De winter oer dit Fryslân

Twee berichtjes in de krant van een paar dagen geleden. De Universiteit van Amsterdam heeft een kort geding gewonnen van de provincie Friesland en de Fryske Akademy. Ze mag de doctoraalopleiding Friese taal- en letterkunde opheffen. De procedures zijn juist geweest, oordeelde de rechter, en dus mag Fries teruggebracht worden tot een keuzevak. Er zijn althans geen wettelijke bezwaren. De Amsterdamse Universiteit wil van de opleiding af omdat ze te weinig studenten trekt.

Direct onder het stuk over de rechtszaak stond een berichtje van de Inspectie van het Onderwijs. Fries is in Friesland sinds 1980 een verplicht vak op de basisscholen, maar volgens de inspectie levert het nauwelijks een bijdrage van betekenis aan de ontwikkeling van de Friese taal en cultuur. De lessen worden slecht gegeven en de leerstof is beneden peil. Even rekenen en de uitslag klopt: in 1980 volgden de eerste kindjes van zes het Fries, die waren twaalf jaar later, in 1992, rijp voor de universiteit. De eerste studenten die al jong met Fries als schrijftaal grootgebracht zijn, zouden zich dus vanaf 1992 hebben kunnen aandienen. In 1994 opende de Universiteit van Amsterdam de poorten voor hoofdvakkers Fries, maar van al die kindertjes die Fries op de basisschool leerden, kozen er maar heel weinig voor een vervolg daarop. In Groningen, waar ook Fries gestudeerd kan worden, staan de studenten evenmin te dringen. De Vrije Universiteit heeft in 1990 de opleiding Fries gesloten, dus daar konden de doorzettertjes niet eens naar toe.

Wat moet een nette neerlandicus die weet dat het Fries een erkende taal is nu met deze berichten? Tranen met tuiten wegens het verlies aan diversiteit van het hoger onderwijs? Mijn zakdoek ligt al klaar. Maar de feiten staan in de krant: het lager onderwijs in een van de talen van Nederland valt kwalitatief tegen, het hoger onderwijs blijft kwantitatief onder de maat. Is de strijd om het Fries niet hopeloos, als er al zo gevochten moet worden om het Nederlands zelf uit de invloedsfeer van het Engels te houden en om Nederlands als voertaal op de universiteiten te handhaven? Zal na God nu ook nog het Fries verdwijnen uit Jorwerd?

Toch is het zonder meer bewonderenswaardig dat het Fries erin geslaagd is zich tot nu toe op academisch niveau te handhaven. Het Limburgs, ook erkend als taal, kent geen leerstoel. Geen bijzondere, geen structurele, niets, zelfs geen mogelijkheid om het als bijvak te studeren. Voor het Twents geldt hetzelfde. Dat het Fries wel een universitaire status heeft, is te danken aan een paar doordrammers in de negentiende en twintigste eeuw.

In 1823 wandelden Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp door Friesland. In hun verslag staat niets over de Friese taal. Ze komen in herbergen, spreken in Stavoren met de kasteleinsvrouw over het verval van dat stadje, ze lopen met een Friese marskramer langs allerlei omwegen om tol te vermijden. In Hindelopen zien ze de bibliotheek van een leesgezelschap dat in totaal 26 boeken bezit. Het zijn allemaal Nederlandse titels. Ze praten met boeren en ze volgen de zondagsdienst. Nooit zeggen ze iets over taalproblemen. Wanneer ze iemand citeren, is dat in het Nederlands. Wanneer ze historische inscripties op standbeelden of grafzerken beschrijven, zijn dat Nederlandse teksten. Alleen over Bildterland zegt Van Lennep dat de inwoners daar geen boerenfries spreken, omdat ze oorspronkelijk uit Noord-Holland stammen. Verder kunnen ze alle gesprekken volgen. Het Nederlands lijkt de voertaal te zijn niet alleen in de hogere kringen, maar ook kasteleins, marskramers en boeren spreken het blijkbaar. In elk geval spreken ze een variant die de twee jonge reizigers verstaan.

Een halve eeuw na de wandeling van Van Lennep en Van Hogendorp (na te lezen in het boek Lopen met Van Lennep) verschijnt een reisgids voor Friesland waarin de schrijvers er juist de nadruk op leggen dat daar een andere taal wordt gesproken. Ze zijn er trots op dat er een eigen taal bestaat die afwijkt van het Nederlands en in zijn pure vorm moeilijk te verstaan is. In de inleiding bij deze reisgids uit 1877 (verschenen onder de titel Friesland en de Friezen) zegt een van de schrijvers, Colmjon, dat de taal die in de grote Friese steden gehoord wordt het stadsfries is. Dat is nog wel te volgen voor een `vreemdeling', omdat het slechts een dialect van het Hollands is, vermengd met wat Fries. Mogelijk hoorde Van Lennep dit makkelijk te volgen stadsfries. Echt Fries daarentegen zou de taal zijn `die eens in den bloeitijd van het Friesche volk als eene zelfstandige natie, langs de gansche kuststreek van de Noordzee gesproken werd'. Dat is volgens Colmjon de taal die ook voorkomt in de oude Friesische Rechtsquellen uit de elfde eeuw, en deze werd aan het eind van de negentiende eeuw nog vrijwel puur gesproken in de kuststreken.

Inderdaad was het Fries in de elfde en twaalfde eeuw de gebruikelijke taal in oorkonden, brieven en akten. In de loop der eeuwen nam de invloed van het Nederlands als administratieve taal echter toe. Toen Friesland rond 1585 een zelfstandig gewest van de Republiek werd, bestond het Fries als schrijftaal al praktisch niet meer. De taal was gedegradeerd tot een volkstaal op het platteland. In de zeventiende eeuw verhollandste Friesland verder. Er was alleen een schoolmeester in Witmarsum die een groot oeuvre in het Fries opbouwde, puur uit bewondering voor het oude Fries. De poëzie van deze belangrijke dichter, Gysbert Japiks, werd echter pas na zijn dood gepubliceerd en raakte in de loop van de achttiende eeuw bekend in hogere Nederlandssprekende kringen. Directe navolgers kreeg Japiks niet.

Pas veel later werd de boodschap van Japiks opgepikt. De hoogleraar Wassenbergh van de universiteit van Franeker wist in het begin van de negentiende eeuw een groep studenten te interesseren voor Japiks en het Fries. Ironisch genoeg is de hoogleraar die voor het eerst op academisch niveau aandacht had voor het Fries, ook de eerste hoogleraar die colleges over de Nederlandse taal gaf, nog eerder dan Siegenbeek in Leiden. Ondanks de sluiting van de Franeker Academie in 1811, kwam er een beweging op gang voor de erkenning van het Fries. De burgerij had het idee dat Friesland erop vooruit zou gaan als het zich sterker oriënteerde op zijn eigen verleden. Schrijvers, academici en predikanten vonden elkaar in genootschappen waar Fries niet meer synoniem was met boers, maar juist een erepredikaat werd. Het eerste genootschap waarin Friezen bij elkaar kwamen om de studie van de geschiedenis en taalkunde van Friesland te bevorderen, was het Nederlandstalige Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde (1827). Het gaf een jaarboekje uit om de hogere stand smaak voor de vergeten moedertaal bij te brengen. In de rest van Nederland werden deze pogingen welwillend bejegend, tot de Belgische opstand van 1830. Toen sloten de gelederen zich en was er geen plaats meer voor regionale identiteitsbewegingen. Het tweede Fries genootschap, dat in 1844 opgericht werd, was dan ook veel offensiever ten opzichte van de natie. Het Selskip foar Fryske taal- en Skriftekennisse wilde een dam opwerpen tegen de steeds sterker wordende invloed van het Nederlands. Een van de voortrekkers van het Selskip, Tiede Dykstra, vergeleek het oude Friesland met een rijk beladen schip dat was gezonken en waaruit de Friezen zoveel mogelijk moesten zien te redden. Aan het eind van de negentiende eeuw was de beweging zo sterk, dat er voor het eerst onderwijs in het Fries aan de universiteit gegeven kon worden. In 1934 werd de eerste hoogleraar Fries benoemd. De primeur was voor de Universiteit van Amsterdam. Sinds in 1938 de Fryske Akademy gesticht werd, lijkt het Fries steviger geworteld dan ooit.

Het verhaal van het herstel van het Fries in de negentiende eeuw en de institutionalisering ervan in de twintigste, is fascinerend. Het wordt prachtig beschreven in de studie van Goffe Jensma, Het rode tasje van Salverda. Een kleine elite kan bewerkstelligen dat een hele natie zich naar haar richt. Maar hoe moet dit nu verder in de eenentwintigste eeuw? Het is voor een kleine taal van wezenlijk belang dat die op verschillende plaatsen bestudeerd kan worden in diverse wetenschappelijke contexten. Degenen die zich verzetten tegen de opheffing van de doctoraalstudie in Amsterdam hebben vanuit het verleden gezien groot gelijk. Al die inspanningen van voorgangers vanaf Gysbert Japiks zouden beschaamd worden als het Fries niet meer academisch bestudeerd zou kunnen worden. Voorlopig is daar echter geen sprake van. Er blijven nog mogelijkheden open: in Amsterdam kan Fries ook na de uitspraak van de rechter nog als bijvak bestudeerd worden, in Groningen nog als volledig hoofdvak. Maar voor hoe lang? Uiteindelijk hebben de studenten het laatste woord: als zij niet komen, dan helpt geen Fryske Akademy meer.