De mens is een gevaarlijk wezen

Meer nog dan de chaos vreest de conservatief het nihilisme, meent J.L. Heldring.

Om een conservatieve levensbeschouwing te rechtvaardigen, is het niet voldoende te jeremiëren over de `negatieve consequenties van het verzorgingsbouwwerk' (die er ongetwijfeld zijn) of het `ondermijnen van de kerninstituties huwelijk, kerk, vereniging, school en universiteit', zoals Joshua Livestro in deze krant van 3 februari deed, nadat oud-minister-president Van Agt soortgelijke klachten had laten horen in een rede te Wassenaar.

Nee, we moeten dieper graven en ons afvragen wat het mensbeeld van de conservatief is. Welnu, terwijl liberalisme en socialisme, beide producten van de achttiende-eeuwse Verlichting (of Pruikentijd, zoals we tegenwoordig moeten zeggen) een optimistisch mensbeeld koesteren, gaat het conservatisme, mede als reactie daarop, van een eerder pessimistisch mensbeeld uit: de mens is niet zozeer een slecht – dit oordeel vooronderstelt een moreel of religieus standpunt – alswel een zwak, ja vaak gevaarlijk wezen.

Zeker, dit mensbeeld is mede een kwestie van temperament of van eigenbelang, maar dat kan ook van het liberale of socialistische mensbeeld gezegd worden, en een discussie die zich tot die drijfveren zou beperken, zou een proces worden waarin de deelnemers elkaars harten en nieren beproeven. Dat is weinig vruchtbaar. Maar er zijn ook – gelukkig, zou ik bijna zeggen – objectieve feiten die het intrinsieke pessimisme van de conservatief rechtvaardigen.

Wanneer in de twintigste eeuw – een eeuw waarvan we allemaal een groter of kleiner deel hebben meegemaakt – in het hart van dat deel van de wereld dat zich het meest beschaafde waande (en nog waant) – wanneer dus in Europa nog niet zo lang geleden miljoenen mensen zich met huid en haar, ja met geestdrift hebben kunnen overgeven aan een ideologie die de stelselmatige moord op andere miljoenen heeft bewerkstelligd, dan is er reden voor verontrusting omtrent de menselijke aard.

We kunnen ons hier niet van af maken door te zeggen: o ja, maar dat waren de Duitsers. In de eerste plaats gebeurde dit met het Volk der Denker und Dichter, en in de tweede plaats waren die Duitsers Europeanen. Daarbij komt – en dat maakt het verschijnsel des te verontrustender – dat de meeste Duitsers (ook de meesten van hen die zich door Hitler hebben laten meeslepen) zelf niet misdadig of zelfs slecht waren. Maar ze waren wèl zwak, en als collectiviteit waren ze gevaarlijk.

Eigenlijk is de andere demonie van de vorige eeuw, het communisme, nog een groter gevaar geweest – niet omdat Stalin, Mao of Pol Pot agressiever of slechter dan Hitler waren (dat waren ze niet), maar omdat het communisme ontsproten was aan een op zichzelf genereuze gedachte (wat het nationaal-socialisme niet was). Met andere woorden: als miljoenen mensen uit een genereuze aandrang zich kunnen overgeven aan wat blijkt een moordmachine te zijn, dan mogen we wel besluiten dat de mens een gevaarlijk wezen is. Zoals Arthur Koestler het eens heeft gezegd: ,,Uit de naastenliefde van de mens ontstaat het egoïsme van de massa. De zelfzucht en de agressiviteit van de groep bestaan dankzij het altruïsme van de individu.''

Natuurlijk, het zijn omstandigheden die de gevaarlijke potentie in de mens tot leven brengen, en de omstandigheden waren in de eerste helft van de vorige eeuw zo dat in Duitsland en Rusland (om ons tot ons werelddeel te bepalen) zulke moordmachines konden ontstaan – veelal met de onwetende hulp van talloze goedwillenden. In beginsel kan dit overal gebeuren.

Het komt er dus op aan, zulke omstandigheden niet te laten ontstaan. Het is hier dat het conservatisme, met zijn wantrouwen in de mens, betere kansen biedt dan de ideologieën die uitgaan van het goede in de mens – zeker die ideologieën die radicale veranderingen in de samenleving prediken. Immers, de mens is niet noodzakelijkerwijs de mens een wolf, zoals het gezegde wil, want in de individuele mens zit veel goeds, veel naastenliefde en opofferingsgezindheid. Het is de collectieve mens, de mens die zijn eigen identiteit heeft opgeofferd aan de collectiviteit (bijvoorbeeld de staat), die zijn medemens die hetzelfde heeft gedaan ten opzichte van een andere collectiviteit, in beginsel naar het leven staat.

Radicale veranderingen nu in de vertrouwde omgeving van de mens kunnen maken dat hij op drift raakt. De kerninstituties waar hij aan gewoon is – huwelijk, kerk, vereniging, school, partij – zijn op zichzelf niet heilig, zijn misschien aan verandering toe. Maar die verandering moet geleidelijk gaan, dus niet abrupt en radicaal, want anders raakt de mens van zijn ankerplaatsen los en wordt hij, afhankelijk van de omstandigheden, ontvankelijk voor zekerheden die nationaal-socialisme en communisme leken te bieden en die schijnzekerheden bleken te zijn.

De conservatief is dus niet tegen verandering. Hij kan het niet zijn omdat hij weet dat het leven zelf voortdurende verandering is: groei en vergaan. Maar de nodige veranderingen dienen, teneinde schokken, backlashes of vervreemding te vermijden, geleidelijk ingevoerd worden. De conservatief is niet tegen verandering, maar tegen radicale, abrupte verandering, omdat die ertoe kan leiden dat de mens zijn heul zoekt bij schijnzekerheden zoals wij die in de twintigste eeuw gekend hebben.

Meer nog dan de chaos is het het nihilisme dat hij vreest. Waarom is het vooroorlogse Nederland nauwelijks vatbaar gebleken voor de Revolution des Nihilismus die bij onze buren woedde? Omdat het in wezen een conservatief land was. En dat land, verlangde, na de verschrikkingen van oorlog en bezetting, terug naar de vertrouwde tehuizen, zoals bleek bij de eerste naoorlogse verkiezingen, die geen revolutionaire veranderingen te zien gaven. Zeker, er waren veranderingen nodig (de vooroorlogse maatschappij was niet ideaal), en die veranderingen zijn er ook gekomen, maar geleidelijk. Daarin hebben ook de socialisten zich, vóór 1966 en na 1989, conservatief betoond.

Het zou onbillijk zijn de kwarteeuw tussen genoemde jaren, waarin alles anders moest en de heilige huisjes van weleer afgebroken werden, uitsluitend op het conto van de door Nieuw Links overgenomen PvdA te schrijven. In de eerste plaats waren er instituties, de universiteit bijvoorbeeld, die hard aan verandering toe waren. In de tweede plaats hebben vele anderen, hetzij uit schuldgevoel hetzij in een soort Torschlusspanik hetzij uit opportunisme, zich laten meeslepen in de veranderingshype. In plaats van zich te verzetten, heeft het establishment grotendeels gecapituleerd. Daardoor zijn veel op zichzelf nodige veranderingen doorgeschoten en zitten we op velerlei gebied nog met de gebakken peren.

In de jaren '80 is een tegenbeweging op gang gekomen die gevoegelijk conservatief genoemd kan worden (al deed zij dat zelf niet). Enkele jaren later sloot de PvdA zich daarbij aan, en wanneer we van de voorzitter van de Jonge Socialisten, die doorgaans radicaler zijn dan de moederpartij, nu horen dat het ,,absolute vertrouwen in de goedbedoelende burger bij ons niet meer zo aanwezig is'', dan weten we hoe de vlag er nu bij hangt. In elk geval blijkt dat conservatisme niet tot één partij beperkt is.

Ook mag conservatisme niet met godsdienst vereenzelvigd worden. Er zijn natuurlijk veel conservatieve gelovigen, maar conservatisme als zodanig zal godsdienst slechts als een van die vertrouwde instituties beschouwen die niet hardhandig aangepakt dienen te worden, willen we geen vervreemding veroorzaken. Zo ook met moraal. Moraal is ook een van de hulpmiddelen die, om met Den Uyl te spreken, de boel bijeenhouden. In de discussie over het conservatisme die op het ogenblik aan de gang is, krijgt moraal – ik spreek niet van de moraal – naar mijn smaak te veel de functie van doel in plaats van middel.

Die discussie is overigens welkom – na de lange jaren waarin er een taboe leek te rusten op conservatisme dan wel het verwezen werd naar het knekelhuis der historie. Het zou evenwel jammer zijn als die discussie zou verzanden in een discussie over de mogelijkheid van conservatieve partijvorming. Dat is voorlopig niet aan de orde, want er zijn bijna evenveel conservatismes als er conservatieven zijn. Zeker in Nederland, waar de godsdienst nog een bijkomende, en soms afleidende, factor is.

In het Nederlands Dagblad van 28 februari schrijft Kars Veling, de beoogde lijstaanvoerder van de ChristenUnie, dat veel in wat de conservatieven schrijven hem aanspreekt, maar zijn christenen ,,benaderen de samenleving en de overheid vanuit de overtuiging dat God de Schepper is en Heer''. Zij benadrukken ook ,,de grote verantwoordelijkheid van de overheid, ook jegens God''. Inderdaad is het godsgeloof, en zeker dit godsgeloof, geen integrerend deel van de conservatieve levensbeschouwing. Er zal dus wel niet zo gauw eenheid ontstaan tussen de sympathisanten met het conservatisme. Maar een discussie die niet tot een programma komt, is daarom nog niet nutteloos.

Mr. J.L.Heldring is columnist van NRC Handelsblad. Dit is de vijfde bijdrage in een serie over het conservatisme. Eerdere artikelen verschenen op 3,10,17 en 24 februari.