`DE OVERHEID MOET STRENGER'

PvdA-Kamerlid Marleen Barth staat pal voor de basisvorming. Deel 1 in een serie gesprekken met onderwijsspecialisten in de Tweede Kamer.

Ze wilde iets doen aan de ongelijke kansen van achterstandskinderen. Aan scholen die ondermaats presteren. Aan het beroepsonderwijs dat moet moderniseren. En dus besloot Trouw-journaliste Marleen Barth (36) de journalistiek de rug toe te keren en zich kandidaat te stellen voor de Tweede-Kamerfractie van de PvdA. ``Ik kon mijn idealen onvoldoende verwezenlijken'', zei ze destijds, toen ze haar omstreden stap maakte. ,,Het onderwijs heeft me tijdens mijn journalistieke loopbaan gegrepen'', zegt ze nu, drie jaar later als Kamerlid. ``Ik heb het belang van het onderwijs ervaren: als het slecht gaat met een kind op school, heeft dat zijn leven lang consequenties. Bovendien, als straks het aardgas op is, moeten we het toch echt van onze kennis hebben.''

Wat heeft het tweede paarse kabinet voor het onderwijs opgeleverd?

Barth: ``Toen ik nog over onderwijs schreef, was de discussie altijd waar het geld weggehaald moest worden. Nu is de vraag waar het geld het beste in gestopt kan worden. Verder is er een belangrijke beweging op gang gekomen om scholen harder om resultaten te vragen, ik vind dat heel positief. Vroeger was presteren een vies woord in het onderwijs.

U hekelde als journaliste de te pragmatische aanpak van de PvdA-fractie. Die zou leiden tot een zwabberend beleid. Volhardt u daarom nu zelf in uw steun aan de basisvorming?

``De basisvorming is geen doel op zich, maar wel een uitstekend middel om mijn ideaal, gelijke kansen voor alle kinderen, te bereiken. Voor het eerst in de geschiedenis kunnen we vastleggen wat een kind eigenlijk geleerd moet hebben als hij de school verlaat. Vooral voor achterstandsleerlingen is dat belangrijk.''

Maar alle andere politieke partijen vinden dat de basisvorming is mislukt. Ook PvdA-staatssecretaris Adelmund wil de basisvorming aanpassen.

``De beste manier om de basisvorming in te vullen, moeten we nog vinden. Maar critici vergeten dat het in de jaren zeventig nog voorkwam dat een kind bijvoorbeeld niet leerde ontleden, omdat een school dat niet belangrijk vond. Tot 1993 hadden scholen nog vrijwel volledige vrijheid bij het invullen van het lesprogramma. Met de kerndoelen van de basisvorming kunnen we er scholen op aanspreken als zij falen. En dat mag best wat strenger. Aan de andere kant, we moeten wel de middelen voor goed onderwijs bieden. Er moeten miljarden in het onderwijs geïnvesteerd worden, anders wordt het een gratuite eis.''

De overheid moest zich toch juist terugtrekken? Geen `Zoetermeer' in het klaslokaal, hoor je paarse politici steeds zeggen.

``We moeten een draai maken. De invulling van het onderwijs moeten we meer aan de school overlaten, maar de overheid moet wel het basisprogramma voorschrijven. Zo kunnen we aan het einde van de rit bekijken of een kind aan de minimale eisen voldoet. Als scholen falen, moet strenger opgetreden worden, het gaat om 42 miljard gulden belastinggeld. De overheid moet definiëren wat een goede school is en ingrijpen als scholen achterblijven.''

Daarvoor bestaat toch nu al de Onderwijsinspectie?

``Die kan nu niets doen, behalve `verbetertrajecten' aangeven. Zo'n zes procent van de basisscholen presteert significant en structureel ondermaats, weten we uit inspectierapporten. In 99 procent van de gevallen ligt dat aan een tekortschietend bestuur of aan falend management. Toch kan er niets gebeuren. Het moet mogelijk worden daar in te grijpen, bijvoorbeeld door structureel achterblijvende scholen onder curatele te stellen. Een interim-bestuur, met onder anderen vertegenwoordigers van de ouders, het personeel, de vakbond en de overheid, moet orde op zaken kunnen stellen. Lukt ook dat niet, dan zit er niets anders op dan sluiting. Maar daar is een wetswijziging voor nodig.''

Lijkt dat niet sterk op een veel dwingender rol van de overheid?

``Anderen noemen het bemoeizucht. Maar ik vind het de taak van de overheid om erop toe te zien dat belastinggeld goed wordt besteed. Maar nogmaals: de manier waarop scholen hun geld besteden, wil ik aan de scholen laten, zolang de leerling aan het einde van zijn schoolperiode maar over basisvaardigheden beschikt.''

De vraag is of scholen de juiste afwegingen kunnen maken. In het achterstandsbeleid kiezen ze massaal voor klassenverkleining, zo meldde de Rekenkamer begin dit jaar. En ook de Twentse hoogleraar Bosker constateert dat scholen niet kiezen voor programma's die bewezen effectief zijn.

``In de praktijk wordt achterstandsgeld inderdaad vaak besteed aan klassenverkleining, terwijl dat niet altijd de beste oplossing is. Daarom moeten we wel voorwaarden stellen als scholen meer vrijheid krijgen en de school binden aan bereikte resultaten. Te lang hebben we gedacht: dat extra geld voor achterstanden komt wel op de goede plek terecht. Men dacht dat vrijheid van onderwijs betekende dat we ook maar vage kwaliteitseisen moesten stellen. Voor mij is vrijheid van onderwijs niet het vermijden van kritische vragen over wat scholen bereikt hebben. Ik vind het veel meer van vrijheid getuigen als ouders kunnen zien dat ze iets te kiezen hebben.''

Als ze meer nadrukkelijk toezicht gaat houden op resultaat, zal de overheid ook moeten definiëren wat een goede school is. Hoe?

``Niet alleen goede cijfers van de leerlingen maken een school goed. De inspectie moet in rapportages ook de toegevoegde waarde van een school beoordelen. Daarbij moeten scholen bijvoorbeeld beoordeeld worden op hun voorbereiding tot goed burgerschap van de leerlingen.''

Wat bedoelt u met `goed burgerschap'?

``Dat er op school afspraken zijn hoe er met leerlingen wordt omgegaan. Of ze de meester mogen tutoyeren, of er een actief antipestbeleid op school is, of er orde heerst of juist een prettige chaos. Niet dat wij gaan voorschrijven hoe het moet, maar om ouders te laten zien welk pedagogisch klimaat er op de school hangt en of het personeel daar achter staat.''

Dat klinkt als een achttiende-eeuws ideaal: kinderen opvoeden tot deugdzame burgers.

Lachend: ``De sociaal-democratie wortelt ook in het achttiende-eeuwse gedachtegoed.''