DE LOKROEP VAN HET DNA

Met het Menselijk Genoom Project heeft het DNA-onderzoek een geweldige impuls gekregen. Voeg dat bij een omslag in de publieke opinie over de aanpak van de criminaliteit en je hebtttt de verklaring voor de spectaculaire groei van het Nederlands Forensisch Instituut in Rijswijk.

Portret van de DNA-specialisten van justitie. Een verhaal over onzichtbare sporen, de nachtmerrie van 'de meisjes' en het oprekken van de wet.

Ze hebben broodtrommeltjes en foto's van dierbaren op hun bureau. Ze drinken hun ochtendkoffie graag stipt om elf uur en vragen tegen vieren: 'Soepie?' Het zijn ambtenaren. Ze lijken saai.

Maar de één gaat twee keer per week naar karateles. De ander peinst in het weekend over psychopaten. En hun jaarlijkse personeelsuitje ging naar de gravendienst van de landmacht, om te zien hoe ze daar lijken uit de oorlog opgraven: 'Dat is toch leuk?'

Een paar van hen zijn oproepbaar zodra ergens in het land een kind verdwijnt. Wordt het dood teruggevonden, dan pakken ze hun 'uitrukset' vol wattenstaafjes, rubber handschoenen, plastic zakjes en stickers met barcodes en gaan ze er onmiddellijk naartoe. Altijd dobberen ze ergens in hun gedachten, 'de meisjes'. Zo worden ze hier door iedereen genoemd, Marianne, Yasmina, Nienke, Sybine. Ze zijn nabij als familie.

Hun afdelingshoofd vindt dat zijn mensen eigenlijk een professionele hulpverlener verdienen. Zelf zeggen ze zonder een spoor van ironie: 'Wij willen het kwaad bestrijden.' Ze zijn de DNA-specialisten van justitie.

Van patroonhuls tot bloedspat

Het stond bekend als het Gerechtelijk Laboratorium, maar sinds een fusie met het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie, vorig jaar, heet het Nederlands Forensisch Instituut, kortweg nfi. Het is het best beveiligde onderdeel van het ministerie van Justitie. Hier komen bewijsstukken van misdrijven uit het hele land terecht voor onderzoek. Van patroonhuls tot bloedspat. Van een enkele haar tot een compleet stoffelijk overschot. Voor de ingang staan bijna dagelijks lijkwagens.

Voor de DNA-analyses die steeds vaker in strafzaken opduiken, is de afdeling biologie van het nfi verantwoordelijk. Hier worden biologische sporen van misdrijven gezocht, DNA-profielen gemaakt, hier staat de veelbesproken DNA-databank. Hier werken de beëdigd getuige-deskundigen die je in de rechtszaal tegenkomt en die dan door verdachten worden aangestaard alsof zíj het vonnis zullen vellen.

Tot vandaag deden ze jaarlijks DNA-onderzoek in ongeveer duizend strafzaken. Nu staat de afdeling door een wijziging in de DNA-wet aan de vooravond van een immense uitbreiding. De verwachting is dat het aantal analyses binnenkort zal stijgen tot 20 à 30 duizend per jaar. Tot nu toe onderzocht de DNA-afdeling uitsluitend de zwaarste delicten, meestal moord- en zedenzaken. De wetswijziging maakt het mogelijk alle verdachten van delicten waarop ten minste vier jaar celstraf staat tot een DNA-test te dwingen. Ook inbrekers, bijvoorbeeld.

Zag Justitie DNA aanvankelijk als een uiterst middel, dat met de grootst mogelijke terughoudendheid moest worden gehanteerd, in een paar jaar tijd werd DNA-onderzoek in strafzaken booming business. Hoe kon dat precies gebeuren? Wat gaat DNA voor justitie betekenen? En wat zijn daarvan de gevolgen voor de dagelijkse praktijk van de DNA-onderzoekers?

Het verzoek was of ik een week voluit mocht meelopen op het laboratorium. De stemming was licht nerveus. De krant moest een geheimhoudingsverklaring tekenen, waarin zelden wordt toegestemd. Begrijpelijk, omdat de meeste ambtenaren op het nfi tot in detail op de hoogte zijn van lopende politiezaken. Waarnemingen, citaten en namen van onderzoekers die tot onopgeloste misdrijven herleidbaar waren, moesten daarom worden geanonimiseerd. Alleen dan mocht iedereen vrijuit spreken, al zouden veel medewerkers hun reserves blijven herhalen. Een beetje bokkig, steeds met dezelfde woorden: Criminelen moeten niet wijzer worden dan ze al zijn. Bij het forensisch lab kunnen ze goed zwijgen.

Het interieur stamt nog uit de jaren zeventig: stalen bureaus, lage plafonds, lange, donkere gangen. Door het getinte glas is het uitzicht op de buitenwereld onveranderlijk somber. Buiten is na dertig jaar alles anders. Toen ze zich in 1972 in dit gebouw vestigden, gold daar nog de norm die nu een 'jaren zeventig-mentaliteit' wordt genoemd. Het waarborgen van de rechten van de verdachte moest in het strafrecht nog consequent voorop staan, het woord 'technologie' was bijna even verdacht als het grootkapitaal en de politie heette smeris. Maar toen maakte het genetisch onderzoek een sprong voorwaarts, bleven de criminaliteitscijfers maar stijgen en gingen media steeds minder terughoudend berichten over misdaad. Smeris? 'Harder optreden!' Ethiek? 'Nut en noodzaak!' En binnen, op de DNA-afdeling? Ze begonnen als vrijpleiter van verdachten. Nu worden ze steeds meer een opsporingsinstantie. Met graagte.

Een match of hit

Dat sommige onderzoekers hun achternaam niet willen noemen, heeft te maken met het werk dat ze doen - je moet criminelen niet wijzer maken dan ze zijn, klinkt dan weer. Chantal zit met een pincet haartjes van ondergoed te plukken. Want een DNA-profiel maak je uit de biologische sporen van een misdaad. Komt het overeen met een DNA-profiel van een verdachte, dan heb je een match of hit.

Bewijsstukken van misdrijven worden dagelijks met tientallen tegelijk door politiekoeriers afgeleverd. Ze heten hier 'stukken van overtuiging', of svo's. Op de DNA-afdeling worden ze over twee laboratoriumkamers verdeeld, die bijna identiek zijn. Voor het raam staan microscopen en computers, een grote tafel in het midden. De onderzoekers dragen er witte jassen, mutsen en rubber handschoenen.

Stukken die naar een dader kunnen leiden, gaan naar de 'verdachtenruimte': een koevoet, wurgkoordjes, revolvers, haren, een sigarettenpeuk. In de 'slachtofferruimte' belanden lakens met bloedsporen en kledingstukken.

De sporen worden strikt uit elkaar gehouden, maar soms is DNA-besmetting onvermijdelijk, zoals bij spermasporen in verkrach- tingszaken. Dat levert een 'mengprofiel' op, één profiel met DNA van dader en slachtoffer dat voor de geautomatiseerde databank nog moeilijk te ontwarren is. Tot de komst van een door de fbi ontwikkelde database komend jaar, moet een mengprofiel daarom handmatig met het bestand worden vergeleken. Dat kost dagen.

In de slachtofferruimte is voor de gezelligheid een radiootje neergezet. Chantal zet nu een soort lasbril op, doet de lampen uit en pakt in het pikdonker de crimescope, een apparaat waar laserlicht uit komt. Daarmee zoekt ze naar bloed- en spermavlekjes die voor het oog onzichtbaar zijn en die knipt ze met een schaartje uit de stof. Haar monsters worden naar de isolatieruimte gebracht. Het DNA van de verschillende stukken verdwijnt daar in reageerbuisjes.

Het moeilijkst is DNA uit botten halen, zegt Doris Eerhart later. Zij identificeert slachtoffers van genocide voor de aanklagers van het Joegoslavië-tribunaal. Ze krijgt tanden, stukjes rib of schedels uit massagraven op haar bureau. Om het DNA los te maken, worden ze gemalen. Dan 40 uur schudden om het calcium eruit te krijgen. En op 56 graden nog eens schudden, met enzymen. Daarna zuiveren.

Haar werk heet hier 'rommelen met botten'. Er zijn meer eufemismen om je werk te kunnen doen en even later gewoon je krentenbol op te eten. 'Een mooi lijk' is een stoffelijk overschot dat nog niet te zeer in ontbinding is, niet te veel schotwonden of afgehakte ledematen. Is een lijk mooi, dan krijgen nieuwe medewerkers op DNA een seintje van pathologie. Sommigen willen bij een sectie zijn uit 'anatomische interesse', anderen omdat ze 'willen harden'. Maar Chantal wordt hard genoeg in de slachtofferruimte. Als je wekenlang met slipjes in je handen zit, zie je genoeg ellende, zegt ze. Vroeger was er een zedenpiek in de zomer. 'Maar tegenwoordig is het altijd druk.'

Groter en groter

Een voorbeeld: over geweldsmisdrijven, waartoe zedendelicten worden gerekend, maakt de politie nu vijf keer vaker een proces-verbaal op dan in 1972. Dat jaar werd het toenmalig Gerechtelijk Laboratorium, kort na de oorlog opgericht, in Rijswijk gevestigd. Aan de verbouwingen van het instituut is te zien dat criminaliteit en politie-inzet sindsdien fors zijn toegenomen. Negen jaar later moest een gebouw ernaast worden aangekocht, tien jaar later weer een. Vijf jaar daarna was de nood zo hoog dat op een parkeer- dak een vierde gebouw van portocabins werd gezet, en vorig jaar zijn nog twee etages bijgehuurd. In 2003 verhuist het complete NFI naar Ypenburg, de maquette staat al bij de receptie.

Het instituut groeide niet alleen met het aantal misdaden, maar ook door de ontwikkeling van nieuwe onderzoekstechnieken. Er is geen spoor van een misdrijf meer denkbaar dat niet op het NFI wordt onderzocht: vingerafdrukken, resten van explosieven, vezels, drugs, verontreinigde grond, illegaal gedumpt afval, analyse van handschriften of stemmen, versleutelde computersystemen, wapens, schotresten.

'Nou ja', zegt forensisch wapendeskundige Tjisse Dijkman. De andere 'takken van sport' hier blijven straks dus wel achter bij de DNA-afdeling. Die krijgt de komende vier jaar 60 miljoen gulden van het ministerie van Justitie om uit te breiden; meer dan het jaarbuget voor het hele instituut nu. Berustend zegt Dijkman: 'Ik werk hier nu 22 jaar en bij iedere nieuwe onderzoekstechniek zie je dat de mogelijkheden de eerste tijd een beetje worden opgeblazen.'

Toen biochemicus Ate Kloosterman hier in 1980 kwam werken, hield hij zich nog vooral bezig met het vaststellen van bloedgroepen. 'Als een verdachte dezelfde bloedgroep had als in het spoor van een misdrijf was aangetroffen, dan zei dat natuurlijk nog niets. Er zijn zoveel mensen met dezelfde bloedgroep. Het belangrijkste wat we toen konden doen, was personen uitsluiten als verdachte.'

Halverwege de jaren tachtig begon door de ontwikkeling van het genetisch onderzoek door te dringen dat DNA ook voor justitie van belang kon zijn. 'Maar er waren twijfels. We hadden nooit verwacht dat we ooit DNA uit een oude bloedvlek zouden kunnen krijgen.' DNA-onderzoek werd het eerst uitgevoerd door de Forensic Science Service in Engeland, die nog altijd vooroploopt in Europa. 'We stuurden wel eens wat sporen naar ze op', zegt Ate Kloosterman. 'En gaandeweg kwam daar steeds meer uit.'

Onaantastbaarheid van het lichaam

In zijn boek De genetische vingerafdruk. De waarde van DNA als opsporingsmiddel reconstrueert de journalist Siem Eikelenboom DNA-strafzaken in Nederland. Bij die zaken moet je beginnen, als je wilt weten hoe de rol van het Nederlands Forensisch Instituut in een decennium is veranderd.

In 1989 gaf een Nederlandse rechter voor het eerst toestemming voor DNA-onderzoek. Dat was op verzoek van een man die verdacht werd van een serie verkrachtingen bij het Amsterdamse World Trade Centre. Hij hield vol onschuldig te zijn. De spermasporen en een bloedmonster van de verdachte werden naar Engeland gestuurd. Het DNA in het bloed verschilde van het DNA in het sperma en de man werd vrijgesproken.

Twee jaar later verzette een verdachte van een verkrachting in Kerkrade zich tot aan de Hoge Raad tegen het afstaan van bloed of wangslijm voor een DNA-test. Hij kreeg gelijk. De Grondwet geeft ieder het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, oordeelde de Raad, en daarop mocht alleen inbreuk worden gemaakt in gevallen die precies in de wet waren omschreven. Dat gold op dat moment alleen voor bloedcontroles bij rijden onder invloed.

Het arrest zou lange tijd richtinggevend blijven. Alleen zaken waarin verdachten DNA-materiaal vrijwillig hadden afgestaan, hadden een kans voor de rechter. Het gevolg was dat de DNA-onderzoekers de eerste jaren dienaar waren van verdachten die toch al zeker waren van vrijspraak.

De kentering kwam met Kamervragen over de verkrachter uit Kerkrade: werd het geen tijd een gedwongen DNA-proef wettelijk toe te staan? Toenmalig minister van Justitie Korthals Altes beloofde een wetsvoorstel en stelde een commissie in. Tekenend voor de stemming op dat moment was de basisopdracht aan de commissie: een DNA-test moest een 'zo gering mogelijke' inbreuk zijn op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Nog geen tien jaar later zou de wind uit een andere hoek gaan waaien. Op het NFI zijn ze daar blij mee.

De forensische techneut

Nog steeds beschouwt het NFI zichzelf als 'een uitvoeringsinstantie van justitie', zeggen medewerkers bescheiden. Maar daarachter sluimert ook de trots van de forensische techneut: wat wij inmiddels kunnen, kan niemand anders in dit land. En als je eenmaal zoveel high tech-middelen in huis hebt om de zwaarste misdrijven te helpen oplossen, dan wil je die gebruiken. Dan breek je je er het hoofd niet voortdurend over of al die middelen ook altijd de juiste zijn. Valt het begrip 'ethische dilemma's', dan gaan op het NFI nogal wat wenkbrauwen omhoog.

Dat heeft te maken met de aard van het werk. De DNA-afdeling mocht jarenlang vrijwel uitsluitend moord- en zedenzaken onderzoeken, en dat heeft zijn invloed gehad op het personeel. 'Hier werken vertekent je beeld van de mensheid', zegt onderzoekster Hannie, die haar achternaam dan ook niet wil teruglezen. 'Je leert hoe inventief mensen zijn in wat ze elkaar kunnen aandoen. Dus je gaat uit van het slechtste.' Zo, zegt ze, raak je vanzelf wel gebeten op het pakken van misdadigers.

Bovendien voelen de medewerkers zich als ambtenaar verplicht de opdrachten van rechter-commissarissen of officieren van justitie uit te voeren, ook als die op de rand van de wet balanceren. Of ze helpen zo'n wet wat te verruimen? 'Wij hebben de wet verduidelijkt', zeggen ze. De rest is een zaak van rechters, officieren van justitie, ministers. De juristen, worden zij hier genoemd. Dat is een andere wereld.

'We zijn hier van oudsher heel volgzaam', zegt Harrie Janssen, het hoofd van de DNA-afdeling, een innemende, wat zorgelijk kijkende Brabander. Hij is scheikundige en staat op het instituut bekend als een briljant onderzoeker. 'We ontdekken eigenlijk pas sinds kort dat officieren van justitie en rechter-commissarissen ook maar gewone mensen zijn, en niet de halve heiligen waar je tegen opkeek.' Hij bedoelt te zeggen dat zijn afdeling moet leren dat je de juristen ook kunt afremmen, als zij te ver willen gaan.

Het gevaar voor de privacy

Toen de wetgever begin jaren negentig schoorvoetend het DNA-onderzoek aanpakte, wezen sceptici meteen op de risico's: als de ontwikkeling van DNA-technologie het mogelijk zou maken steeds meer persoonlijkheidskenmerken vast te stellen, hoeveel zou justitie straks dan van verdachten weten? Wie mocht gegevens uit een DNA-databank gebruiken? Hoe voorkom je dat de privacy van verdachten met een DNA-wet in gevaar kwam? Ruim drie jaar werd er gediscussieerd, voordat op 1 september 1994 het 'besluit DNA-onderzoeken' kracht van wet kreeg.

Vanaf dat moment konden verdachten van een misdrijf waarop een celstraf van ten minste acht jaar staat - voornamelijk moord en doodslag - worden gedwongen tot bloedafname voor een DNA-test. Bij zeden- en geweldsmisdrijven gold een minimum gevangenisstraf van zes jaar. De verdachte kreeg recht op een tegenonderzoek in het Sylvius Laboratorium van de Universiteit Leiden. Ook kreeg het NFI toestemming een DNA-databank te vullen, mits een rechter-commissaris of officier van justitie per geval de opdracht gaf. In de databank mochten alleen DNA-profielen worden opgeslagen van daders en nog anonieme profielen uit biologische sporen die bij misdrijven waren aangetroffen.

'Het was een draak van een wet', zegt onderzoeker Richard Eikelenboom. 'Rechter-commissarissen en officieren van justitie bleven nog op het bange af voor DNA. De opdracht om een profiel in de databank te zetten, kwam bijna nooit. Niemand durfde het aan. Dus die databank bleef lange tijd flut.'

Cruciale zaken werden in de wet niet goed geregeld, zegt Eikelenboom. 'De wet bepaalde bijvoorbeeld niet eens precies hoeveel van de vaak toch al schaarse sporen gereserveerd moesten worden voor het tegenonderzoek waar de verdachte recht op had.' Daarom ging de DNA-afdeling voortaan op eigen initiatief de helft van alle sporen bewaren voor contra-expertise. 'We hebben die wet wel degelijk zelf geïnterpreteerd', zegt Eikelenboom. Aanvankelijk nog steeds als dienaar van verdachten.

De omslag

Het jaar van Dutroux, 1996, werd het jaar van de omslag. Allereerst maakte het DNA-onderzoek de sprong voorwaarts. Men slaagde erin een minieme hoeveelheid DNA kunstmatig te vermenigvuldigen, tot er voldoende was voor verder onderzoek. Nu is het een standaardprocedure.

'Iedereen kan een DNA-profiel uit een plas bloed maken' , zegt biochemicus Ate Kloosterman. 'Maar wij kunnen het sindsdien uit een vlekje van een halve millimeter. Er is geen crimineel die vermijden kan dat hij dàt bij een misdrijf achterlaat.' Microscopische DNA-sporen deden hun intrede. Enkele huidcellen konden voldoende zijn. Ze gingen al snel onzichtbare sporen heten. Alles leek mogelijk. Een spectaculaire toename van het aantal DNA-hits lag in het verschiet.

De middelen waren nu beschikbaar. Buiten het instituut kreeg ook de behoefte aan DNA-onderzoek in 1996 een flinke impuls. Die zomer werden in de tuin van een huis in het Waalse Sars-la-Buissière de lichamen van twee achtjarige meisjes opgegraven, Julie en Mélissa. De eigenaar van het huis was Marc Dutroux. Alleen al in NRC Handelsblad werd het woord Dutroux sindsdien in ruim vierhonderd artikelen genoemd. Alle media gingen sinds die zomer vaker berichten over moord- en zedenzaken. Er werd gesproken van een zedenhype.

De zaak-Dutroux toonde aan dat de onderschatting van zedenmisdrijven dramatische gevolgen kon hebben. Was justitie in Nederland, waar de zedenpolitie in 1993 immers was afgeschaft, daar wel alert genoeg op? Op de redactie van NRC Handelsblad riep de toegenomen belangstelling voor zedendelicten vragen op. Hoe voorkom je stemmingmakerij, als alleen al het nuchter weer- geven van de feiten afgrijzen oproept? 'Zelfs ik kreeg door alle media-aandacht het gevoel dat er meer kindermoorden waren', zegt Harrie Janssen, en dat terwijl zijn DNA- afdeling natuurlijk precies zicht heeft op het werkelijke aantal zaken. 'Het aantal steeg niet echt, maar door alle publiciteit kreeg je toch dat gevoel.'

Bezorgde ouders probeerden mensen die van zedenmisdrijven werden verdacht, hun buurt uit te werken. Eigenrichting werd mode in woonwijken, maar ook in rechtszalen eisten slachtoffers een rol op, soms zo heftig dat nabestaanden de verdachten ter plekke aanvlogen. Het openbaar ministerie kondigde op een persconferentie aan meer aandacht te zullen schenken aan slachtoffers. In het strafrecht kregen ze zo een steeds prominentere plaats.

H.J.C. van Marle, ex-directeur van het Utrechtse Pieter Baan Centrum voor tbs-onderzoek en adviseur van minister Korthals van Justitie, beschreef de mentaliteitsverandering later zo: 'De calculerende, belasting betalende burger vindt dat híj allereerst recht heeft op bescherming van lijf en goederen.' In de publieke opinie werd DNA zo in korte tijd het no-nonsense middel om dat doel snel en efficiënt te bereiken.

'Bij alle onrust functioneerde de sprong voorwaarts van de DNA-techniek als een katalysator in de politiek', zegt Harrie Janssen. 'Als met DNA zoveel mogelijk was, moest het dan ook niet meer mogelijkheden krijgen als opsporingsmiddel?' Eerst liep de technologie ver voor op de wetgeving, zegt biochemicus Ate Kloosterman. 'Maar tegenwoordig neemt de wetgever het initiatief. Ons wordt gevraagd wat uitvoerbaar is. En dat pikken ze bij het departement meteen op. Prachtig!'

Wat is 'nodig'?

Nog geen jaar na Dutroux kwam toenmalig minister van Justitie Sorgdrager met de eerste voorstellen om de DNA-wet te wijzigen. Werd het geen tijd de passage waarin stond dat een gedwongen DNA-test 'dringend noodzakelijk' moest zijn, te vervangen door 'nodig in het belang van het onderzoek'?

Maar wat is 'nodig'? Twee jaar geleden voerde hoofd van de DNA-afdeling Harrie Janssen een pittig gesprek met zijn onderzoeker Richard Eikelenboom. 'Mij werd gezegd dat ik op het instituut als risicovol werd beschouwd', zegt Eikelenboom op neutrale toon. 'Ze vonden me extreem, men dacht dat ik de wet probeerde op te rekken.'

Vaderlijk zegt Harry Janssen: 'Richard is ontzettend goed in zijn vak. En hij heeft een enorme bevlogenheid. Dat maakt het soms noodzakelijk te zeggen: jongen, weet waar je grenzen liggen.'

Aanleiding voor de waarschuwing was een geruchtmakende meervoudige moord. Er was geen biologisch spoor van de dader. 'Dan is het dus handig om DNA van het slachtoffer in de databank te zetten, al mag het niet', zegt Eikelenboom. De slachtoffers hadden hevig gebloed, legt hij uit, en er was met ze 'gezeuld', dus het was niet ondenkbaar dat de dader bloed van het slachtoffer op zijn kleding had. Stel, zegt Eikelenboom, dat de politie inderdaad een verdachte zou vinden met bloed op zijn jas. 'Daar heb je niets aan, als je niet met een DNA-match kunt bewijzen dat het bloed van het slachtoffer is.'

De wet stond nog niet toe dat DNA van geïdentificeerde slachtoffers in de databank werd opgeslagen, maar Eikelenboom wist de officier van justitie ervan te overtuigen dat het in dit geval 'nodig' was. En kreeg de noodzakelijke opdracht om het te kunnen doen. Tot een match heeft die zaak nooit geleid, het DNA van de slachtoffers is inmiddels weer uit de databank verwijderd. Maar Harrie Janssen draait er niet omheen: 'De verantwoordelijkheid lag weliswaar bij die officier van justitie, maar het is ook niet de bedoeling hem om te lullen. Want er wordt toch naar ons gewezen: het NFI is de plaats waar dingen gebeuren die niet mogen. Dat zíjn we niet.'

Ondernemende crimefighters

Hoe rekbaar is het begrip 'nodig in het belang van het onderzoek'? Elke ondernemende 'crimefighter' weet daar wel raad mee. In oktober 1998 meldde Trouw dat in het geheim een grootschalig DNA-onderzoek aan de gang was. Twee politiekorpsen, in de regio's Utrecht en Midden- en West-Brabant, waren in samenwerking met het openbaar ministerie en het NFI begonnen met het verzamelen van biologische sporen bij inbraken. Een glas waaruit gedronken is; een paar haren. Verdachten werden niet 'gedwongen' tot het afgeven van DNA. Wat er al aan sporen lag, werd eenvoudigweg meegenomen. Daar zei de wet niets over - en dus was het niet verboden.

Die sporen konden natuurlijk wel van iedere toevallige bezoeker zijn, waarmee de privacy wel erg in het geding kwam. Korthals, inmiddels minister van Justitie, probeerde nog op de rem te gaan staan, maar hij werd al ingehaald door de Hoge Raad. Omdat de wetgever in 1994 vergeten was het expliciet te verbieden, oordeelde de Raad in 1999 in de zaak van drie Amsterdamse kluisjeskrakers dat het rechtmatig was bij huiszoeking van verdachten biologisch materiaal mee te nemen voor DNA-onderzoek. Het werd bekend als 'het tandenborstelarrest'. Er is geen politie-rechercheur die het niet kent.

Hoe groot hun DNA-enthousiasme prompt werd? Leo de Waal, vakdirecteur medisch-biologisch onderzoek van het NFI, grinnikt: 'Het is hier letterlijk gebeurd dat een technisch rechercheur een volle stofzuigerzak kwam afleveren. Handig!, dacht de recherche, even de plaats van delict zuigen! Alle haren en/of andere DNA-sporen in één keer beet! Dàt analyseren is dus jaren werk.'

Eindelijk kreeg de DNA-databank zijn input, verzucht Richard Eikelenboom. In de zomer van 1999 stonden er circa 2.000 DNA-profielen in en toen gaf de databank voor het eerst een hit in een verkrachtingszaak uit Etten-Leur. De verdachte bekende onmiddellijk. Inmiddels staan er ruim 4.000 profielen in de databank. 'Nu gaat de vlag nog uit als we een hit vinden', zegt Ate Kloosterma, 'maar heel binnenkort wordt dat routine.' Glunderend: 'Zoals in Engeland. Daar spuwt de computer ze de hele dag uit.'

In Engeland kan iedere verdachte die in verzekering wordt gesteld, gedwongen worden DNA af te staan. Dat is hét ideaal van de Nederlandse politietop. 'Nodig in het belang van het onderzoek'? In januari van dit jaar drongen hoofdcommissarissen en korpsbeheerders er in een brief aan de Kamer op aan die voorwaarde maar helemaal uit de wet te schrappen.

Kopje koffie

Het belangrijkste argument van critici tegen DNA-onderzoek door justitie is dat straks nauwelijks nog te controleren valt wiens DNA-profiel rechtmatig wordt geanalyseerd. Dat politie en justitie steeds weer zullen proberen de wet wat verder op te rekken. Op het NFI blijkt bij toeval hoe dat werkt, als twee onderzoekers op een middag een vuistdik politiedossier hebben opengeslagen. Ze laten hun vingers regel voor regel over de pagina's gaan.

'Pantalon.'

'Twee hoofdharen.'

'Lijkdelen afgezocht met plakband.'

Uren pluizen ze het dossier door op meer bewijsstukken waarop nog DNA kan zitten. Wie het slachtoffer in deze zaak een paar jaar geleden in haar woning verkrachtte en wurgde, is nog altijd niet duidelijk. Wel heeft het NFI destijds een DNA-profiel uit een spermaspoor kunnen maken, dat is bewaard. Maar er was geen DNA van een persoon om met dat profiel te vergelijken. Pas als iemand echt verdachte is, mag hij gedwongen worden tot een DNA-test. In deze zaak had de politie iemand op het oog, maar jarenlang was er onvoldoende bewijs om hem als verdachte aan te merken. Hij kon dus niet verplicht worden tot bloedafname.

Tóch blijkt het NFI nu zijn DNA-profiel in huis te hebben. Hoe komen ze daar aan? De politie, vertelt de coørdinator van de zaak, heeft de man in kwestie vriendelijk uitgenodigd voor een gesprek. Voor wat aanvullende vragen over het slachtoffer, werd gezegd, want de man kende haar. Maar het ging er eigenlijk alleen maar om hem een kopje koffie aan te bieden. 'Van het speeksel dat hij daarop heeft achtergelaten, heeft de politie toen een monster naar het NFI gestuurd.'

De rechter-commissaris gaf zijn medewerking door de noodzakelijke opdracht voor een DNA-analyse naar het NFI te faxen. Bepaald niet volgens de regels, beaamt Harrie Janssen. 'Maar wij worden wél geacht zulke opdrachten uit te voeren. En bovendien wísten we op dat moment helemaal niet hoe de politie aan dat monster kwam. Een spoor is een spoor en hoe de politie aan de chain of evidence komt, dat kunnen wij niet controleren. Dat doet de rechter.' Maar zal de rechter dat ooit nog kunnen nagaan?

In dit geval bleek het vermoeden van de politie juist. Het DNA uit het speeksel matchte met het DNA uit het sperma. De man is prompt officieel aangemerkt als verdachte. For the record is hij daarna openlijk verplicht tot bloedafname voor een DNA-test. Dàt profiel krijgt de rechter straks onder ogen.

En dat is dus onrechtmatig verkregen bewijs. Iedere advocaat is daarop gespitst en zal daarom in de rechtszaal vragen op grond waarvan zijn cliënt werd aangemerkt als verdachte. Hoe redt de politie zich daar uit? 'Die gooit het op nieuwe tactische aanwijzingen of zo', denkt de coørdinator van de zaak. 'Zo gaat dat vaker, hoor.' Ook onderzoeker Ate Kloosterman zei al: 'Er wordt al volop om mensen heen gerechercheerd die mogelijk als verdachte worden aangemerkt. Dacht je dat politie-observanten niet voor alle zekerheid de sigarettenpeukjes die iemand achterlaat verzamelen?'

DNA-onderzoek moet aan strenge, landelijk vastgestelde forensisch-technische normen voldoen, die exact beschrijven hoe elke handeling moet worden uitgevoerd. Bovendien maakt het NFI deel uit van het internationaal hooggewaardeerde European Network of Forensic Science Institutes. 'Maar dat gaat allemaal over laboratoriumeisen', zegt Harrie Janssen. 'Over hoe je DNA-sporen zo optimaal mogelijk kunt veiligstellen.' Eigenlijk, zegt hij, stoelt het technologisch spijkerharde 'wondermiddel' DNA in straf-zaken vooral op geloof. 'Wij moeten erop vertrouwen dat het overgrote deel van de bewijsstukken hier volgens wettige procedures wordt aangedragen. En ik geloof ook oprecht dat dat zo is.'

Een lichaam afpoetsen

Hannie en Richard Eikelenboom zijn sinds een jaar oproepbaar als een vermoord kind wordt gevonden. Op de plaats van het delict zitten ze vier, vijf uur lang over het kind gebogen, op zoek naar DNA-sporen. Dat heet 'een lichaam afpoetsen'.

Je moet, zegt Hannie, je inleven in de dader, om te weten waar je het DNA moet zoeken. Waar is het meisje vastgegrepen (huidcellen)? Waar heeft hij haar gekust (speeksel)? 'Dus een beetje persoonlijk afstand houden is er dan echt niet meer bij.' Op de DNA-afdeling hoef je alleen hun voornaam te noemen, en iedereen weet waarover je het hebt.

'Marianne oplossen, dat is iets waar je steeds op hoopt.'

'Vanaf Nienke gingen we zelf bemonsteren.'

'Met Anne kwam de stroomversnelling.'

'Yasmina, daar was ik bij.'

Marianne Vaatstra, Nienke Kleiss, Anne de Ruyter de Wildt, Yasmina Habchi. Maar ook Maartje Pieck, Andrea Luten, Sybine Jansons. Iedereen zal hier toegeven dat 'de meisjes' het DNA-onderzoek in strafzaken definitief op de kaart hebben gezet. 'Die zaken, die kennen geen prijs.' Door de meisjes werden de koele DNA-specialisten fanatiek. Door de meisjes zit Hannie op karate en begint Richard Eikelenboom in het weekend 'behoorlijk te malen thuis'.

Maar voordat hij dat toegeeft, ben je buiten het instituut. Bij een glas na werktijd mompelt hij: 'Harrie Janssen zegt: je laat de zaken niet goed los. Maar ik móét iets vinden.' Dus zit hij in een weekend boven een leeg vel papier. Nadenken. Kan op dat wurgkoordje nog een huidcel zitten? Collega Hannie had gezegd: 'Ik heb echt raar veel slaap nodig sinds ik hier werk.'

Richard Eikelenboom heeft geen nachtmerries. 'Maar ik droom ook niet. Het is meer een soort coma, ik herinner me gewoon niets.' Harrie Janssen heeft het onlangs bij de directie aangekaart. 'We moeten een opvanggroep formeren om mensen zo nodig door te verwijzen naar de psycholoog. Want we laten ze dit werk wel doen, maar wat gebeurt er achteraf?'

Binnen het instituut bestaat een opvallende weerzin tegen stille tochten. 'Een ramp', zegt patholoog Rolf Torenbeek. 'Zie je dat op tv, dan is je hele weekend verpest. Janken.'

De Grote Roergangers

Van oudsher waren de pathologen de Grote Roergangers van het forensisch-technische onderzoek. Ze worden arrogant, eigenwijs, of ten minste excentriek genoemd. 'Wij bekijken gewoon àlles. Aan de buitenkant en aan de binnenkant'. Dat zegt Rolf Torenbeek, die graag feestelijke brilmonturen draagt, tijdens een sectie. Hij raadde me aan de blik soms af te wenden, 'je hoeft je niet groot te houden', dus ik kijk naar dat montuur. Vandaag draagt hij een gele. Zijn twee assistenten hebben net een borstbeen doorgezaagd. Achter zijn hakblok snijdt Torenbeek in rap tempo wat ze hem aangeven. Een plakje nier. Een plakje long. Plakje lever. Hart. Milt. Hersenen.

Iedereen is afhankelijk van het oog van de patholoog. De meesten heten nog dokter, en U, en 'blijf met je poten van dat lijk af' zolang de patholoog het zegt. Hij mag eerst. Want met een miniem spoortje gif op een maagwand kun je de misdaad te pakken hebben. Maar een spoortje DNA kan naar de dader zelf leiden. En de patholoog kan die microscopische DNA-sporen van tegenwoordig vaak helemaal niet zien. Je moet weten waar ze zitten. Dus toen de meisjes vermoord werden, toen iedereen op het NFI 'die psychopaten' wilde 'pakken', toen is 'het pathologieproject' gestart. Sindsdien gaan specialisten van de DNA-afdeling bij lustmoorden met de patholoog mee.

Op de DNA-afdeling groeit sindsdien het verschil tussen 'de techneuten' en 'de speurneuzen'. De techneuten vinden dat je zo min mogelijk van verdachten moet weten om objectief te kunnen blijven. De speurneuzen, het trio van het pathologieproject, willen juist àlles horen van de politie, om geen DNA-spoor over het hoofd te zien. Ooit bezochten ze gewoon de hogere laborantenschool, nu voelen ze zich 'eerder politierechercheur'. In de lastigste zaken overleggen de 'speurneuzen' voortdurend met de technische en tactische recherche. Pas in combinatie daarmee kan DNA-onderzoek doorslaggevend zijn. 'Twee handen op één buik', noemt Richard Eikelenboom het contact met de politie. En samen voelen ze zich weer sterker tegenover de 'juristen'.

Het heilig ontzag voor justitie begint bij het NFI af te nemen. De 'juristen' weigerden het onderzoek naar de moord op de 18-jarige Anne de Ruyter de Wildt uit 1997 te heropenen, totdat de vader van het meisje dat wist af te dwingen. Het nieuwe politieteam dat werd geformeerd stond juist te trappelen, net als Richard Eikelenboom die de zaak vanuit het NFI coørdineerde. Inmiddels was het mogelijk DNA-mengprofiel te maken. Dagenlang heeft Eikelenboom het handmatig vergeleken met de inhoud van de databank. Hij vond twee spectaculaire hits.

Het eerste DNA-profiel hoorde bij een veroordeelde verkrachter. Het tweede anonieme DNA-profiel kwam van een oude sigarettenpeuk. Dat was in de databank gezet na heropening van het onderzoek naar een andere moord, op de 26-jarige Annet van Reen uit Utrecht in 1994. De verkrachter bekende de twee moorden meteen. Prompt gaf minister Korthals het NFI de opdracht alle onopgeloste moord- en zedenzaken opnieuw op DNA te onderzoeken. En Richard Eikelenboom werd aangesteld als coørdinator van de oude zaken die de politie aandroeg, de cold cases.

DNA-junk

Benk Korthals begon zijn ministerschap met reserves over DNA-onderzoek. Maar inmiddels kan ook hij de lokroep niet meer negeren. De tekst van de meest recente wijziging in de DNA-regelgeving lag eind vorig jaar al klaar voor behandeling in de Kamer, toen men al weer begon aan een geheel nieuw DNA-wetsontwerp. 'Het was altijd een beetje taboe hierover te praten, maar nu niet meer', zegt Ate Kloosterman. Zo snel gaat het nu.

Minister Korthals had Harrie Janssen, Ate Kloosterman en hun vakdirecteur Leo de Waal uitgenodigd voor een gesprek. In de moordzaak van Marianne Vaatstra kwamen DNA-onderzoekers van het Leidse Sylvius-laboratorium tijdens een contra-expertise tot de conclusie dat de dader 'waarschijnlijk' blank was. Justitie bracht dat al snel naar buiten. Bij alle verdachtmakingen tegen het asielzoekerscentrum in de buurt kwam het prachtig uit. Korthals vroeg de DNA-specialisten of justitie nog meer te weten zou kunnen komen over het signalement van een verdachte. Kon DNA dezelfde functie krijgen als een compositietekening?

Leo de Waal had wel vaker de vraag gekregen hoe groot het risico was dat justitie straks 'alles' van een verdachte zou kunnen weten. Dan legde hij altijd uit dat dat nog helemaal niet kón, omdat DNA-profielen uitsluitend uit het zogenoemde DNA-junk worden gemaakt, het DNA dat 'afval' is. Dat wordt zo genoemd, omdat niemand nog weet waar het precies toe dient. Persoonlijke eigenschappen zijn er helemaal niet te vinden. Van DNA is 99 procent junk. Genen waarin uiterlijke en erfelijke kenmerken zich openbaren, vind je alleen in de resterende één procent. In dit 'coderend' DNA moet je wezen om vast te stellen of een verdachte rood haar heeft. Nu zegt Leo de Waal: 'We slaan al het DNA dat we in huis hebben, natuurlijk al wel op.'

Veel meer dan een rode haarkleur, geslacht en een aantal rassen is vooralsnog niet vast te stellen. 'De rest hangt af van de resultaten van het Humane Genoom Project', zegt Ate Kloosterman. Afgelopen zomer maakte een internationale groep van DNA-onderzoekers wereldkundig dat 97 procent van de erfelijke code van de mens was ontrafeld. De DNA-wetenschap ontwikkelt zich nu zó snel, zegt Leo de Waal, dat je gewoon niet meer weet wàt van het DNA dat je in huis hebt straks óók van nut kan zijn. En dus antwoordden Leo de Waal, Ate Kloosterman en Harrie Janssen de minister: wie wat bewaart, heeft wat. En Korthals was het daarmee helemaal eens.

Terwijl de DNA-werkgroep van justitie nog discussieerde over het wetsontwerp over uiterlijke kenmerken, belandde de toekomst van het strafrechtelijk DNA-onderzoek zo alvast in de koelkasten van het NFI.

Wanneer wordt de volgende grens overschreden? Het NFI neemt deel aan een project met de veelzeggende naam Expansie DNA. En de risico's? Het is de vraag of het Nederlanders nog veel uitmaakt. Uit een nipo-onderzoek, vorig jaar, bleek dat 91 procent van de ondervraagden bereid was om zelf DNA-materiaal af te staan als dat een politie-onderzoek zou helpen. En bijna de helft vond dat justitie DNA van iedere Nederlander in een databank zou moeten opslaan om misdrijven sneller te kunnen oplossen. 'Dat gaat zelfs mij te hard', zegt Richard Eikelenboom. 'Dat het DNA van alle Nederlanders in de databank zou belanden, zie ik helemààl niet zitten. Dat geeft alleen maar ruis.'

Het wetsvoorstel over uiterlijke kenmerken? Het concept markeert een nieuwe grens: het is verboden verborgen erfelijke aandoeningen of ziekten in DNA-onderzoek vast te stellen. Nog wel. Want neem de ziekte van Recklinghausen, die vlekken en gezwellen veroorzaakt. Of het syndroom van Down. 'Er zijn erfelijke kenmerken die ook uiterlijk zichtbaar zijn', zeggen de DNA-specialisten. 'Dat moeten we echt eens op het ministerie bespreken.' M

Margriet Oostveen is redacteur van NRC Handelsblad.

Bas Czerwinski is freelance fotograaf en werkt regelmatig voor NRC Handelsblad.

[streamliners] Hier sluimert de trots van de forensische techneut. Als je zoveel high tech-middelen in huis hebt, dan wil je die gebruiken. Valt het begrip ethische dilemma's, dan gaan op het NFI nogal wat wenkbrauwen omhoog.

De sprong voorwaarts van de DNA-techniek functioneerde als een katalysator in de politiek. Als met DNA zoveel kon, zoveel kon,A zoveel kon, moest het dan ook niet meer mogelijkheden krijgen als opsporingsmiddel?

'Het is hier letterlijk gebeurd dat een technisch rechercheur een volle stofzuigerzak kwam afleveren . Handig!, dacht de recherche, even de plaats van delict zuigen. Alle igen. Alle haren en DNA-sporen in één keer beet!

Soms zitten ze vier, vijf uur lang over een vermoord kind gebogen: een lichaam afpoetsen.

De toekomst van het strafrechtelijk onderzoek is al opgeslagen in de koelkasten van het NFI.