand terug uit China. Het vertrek naar Taiwan kwam niet als een verrassing.

Twee amsterdammertjes

Liu woont nog steeds in het huis waarin hij na zijn vlucht uit China in 1949 zijn intrek nam. Het staat in een buitenwijk van de Zuid-Taiwanese havenstad Kaohsiung. Het is een klein houten huis, bepaald een eenvoudige woning voor een man die ooit op een landgoed huisde. 'Ik heb nooit een bevoorrechte positie gezocht', zegt hij. 'Die had ik wel kunnen krijgen, maar ik wilde niet als een speciaal geval gezien worden. Ik wilde een gewoon lid van de maatschappij zijn.' Alleen twee amsterdammertjes voor de buitendeur, een geschenk van het lokale klm-kantoor, herinneren aan Liu's banden met Nederland.

De begintijd in Taiwan was moeilijk en onzeker. Er was een enorme inflatie en iedereen was bang dat China Taiwan zou aanvallen. 'Het was heel gevaarlijk. De communisten hadden troepen aan de overkant in paraatheid gebracht, maar een infectieziekte heeft veel van hun manschappen uitgeschakeld. Daarom kwam er geen aanval.' Later, zegt Liu, keerde het internationale politieke tij ten gunste van Taiwan. Door de Koreaanse Oorlog en de oorlog in Vietnam kon Taiwan voortaan rekenen op Amerikaanse steun. 'Het viel goed uit voor ons.'

Hemelsbreed is het maar 300 kilometer naar China, maar Liu is er nooit meer terug geweest. Hij is daar heel gelaten over. De gedachte dat hij terug zou kunnen keren, is voor hem net zo irreëel als de overweging om na de communistische overwinning in 1949 in China te blijven. China maakt nog steeds aanspraak op Taiwan, en tot voor kort beschikte het eiland over een regering die openlijk streefde naar hereniging met China. Maar Liu denkt dat er nauwelijks mensen zijn die daar nog in geloven.

Ondanks de kritiek die Liu heeft op de partij waar hij nu al meer dan zeventig jaar lid van is, is hij opmerkelijk loyaal gebleven. 'Ik heb altijd in de KMT geloofd', zegt hij. Hij bagatelliseert de wandaden van het Kwomintang-bestuur. Het Kaohsiung Incident, een bloedig neergeslagen opstand tegen de Kwomintang in 1947, doet hij bijvoorbeeld af als 'een misplaatste activiteit'.

Bij die opstand kwamen tussen de tien- en dertigduizend mensen om het leven. Na de Japanse nederlaag hadden de regeringstroepen van Chiang bezit genomen van Taiwan. Ze gedroegen zich daarbij niet als eerbiedwaardige bevrijders, maar als een stelletje ongeregeld. In Kaohsiung, de stad waar Liu later heen verhuisde, kwam de bevolking massaal in opstand. 'Er zijn van onze kant veel fouten gemaakt', zegt Liu. 'Veel Japans bezit had terug in handen van het volk gemoeten. Maar het deed niet af aan de nationale zaak. Fouten vind je overal.'

Er is nog een zwarte bladzijde uit de naoorlogse geschiedenis van de Kwomintang, de zogenoemde Witte Terreur, de opsluiting van Taiwanezen die zich openlijk tegen het totalitaire regime van Chiang Kai-shek verzetten.

Hierover zegt hij kortweg: 'Het is soms veel te ver gegaan. Veel onschuldigen zijn vastgezet. Dat betreur ik. Maar bij alles wat een mens doet, zijn altijd perioden waarbij onschuldigen te lijden hebben onder het leed dat door een kleine groep is veroorzaakt.' Hij voelt zich niet medeverantwoordelijk voor dat aangerichte leed.

Nederland was erg smal

In 1962, na het overlijden van zijn moeder, keerde Willem Liu voor het eerst terug naar Nederland. Dat was dertig jaar na zijn vertrek. 'Ik was verbaasd dat iedereen Nederlands sprak', zegt hij. 'Ik schrok niet van Nederland, maar ik vond het er erg smal. Vroeger waren er ook niet zoveel auto's. Mensen keken mij soms raar aan, omdat ik nogal ouderwets Nederlands sprak.'

Hij zocht veel oude vrienden en familieleden op, maar zijn 'nationale zaak' werd niet door iedereen begrepen. Volgens Liu had dat meer met onkunde dan met onwil te maken. Het eiland Formosa, de oude en politiek neutrale naam van Taiwan, was erg onbekend in Nederland, zegt hij. 'Ik had vrienden die dachten dat het bij Italië lag. En dat terwijl Nederland hier in de 17de eeuw een flink aantal jaren heeft gezeten.' Hij schudt zijn hoofd. 'Nederlanders zijn niet erg goed in hun geschiedenis. Ik vind Nederland soms eigenaardig en bekrompen. Nederlanders denken weinig aan hun historische grootsheid.'

Een jaar later werd Liu - hij was inmiddels 52 jaar - naar België gestuurd waar de Chinese Republiek, Taiwan, nog wel een ambassade had. Maar het politieke klimaat in Europa was de Chiang-getrouwen niet gunstig gezind. 'In Europa waren veel tendensen naar het linkse toe. Het was heel moeilijk om onze positie aan de Europeanen duidelijk te maken. Men dacht: wat kan dat kleine Formosa tegen dat grote China doen?'

Liu werd kanselier op de ambassade. 'Officieel houdt de kanselier zich met de ambassade-administratie bezig, maar net als bij de Nederlandse ambassade is hij eigenlijk de inlichtingenman, de spionageman.' En spioneren is wat Liu in zijn Brusselse jaren deed. 'Die tijd is mij heel goed bevallen, ik kon mijn werk goed doen', zegt hij. 'Maar er waren erg veel spanningen.' Spanningen die in 1966 leidden tot de vervroegde terugkeer van Liu naar Taiwan.

'Ik had een mannetje in de pro-Chinese communistische partij van België. Thiart heette hij. Hij was met ons bevriend en gaf ons tegen een zekere betaling geregeld informatie over de ontwikkelingen binnen de communistische partij in China door tijdens geheime samenkomsten in café l'Horloge in Brussel. De Belgische communisten gingen vaak naar Peking.' Dat ging twee jaar goed. 'Maar uiteindelijk hebben ze het ontdekt en hebben ze geprobeerd hem te vergiftigen.'

De Belgen hielden Liu in de gaten. Hij had weliswaar toestemming om informatie uit te wisselen met de Belgische inlichtingendienst, maar toen zijn contactpersoon zijn informatie ook bleek door te verkopen aan de Fransen, kreeg Liu het verzoek zijn koffers te pakken. Weer waarschuwt Liu dat zijn verhaal zorgvuldig behandeld dient te worden. 'Ik wil geen oude wonden openhalen, deze zaken liggen uiterst gevoelig.' Over de laatste dertig jaar van zijn leven is hij daarom niet erg spraakzaam. Begin jaren zeventig deed hij in Nederland hetzelfde inlichtingenwerk als in België, maar hij zwijgt erover, want 'veel van die mensen leven nog'.

Wel wil hij kwijt dat hij zijdelings betrokken was bij het politieonderzoek na de moord op Chung Mon op 3 maart 1975, de man die ooit door de Nederlandse regering werd gelauwerd voor zijn charitatieve activiteiten, maar die in feite de topman in Nederland was van de beruchte Chinese maffiabende 14k. 'Ik zat een keer naast hem in het vliegtuig. Hij reisde geregeld naar Taiwan. Hij had allemaal grootspraak over plannen die hij had voor Taiwan, maar ik vertrouwde hem helemaal niet.' Na de moord op Chung, op klaarlichte dag in Amsterdam, deed Liu onderzoek naar de nationaliteit van de man. Hij wil niet uitleggen waarom. 'Ik had een vriend met een sigarenzaak in Amsterdam, een ex-communist die anticommunist was geworden. Hij speelde mij geregeld inlichtingen toe. In de achterkamer van zijn zaak ontmoette ik een inspecteur van politie uit Amsterdam, ik wilde geen direct contact met de politie. Hij wist mij te vertellen dat Chung een diplomatiek paspoort bezat dat hij voor duizend dollar van de Ambonezen in Nederland had gekocht. Die inspecteur wilde van mij weten of de moord op Chung een politiek tintje had. Ik kon hem verzekeren dat dat niet zo was.'

Innerlijke roeping

Het ontbijt biedt toast met jam en gekookt vlees uit blik. Liu leeft heel bescheiden, zijn pensioen is mager. Maar de oude man klaagt niet, dat is niet zijn stijl. Hij stelt zichzelf geen vragen over zijn grillige leven. 'Ik heb het altijd als een innerlijke roeping beschouwd. Ik voelde mij gedwongen deze weg te volgen. Voor mij was het zeker dat ik zo moest handelen en niet anders', zegt hij.

Daarom voelt hij geen bitterheid. Praat met Liu over de politieke wervelstorm die zich onlangs in Taiwan heeft voorgedaan en je vergeet dat je spreekt met een man die zijn leven op het spel heeft gezet voor de Chinese eenheid. 'Ik vind Chen Shui-bian sympathiek', zegt hij over de nieuwe president van Taiwan. Het is voor het eerst in de geschiedenis van de Republiek China dat een president is gekozen die geen lid is van de Kwomintang. Chen is lid van de oppositionele Democratische Progressieve Partij en zijn hele leven al voorstander van de onafhankelijkheid van Taiwan. Toch heeft Liu vertrouwen in hem. 'Onze nieuwe president is gematigd. Hij heeft de hersenen en het aanpassingsvermogen van een jonge man.' Het is ook goed dat er nu een oppositie is in Taiwan. 'De KMT was te dictatoriaal geworden', zegt hij. 'Dat is misschien al zo sinds het einde van de oorlog. Een partij die te lang aan het stuur staat, gaat verloederen. Dat overkwam Churchill na de oorlog ook.'

Maar als Liu aan het Chinese vasteland denkt, het land waar hij zeventig jaar geleden zijn nieuwe identiteit vond, knaagt het wel. 'Ik zie niet in waarom de communistische partij als enige gezag zou hebben', zegt hij. 'Ik erken dat ze het vasteland tot een grote eenheid hebben weten te brengen. Maar wij zouden hetzelfde hebben bereikt. Het zou alleen wat meer tijd hebben gekost.' M

Floris-Jan van Luyn is correspondent voor NRC Handelsblad in Peking.

Juan I-Jong is lector in fotografie aan het National Institute of Art in Taipei en oprichter van het Chinees-Engelstalige blad Photographers International. Zijn nieuwste werk is een boek over de opbouw na de aardbeving van 1999 in Taiwan.

[streamliners] 'Wat doe je met het materiaal? Het mag niet in vijandelijke handen vallen.'

'De bevolking leed erg onder de Japanse bombardementen. Soms zag je een been of een arm aan een telefoondraad hangen.'

Liu bagatelliseert de wandaden van het Kwomintang-bestuur. 'Fouten vind je overal.'

'Officieel houdt de kanselier zich bezig met de administratie van de ambassade, maar eigenlijk is hij de spionageman.'