`De leugen smaakt beter dan de waarheid'

Met zijn gespierde gestalte en gemillimeterd haar voldoet Arnold Karskens aan het clichébeeld van de oorlogsverslaggever als mannetjesputter. Maar zijn zakelijke inventarisatie van de Nederlandse oorlogsverslaggeving nuanceert dat. `De angst is altijd erger dan het gevaar dat je echt loopt.'

De verschijning deze week van Arnold Karskens boek Pleisters op de ogen, pleisters op de mond moet voor Els De Temmerman, in 1995 onderscheiden met de Prijs voor de dagbladjournalistiek voor haar reportages over de etnische slachtingen in Rwanda, een zware slag zijn geweest. Karskens toont op overtuigende wijze aan dat de gelauwerde verslaggeefster in Rwanda haar schokkendste ooggetuigenverslagen niet op waarnemingen met eigen ogen heeft gegrondvest.

Dat zij, die er prat op ging als een der heel weinige verslaggevers in Rwanda te zijn gebleven waar de wereldpers het grootscheeps liet afweten, op het hoogtepunt van de slachtingen slechts enkele dagen ter plaatse is geweest, veelal zonder het vliegveld van Kigali te verlaten.

Dat zij een filmdocumentaire met schokkende beelden uit Rwanda mede voor haar film heeft laten doorgaan, terwijl zij op het moment dat de bloederige beelden geschoten werden, veilig elders vertoefde. En als klap op de vuurpijl dat Els De Temmerman, vervuld van de overtuiging dat de Hutu's de daders waren en de Tutsi's de slachtoffers, stelselmatig aanwijzingen van slachtpartijen in omgekeerde richting heeft genegeerd.

Doodzonden in de ogen van Arnold Karskens, eigenlijk Nederlands enige échte oorlogsverslaggever. Een paar weken geleden zag ik hem nog in Amsterdam, als inspirator en leider van een informeel clubje dat zich half schertsend The First Dutch Club of War Correspondents noemt. Voor het merendeel bestaat dat clubje uit jonge freelance journalisten, die – onder soms zeer zware omstandigheden – hun sporen hebben verdiend op Ambon, in Oost-Timor, in Afghanistan of andere landen van hun liefde en keuze.

Wat Arnold Karskens (46) zeldzaam, zo niet uniek maakt in de Nederlandse journalistiek, is dat hij sedert het eind van de jaren zeventig min of meer op industriële grondslag de wereld afreist, van gewapend conflict naar burgeroorlog en weer terug. Suriname, Angola, Eritrea, Algerije, Sri Lanka, Irak, Sierra Leone, Jemen, Liberia, Kashmir – je kunt het zo gek niet bedenken of Karskens is er geweest, vaak voor Nieuwe Revu of de VPRO.

Vijf jaar heeft Karskens gewerkt aan Pleisters op de ogen, pleister op de mond, een zeer uitgebreide, en kritische geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving sedert de Slag bij Heiligerlee (1568). We spreken elkaar in het café met de toepasselijke naam À la mort subite in zijn woonplaats Brussel.

Misschien is het toch meer een kloek essay dan een uitputtende geschiedenis. Want met een zekere graagte breekt Karskens de staf over bijna alle van de tientallen verslaggevers die hij behandelt. Als ze al niet schijterig de benen hebben genomen toen het nét interessant werd, dan waren ze toch wel vooringenomen en verzwegen ze waarnemingen die hun visie niet ondersteunden – of het nu gaat om de Napoleontische oorlog tegen Rusland of de Joegoslavische burgeroorlog maakt bitter weinig verschil.

Het geval-De Temmerman is een spectaculair geval, maar eerder regel dan uitzondering in de Nederlandse journalistiek, vindt Karskens. Duidelijk niet iemand die louter van huis gaat om vrienden te maken, hoe gezellig we misschien ook vanmiddag de Westmalles achterover laten klokken. Slechts heel af en toe kan een reporter Karskens goedkeuring wegdragen, zoals de in 1960 overleden Alfred van Sprang, veteraan-verslaggever tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië, Korea en elders.

,,Ik kan het niet hebben'', verklaart Karskens zijn over het algemeen harde oordeel. ,,Mensen die niets meegemaakt hebben, en dat dan achteraf opblazen. Als de werkelijkheid minder erg en minder duidelijk is dan ze zelf hadden verwacht of dan hun opdrachtgevers verwachtten, dan verzinnen ze die. De leugen smaakt beter dan de waarheid.'' Het is ook gevaarlijk, meent hij, die loopjes met de waarheid en de eigen waarneming. ,,Ik ben ervan overtuigd dat de mensen door al die overdrijving op den duur niet meer zien waar in deze wereld de échte gevaren liggen.''

Een ander argument waarom Nederlandse verslaggevers te velde het maximale moeten geven in conflictgebieden is ook dat je anders, meent Karskens, nauwelijks als journalist Nederlandse militairen, zoals bij de val van Srebrenica, iets verwijten kunt. ,,Waarom zou je een ander zijn passieve houding verwijten, en niet die bij jezelf?''

En dan is er natuurlijk de beroepseer, of preciezer gezegd de verantwoordelijkheid van de journalist jegens degenen over wie hij rapporteert. ,,Iedereen die verslag doet van een oorlog is een oorlogsverslaggever, en als je daarvoor kiest moet je ook je maximale best doen en niet, zoals bijvoorbeeld de meeste verslaggevers vorig jaar in Oost-Timor na de dood van Sander Thoenes, de benen nemen bij het eerste schot. Van een brandweerman verwacht je ook niet dat-ie zegt: voor mij alleen maar kleine brandjes.''

Angstvirus

,,Een dagje binnen blijven, oké. Er bestaan fysieke grenzen. Maar als je geen risico's wilt nemen, dan moet je thuis blijven. Natuurlijk was er na de dood van Thoenes juist alle reden om te blijven, zoals bijvoorbeeld Minka Nijhuis van Trouw heeft gedaan. Maar ja, het angstvirus brak uit onder de Nederlandse verslaggevers. Algehele uittocht.''

Het is niet dat Karskens zelf nooit last heeft van angst. In een vorig boek, Berichten van het front uit 1995, heeft hij het uit eigen ervaring treffend beschreven: dat misselijkmakende gevoel op je hotelkamer voordat je je in het gevaar stort, die diffuse gedachten over wat je in godsnaam heeft bewogen om naar dit godvergeten oord waar ze mekaar van kant maken te gaan, verbonden met de zorg, bij vlagen zekerheid dat boontje om zijn loontje zal komen, dat je zult krijgen waarom je gevraagd hebt en zeer waarschijnlijk een gruwelijke dood tegemoetgaat.

Maar we moeten niet overdrijven, vindt Karskens. ,,De angst is altijd erger dan het gevaar dat je echt loopt. Echt geweld – een vuurgevecht, een aanval met helikopters of een mortieraanval – is meestal in een flits voorbij. En dan: echt in de frontlinie kom je als verslaggever maar zelden, omdat daar niet zo heel veel over te vertellen valt. Het echte verhaal ligt meestal in de tweede linie, bij de burgers, in de ziekenhuizen. Het verschil tussen de angst voor de oorlog en de echte oorlog is te vergelijken met de soapserie Medisch Centrum West, waarin het medisch bedrijf één aaneenschakeling van heftige gebeurtenissen lijkt, en een dokterspraktijk in Amsterdam-Noord. Meestal gebeurt er gewoon geen fuck.''

Deze saaie kant van de oorlog is de bron van veel overdreven, verzonnen of overspannen oorlogsverslaggeving, denkt Karskens. ,,Je kunt natuurlijk moeilijk, als een krant of omroep je op pad stuurt in de verwachting een eigen man of vrouw te hebben die de meest verschrikkelijke dingen zal zien, na een paar dagen terugkomen met het verhaal: het viel nogal tegen. En bovendien is het nog zo dat je veel risico's neemt, die achteraf niks blijken op te leveren. Dan ligt het misschien ook wel voor de hand, dat er zo veel oorlogservaringen door verslaggevers verzonnen of overdreven worden. Redacties hebben nu eenmaal vaak een uitgesproken idee van de ideale oorlog: die moet niet al te lang duren, en een duidelijke winnaar hebben. En liefst een winnaar die het morele recht aan zijn zijde heeft, natuurlijk. Dan verkoopt-ie het best.''

Langs dezelfde redenering heeft Karskens weinig op met journalisten of vredessoldaten die na afloop van hun missie verschijnselen van posttraumatische stress zeggen te hebben. ,,Angst slijt in de ziel langzamer dan geweld, dat is zeker. Posttraumatische stress vind je het meest bij mensen die niet zo heel veel hebben meegemaakt. Als je mij vraagt gaat het vaak om mensen die bepaalde problemen al van huis hadden meegenomen. Posttraumatische stress vind je trouwens ook bij secretaresses die andermans verslagen moeten overtikken.''

De man die deze stellige uitspraken doet, ziet er niet uit als iemand om ruzie mee te krijgen: gemillimeterd haar, gespierde gestalte. Maar de indruk dat Karskens een mannetjesputter is, bedriegt – vindt hij zelf. ,,Je hebt het zelf gezien laatst, met dat clubje. Het zijn allemaal aardige, goedhartige mensen.'' Natuurlijk is hij zelf na al die jaren aardig aan geweld en dreiging van geweld gewend geraakt, vertelt hij. Maar eigenlijk leidt hij een heel gewoon leven, burgerlijk bijna: een (Belgische) vrouw thuis, twee dochters, een zoon. ,,Het helpt wel dat ik mijn vrouw onder oorlogsomstandigheden heb ontmoet, toen we beiden als journalist in Noord-Ierland waren.''

Zijn concessie aan de voorzichtigheid bestaat eruit dat hij niet meer zonder een bepaalde opdracht naar een oorlogsgebied vertrekt. ,,Dat misselijkmakende gevoel van angst ligt natuurlijk vooral op de loer, als je ergens zonder duidelijk idee voor een verhaal heen gaat. En dan maar wachten, wachten.'' Dus gaat Karskens nu steeds met een onderzoeksopdracht op stap. Maar nog steeds met wisselend succes, zo is het leven. ,,Ik ben net terug uit Honduras. Er was een verhaal over de moord op duizend kinderen door doodseskaders. Allemaal lulkoek, verzonnen door een plaatselijke hulporganisatie die om geld verlegen zit.'' Meer succes had hij met zijn vorige opdracht, een minutieus en geslaagd onderzoek naar de wording van de foto van dat doodgeschoten 12-jarige jongetje Mohammed al Dura en zijn vader, in de Israëlische bezette gebieden vorig jaar.

Rondvliegend lood

Hang naar gevaar, naar grenservaringen? Waarom kiest iemand in vredesnaam een beroep waarbij hij voortdurend zijn nek in een strop lijkt te steken en zich omringt met wapendragende geweldenaren en rondvliegend lood? ,,Omdat ik van reizen hou'', klinkt het op het eerste gehoor niet zeer overtuigend. ,,Het geluid van vertrekkende vliegtuigen, daar word ik helemaal gelukkig van.'' Vooral in het begin van zijn carrière, vertelt Karskens, was de oorlogsverslaggeving een goedkope manier om de wereld te zien. Nog, denkt hij, is dat een motief voor veel beginnende oorlogsverslaggevers. Voor het meetrekken met een guerrilla bijvoorbeeld hoef je maar weinig geld van huis mee te nemen: ,,Je krijgt immers kost en inwoning.''

Ter adstructie vertelt Karskens het verhaal van zijn jeugd. Hoe hij, als zoon van een boer in de Beemster, eenmaal per jaar naar het skûtsjesielen in Grouw ging, als opperste reiservaring. ,,En altijd voor melkenstijd weer terug, natuurlijk.'' En hoe hij, als werkend lid van de PSP, op een dag in de jaren zeventig naar El Salvador reisde, aanvankelijk om de arme bevolking daar zijn diensten als timmerman of metselaar aan te bieden – iets waaraan gezien de hoge werkloosheid ter plaatse niet de minste behoefte bestond. En hoe hij toen maar besloot om solidaire artikelen voor een PSP-blad te gaan schrijven – precies het soort geborneerde solidaire verslaggeving dat hij nu, zo'n 25 jaar later, zo verfoeit. Op een dag echter kwam hij er, tot zijn stomme verbazing, tijdens een bezoek aan de openbare bibliotheek van Willemstad (Curaçao) bij toeval achter dat er zoiets als een School voor de Journalistiek bestond, dat artikelen schrijven iets was wat je kon leren. Hij gaf zich onmiddellijk op. Zo is het gekomen.

Maar dat is allemaal niet toereikend als verklaring waarom iemand oorlogsverslaggever wordt. Hele volksstammen studeren tenslotte af aan de School voor de Journalistiek zonder ooit de minste roeping te gevoelen om – zoals Karskens eerder op deze lange middag smakelijk heeft zitten vertellen – ooit uit opstandelingengebied in Noord-Jemen te ontsnappen door zich als Jemenitische vrouw te verkleden. Er moet meer zijn, maar de geharde reporter is slechts met grote moeite tot confidenties op dit punt te verleiden.

,,Het is natuurlijk ook wel de kick van het overleven'', zegt hij na lang aandringen. ,,Je leert dat je je best staande kunt houden. Je vindt iets en je test iets. Het is de kunst je rug recht te houden. En het mooie van oorlog is dat je in korte tijd vaak een sterke binding krijgt met de mensen in je omgeving. Overleven is een oerinstinct, en mensen die zeggen dat oorlog zo verschrikkelijk is, die jokken meestal een beetje – tenzij ze echt slachtoffer zijn geworden. Oorlogsfilms zijn niet voor niets zo populair.''

Inmiddels zijn we vele uren en Westmalles verder. Een prachtberoep, oorlogsverslaggever – dat is duidelijk. Gewoon doen. Of nog heel even wachten, want Karskens heeft als derde boek een handleiding voor beginners in de zin.

Arnold Karskens, Pleisters op de ogen, pleister op de mond. Uitg. Meulenhoff, 376 pp., ƒ45

Angst slijt in de ziel, langzamer dan geweld, dat is zeker

Mensen die zeggen dat oorlog zo verschrikkelijk is, jokken meestal een beetje