Die cruciale jaren vijftig

De statische Nederlandse standenmaatschappij werd al in de jaren vijftig doorbroken. Veel nieuws brachten de jaren zestig niet. Aldus Schuyt en Taverne.

Niks geen `revolutie van de jaren zestig'. Al in de jaren vijftig was de Nederlandse samenleving een moderne open samenleving. In dat proces van openlegging speelden de economie, de wetenschap en de technische denkwijze een cruciale rol, aldus de hoogleraren Kees Schuyt (sociologie, UvA) en Ed Taverne (architectuurgeschiedenis, Groningen). Samen schreven ze `1950 Welvaart in zwart-wit'. Het is het derde deel in een serie van de Sdu en NWO waarin de Nederlandse cultuurgeschiedenis rond vier belangrijke jaartallen (`ijkpunten') wordt bekeken. Eerder verschenen 1650 en 1900 en in mei volgt 1800.

In `1950', dat handelt over de periode 1945-1973, wordt beschreven hoe in het Nederland van na de oorlog op grote schaal het denkpatroon veranderde. Amerikaanse invloed speelde daarbij een grote rol, dankzij de Marshall-hulp èn het grote prestige van deze `Bevrijders van het Nazi-juk'. Sleutelwoorden voor de verandering waren: industrialisatie, techniek, efficiëntie, rationalisering, automatisering, planning, welvaart, samenwerking, zelfontplooiing en consumptie.

Schuyt en Taverne praten enthousiast over hun boek in een kamer van Taverne's Instituut voor Architectuurgeschiedenis in de binnenstad van Groningen. Zo aangenaam was de samenwerking, dat ze serieus nadenken over een vervolg, over de periode 1973 - heden, ``maar dan zonder de bureaucratie van zo'n groot NWO-project'.

De modernisering vond het eerst plaats in de economie van de jaren vijftig, legt Schuyt hun centrale these uit. ``En dat kon ook omdat economie, techniek en wetenschap boven de zuilenstructuur uitgingen. Daarom was daar eerder openheid mogelijk dan op het politieke en culturele vlak.' In de jaren zestig volgden dan de politiek en de cultuur. ``De motor voor die modernisering is de lange periode van economische groei die in 1948 begint. De veranderingen in het denken in de jaren vijftig en de jaren zestig zijn daar nauw mee verbonden,' aldus Schuyt. ``De jaren zestig gingen helemaal niet als een storm over Nederland.'

Het is een ander verhaal dan meestal klinkt onder historici. Daar gelden de jaren vijftig vaak nog als het domein van verstarde verzuiling, die pas in de jaren zestig wordt opengebroken door provo's en studentenacties. Tolerante regenten en een nieuwe jeugdcultuur zouden, onder begeleiding van opzwepende popmuziek, pas toen het ancien régime fataal zijn geworden.

Schuyt: ``Wij denken dat je achteraf beter op structurele factoren kunt letten dan op de beleving van tijdgenoten. Bijvoorbeeld de jaren-zestigmuziek was een bijverschijnsel, geen motor van de ontwikkelingen. The Beatles hebben de mensen niet naar de universiteit gebracht. In die zin hebben wij een onpersoonlijke geschiedenis geschreven. Dat is ons ook verweten in recensies. `Beleving' staat niet centraal. Bij veel historici is dat wel zo. In het voorgaande deel, 1900 van Jan Bank en Maarten van Buuren, staat bijvoorbeeld in een hoofdstuk juist wel een persoon centraal. Wij hebben ons daar niet aan geconformeerd. Dat is niet polemisch bedoeld hoor. We deden gewoon wat anders dan onder historici gebruikelijk is. Wij zijn een socioloog en een kunsthistoricus.'

Uw opzet doet wel een beetje klassiek marxistisch aan: de economie als motor van de veranderingen. De onderbouw van productieverhoudingen bepaalt de bovenbouw, de cultuur.

Schuyt: ``Welnee! Het gaat ons om de modernisering van het denkpatroon, dat in economie en techniek het eerst werd toegepast. Dat patroon is niet afgeleid van de economie. Het primaat van de economie is alleen te vinden in de manier waarop wij de modernisering van Nederland proberen te beschrijven en te verklaren: we laten die met de economie beginnen. Als je andersom begint, met de verzuilde sociale en politieke structuur, heb je het natuurlijk veel moeilijker om de jaren vijftig als een positief tijdperk te beschouwen. Je had nog vrij traditionele sociale en politieke verhoudingen. Terwijl die modernisering dan wel allang aan de gang is, alleen elders.'

Taverne: ``We hebben de economie als zodanig niet eens beschreven. Het gaat er ons vooral om dat er een ononderbroken periode van economische groei was van '48 tot '73, van de Marshall-hulp tot de oliecrisis. Aan het begin daarvan is het macro-economische denken doorgebroken, waarbij de maatschappij van bovenaf werd bekeken. Dat is de modernisering. Dat zie je dan in de inrichting van het landschap: de wegenbouw, de ruilverkavelingen en de stadsuitbreidingen. Dat denkpatroon zie je ook in nieuwe instituties: de SER, het CPB. De ideologieën wogen minder zwaar op die terreinen. Iedereen was het erover eens dat Nederland er weer bovenop moest komen. Het is de `archeologische' fase van het poldermodel. Die consensus was mogelijk door de gunstige perspectieven dankzij de Amerikaanse steun en de macro-economische ontwikkelingen.'

Hoe belangrijk was de Marshall-hulp voor de modernisering van Nederland?

Schuyt: ``Die Marshall-hulp was niet doorslaggevend bij de groei, al heeft het de groei wel op gang geholpen. Belangrijker waren de constante lonen: herinvestering van de winsten vormde de grootste factor. Maar de invloed was wel heel groot. De Marshall-hulp betrof veel meer dan alleen geld. Er waren veel uitwisselingsprogramma's om de moderne productietechnieken te verspreiden. Jonge natuurkundigen en economen gingen twee jaar naar Amerika, kwamen enthousiast terug en gingen hun instituten en vak veranderen. Die nieuwe denkwijze werd verwelkomd als iets nieuws, als iets dat een uitweg bood. Er veranderde van alles. Zelf vind ik bijvoorbeeld de invoering van de persoonlijke lening in 1956 veelzeggend, door de banken en met een nette wet. Voor die tijd gold het kopen op afbetaling in Nederland als een bewijs van armoede, maar in Amerika was dat al heel gewoon. En een paar jaar later koopt dan zowat iedereen een tweedehands auto met zo'n lening.'

Taverne: ``Het denkpatroon veranderde niet van bovenaf maar van binnenuit. Boerengezinnen, fabrikanten, architecten, noem maar op, gingen naar Amerika met de zogenaamde COP-reizen, van de Contactgroep Opvoering Productiviteit. Productiviteit was een van de grote Amerikaanse thema's. Die nadruk op productie was overigens wel weer een beetje in strijd met de Nederlandse afspraken tussen werkgevers en werknemers, waarbij de lonen laag werden gehouden. Dat stimuleerde natuurlijk niet de productie en de Amerikanen hebben daarom zelfs een keer gedreigd de hulp stop te zetten. Toen kwam er dus een staatssecretaris voor productieverhoging, als zoethoudertje.

``Een mooi concreet voorbeeld van de Amerikaanse invloed is het Groothandelsgebouw dat rond 1950 in Rotterdam werd neergezet. Dat is niet alleen bijzonder door de grote schaal of omdat daar verschillende bedrijven bij elkaar zaten. Het is ook uniek door de koppeling met de infrastructuur. Een weg door een gebouw heen! Dat was hier nog nooit vertoond. Het past helemaal in de Amerikaanse nadruk op rationalisering en efficiency. De architect had eerst een reis naar Amerika gemaakt.'

Schuyt: ``Het gekke is dat je dat patroon in de huidige tijd op een aantal punten weer helemaal terugziet. Met het economische herstel sinds 1995 is er nieuwe aandacht voor infrastructuur gekomen, een grotere nadruk op het belang van welvaart, andere manieren van leven door de bevolking, cultureel enthousiasme voor de nieuwe apparaten, toen waren dat de huishoudelijke apparaten, nu zijn dat de computers. In de jaren vijftig en nu wéér liggen overal de straten open.'

Hoeveel verschilde dat nieuwe Amerikaanse denkpatroon van de mentaliteit van voor de oorlog?

Taverne: ``Op zich beginnen de industrialisatie en de consumptiecultuur al aan het einde van de 19de eeuw. Het verschil is dat na de oorlog de effecten niet langer beperkt waren tot een paar sociale lagen, maar algemeen werden. De suburbanisatie, het rijkswegennet, de nieuwe huishoudelijke apparaten: de Amerikanisering leidde tot een grote versnelling. Amerikaanse ideeën over arbeidsorganisatie waren voor de oorlog al wel bekend bij Philips en grote staatsbedrijven als de PTT, maar na de oorlog worden die ideeën op veel grotere schaal toegepast. Die modernisering werd toen door iederéén ervaren. Het enige is dat je dat betoog voor arbeidsdeling etcetera nog niet vindt in het politiek discours. De politieke partijen waarschuwen juist vooral tegen de ontbinding van maatschappelijke banden door dat soort ontwikkelingen.'

Schuyt: ``Tot iets na de oorlog heeft God nog de standen gewild. Het was een heel statische maatschappij. De economische groei, samen met wetenschap en techniek, gaat die standen doorbreken. De echte oogst daarvan zie je iets later. Vanaf 1958 zie je de deelname van de lagere klassen aan het hogere onderwijs stijgen. De zuilen waren in de jaren vijftig ook niet echt antimodernistisch, hooguit ging het episcopaat tegen de modernisering in. Verder waren er veel verlichte geesten, die vonden dat de welvaart en de vrijheid van de mensen moesten toenemen, maar dat alles wèl binnen geordende kaders. Dat ideaal van zelfontplooiing, het individualisme van de jaren zestig, was dus helemaal niet zo nieuw.'

Taverne: ``Tot begin jaren zestig bestaat bij de elite ook het idee dat de verzuilde structuren erg nuttig waren om de negatieve gevolgen van de modernisering op te vangen. Er bestond al op hoog niveau een `ideologische onderkoeling'. Maar dankzij de zuilen kon men de bevolking wel goed industrierijp maken. Eind jaren zestig gaat dat mis.'

Toch schrijft ook u over de `illusieloosheid' van de jaren vijftig.

Schuyt: ``Jawel, maar die somberheid bestond vooral aan het begin. Die ontlenen wij aan een enquête uit 1951, toen de economie net een klein dipje had. Toen waren de mensen erg bang voor de Derde Wereldoorlog en ze geloofden ook niet dat ze er ooit weer bovenop zouden komen. Daarna ging het elk jaar beter. Pas in 1956 kwam de eerste welvaartsronde, die de lonen sterker deed stijgen dan het prijspeil. Dan begint de `frisse consumptie': huishoudelijke apparaten worden aangeschaft. Die verovering van de huiskamer door de stofzuiger raakt iedereen. En als het na '62 snel gaat met de loonstijgingen gaan ze ook een auto kopen.'

Het literaire beeld van de jaren vijftig, de `De Avonden-sfeer' klopt dus voor de eerste helft van de jaren vijftig?

Taverne: ``Ja. Vergeleken met Frankrijk, Duitsland en Engeland is de individuele welvaart hier veel lager. Veel minder koelkasten, stofzuigers, wasmachines en buitenlandse reizen.'

De crux van uw relativering van de Jaren Zestig is dat de denkpatronen die ten grondslag liggen aan die `revolutie' ook al in de jaren vijftig wijd verspreid waren.

Taverne: ``Ja. Wij relativeren het vernieuwende karakter van het einde van de jaren zestig. De vorm was wel anders, maar de inhoud niet. De protestgroepen zagen toen de maatschappij sterk negatief. De economie, Amerika, consumptie, de wegenaanleg, daar deugde allemaal niks van. Het interessante is dat die kritiek helemaal niet nieuw is. In de jaren vijftig vind je dat ook al, en echt niet als een marginale discussie. De negatieve gevolgen van industrialisatie, het puur technische denken, de auto, de radio, de film, er werd heftig over gediscussieerd, vaak vanuit een andere achtergrond, maar wel met dezelfde argumenten als in de jaren zestig. Op veel punten vormde de studentenbeweging een echo van oude thema's.'

Schuyt: ``Het grote verschil is dat in de jaren vijftig die ideeën op een ordelijke, apollinische manier werden uitgedragen, met een lezing voor een verzuild genootschap of met een keurig artikel in de krant. Het debat bleef binnen de zuil, maar die ideeën waren helemaal niet conservatief, hoor. In de jaren zestig veranderen de vormen: in plaats van een lezing komt er een happening, in plaats van een artikel is er een pamflet.'

Taverne: ``Wij staan ook kritisch tegenover de revolutiethese van de jaren zestig omdat volgens ons de werkelijke betekenis van die tijd elders ligt: in de sociaal-economische verhoudingen. Precies in de tweede helft van die jaren zestig zie je het einde van de traditionele industrietakken. De textiel verdwijnt, de mijnen sluiten. De dienstenmaatschappij komt op. De banken en verzekeringsmaatschappijen openen grote kantoren in de steden, met schaalvergroting van de binnensteden als gevolg. Er komen grote fusies, de eerste werkloosheid ontstaat. Vergeleken met deze veranderingen in de productieverhoudingen zijn het Maagdenhuis en het Lieverdje een soort make-up.'

Niettemin, de gezagsverhoudingen veranderden wel in de jaren zestig. Dat is toch een groot verschil met daarvoor?

Taverne: ``Ik geloof er niks van.'

Schuyt: ``In de dagelijks interacties is er wel wat veranderd. In ons boek noemen we als voorbeeld de veranderingen in het bezoekuur in het ziekenhuis. In 1965 is dat nog strikt gereglementeerd, in 1972 is dat heel soepel. Op de middelbare school en de universiteit zijn de verhoudingen ook een stuk informeler geworden. En nu kijkt de jongste generatie al helemaal niet meer op naar iemand die boven hen staat. Je moet die trend echter niet overdrijven. De oude verhoudingen zijn niet helemaal verdwenen en er zijn erg veel bureaucratische regels gekomen. De omgang is losser, maar de hiërarchische bevoegdheden zijn gebleven. Natuurlijk zijn de zuilen verdwenen als machtsstructuren, maar dat was een veel geleidelijker proces dan vaak beschreven wordt. Het meest opvallende was eigenlijk dat in de jaren zestig het aantal stemmers op de KVP dramatisch daalde. En dat kwam vooral door de botsing met het antimodernisme van de bisschoppen en de teleurstelling over het Tweede Vaticaans Concilie. Bij de protestanten was dat een veel geleidelijker proces. En zelfs bij de katholieken zie je dat het aantal ingeschreven katholieken niet daalt tussen 1961 en 1971. Dat cijfer gaat pas dalen in de jaren tachtig.'

Taverne: ``Je kunt hooguit zeggen dat de jaren zestig wat dat betreft een intensivering waren van het individualisme, dat al in de jaren vijftig opkwam door de welvaartsgroei en het stijgende onderwijsdeelname.'

De gevierde jaren-zestiggebeurtenissen zijn dus niet meer dan schuim op de golven. Zonder de rellen in Amsterdam was dat individualisme er ook wel gekomen?

Schuyt: ``Natuurlijk. Ik denk alleen dat dat massale en intensieve individualisme meer iets is van de periode 1973-1993. Mij is altijd opgevallen dat dat jaren-zestigverzet erg collectief was. Iedereen richtte toen ook collectieven op: kunstenaars, studenten, advocaten. Het echte verbrokkelde individualisme komt later, daarvoor moest eerst de weg worden vrijgemaakt door dat collectieve verzet.'

Maar wat is dan oorzaak en gevolg? Braken de jaren-zestigrellen nu de gezagsverhoudingen open of niet? En gaf dat dan geen impuls aan het individualisme?

Taverne: ``Ik zeg: dat individualisme komt voort uit diepere structuren.'

Schuyt: ``Het idee dat het individu als individu moet worden aangesproken, vind je al breed in jaren vijftig. Tegen de massamens! Dat wordt in de jaren zestig en zeventig gewoon voortgezet. Het verschil is dat het in de jaren vijftig nog om geleide zelfontplooiing gaat, daarna komt er tegen die leiding collectief verzet en dan wordt dat idee totaal gedemocratiseerd. Vervolgens komt er, in de jaren tachtig, de exploitatie van die situatie door het consumptiekapitalisme.'

Kees Schuyt en Ed Taverne, 1950. Welvaart in zwart-wit. SDU, 580 blz. ƒ95 ISBN 901208623X