DE GEVOLGEN VAN PLAN COLOMBIA

Colombia maakt zich op om in de zuidelijke provincie Putumayo de coocateelt uit te roeien en de guerrilla te verdrijven. Amerika steunt deze oorlog met materieel en manschappen. Nederland gaf de Amerikanen twee jaar geleden toestemming de luchtmachtbases op Curaçao en Aruba te gebruiken.Een tocht langs guerrilleros, parramilitairen en Colombiaanse legereenheden, en een bezoek aan de cocaboeren, die wachten op het einde.

'Wat we niet allemaal voor Nederland overhebben', zegt commandant Angel. Met vier guerrilleros ssstapt hij in onze rammelende taxi. We hadden de taxi toch, dus waarom zouden we Angel en de zijnen niet even een lift geven? Hij wil ook best op de foto, straks, daar, bij die wegblokkade. 'En dan te bedenken dat ik voetbal het enige goeie van Nederland vind', zegt Angel, terwijl hij zijn kalasjnikov achteloos over mijn schoot legt. 'Het beste voetbal ter wereld. Al dertig jaar.' 'Maar ze winnen nooit, Angel. Zoiets als jullie. Veertig jaar oorlog voeren, maar nooit gewonnen.' Angel trekt zijn mond in een pruil. 'We hebben meer dan zestig regeringssoldaten in gijzeling', zegt hij. 'En we controleren veertig procent van het Colombiaanse grondgebied. Is dat niet winnen soms?'

Bij de wegblokkade stoppen we voor de foto. Er wordt gegrapt, gestoeid en gezoend. Op het eerste gezicht lijkt dit door de guerrillabeweging farc (het Revolutionaire Leger van Colombia) beheerste gebied nog het meest op een pretpark. Bij de wegblokkade staan vier jongens- en vier meisjesguerrilleros. Ze zuigen op zelfgemaakte waterijsjes. 'Wel leuk', antwoordt de jonge vrouw op de vraag hoe ze het bij de guerrilla vindt. Ze heeft net haar lippen wat bij staan stiften. Nu dolt ze rond met een van haar jonge collega-strijders. Waarom is ze bij de guerrilla gegaan? 'Nou gewoon', zegt Raquel blozend van verlegenheid. Maar het is toch een enorm verschil met haar vroegere leven? 'Dat ik niet meer thuis woon, maar bij de farc, ja.' Op de vraag wat haar ouders ervan vinden, prutst ze wat aan het glimmende m-16 geweer dat over haar schouder hangt.

Zoals bijna alle zeventienduizend strijders van de farc is ook Raquel een boerendochter. Ze komt uit de buurt van San Vicente de Caguan, het grootste dorp van de guerrilla-vrijstaat die sinds twee jaar hier in het hart van Colombia bestaat. President Andres Pastrana gaf het gebied in voorlopige 'bruikleen' aan de farc. Toen hij bijna drie jaar geleden aantrad, zat de besnorde advocaat vol plannen voor vrede in zijn land.

De conservatief Pastrana erfde een hopeloze situatie van zijn voorganger, de liberaal Samper. Colombia is de grootste cocaïneproducent ter wereld. Amerika pompt al jaren miljoenen voor drugsbestrijding in het land, tot nu toe zonder enig succes. Samper financierde zijn verkiezingscampagne met drugsgeld. De linkse guerrilla werd steeds mach- tiger. Door 'belasting' op cocaboeren en drugshandelaren te heffen, beschikte de farc over kapitaal om de modernste wapens aan te schaffen. De linkse rebellen wonnen slag na slag van een corrupt en gedesorganiseerd leger. Toen Pastrana aantrad, bleek dat hij over de helft van het Colombiaanse grondgebied niets meer te vertellen had.

Rechtse doodseskaders

Behalve de linkse guerrilla zijn in Colombia ook altijd rechtse, aan het leger gelieerde doodseskaders actief geweest. Sinds acht jaar zijn deze groepen georganiseerd in de Autodefensas Unidas de Colombia (auc), de gewapende 'zelfverdediging', in het dagelijks spraakgebruik de paramilitairen genoemd. De leider van de paramilitairen - de 36-jarige grootgrondbezitterszoon Carlos Castano - begon zijn carrière als killer van de beruchte drugsbaas Pablo Escobar, die in 1993 door de politie werd doodgeschoten. Ook de paramilitairen worden gefinancierd door de drugshandel, en door de machtige clan van conservatieve grootgrondbezitters die hen als hun privé-leger beschouwen. Ze beheersen inmiddels grote gebieden in het noorden van Colombia en zetten hun doodseskaders nu vooral in het midden en zuiden van het land in. Ze vallen dorpen binnen, slepen burgers uit hun huizen en snijden tien of twintig mensen voor ieders ogen de keel af. 'Als je de vis wilt vangen, moet je eerst het water weghalen waarin hij zwemt', zo legde Castano me vorig jaar zijn strategie uit. In Colombia zijn inmiddels 2,5 miljoen ontheemden. De paramilitairen hebben een nauwe band met het leger, dat hen bescherming, munitie en wapens levert. Veel van hen zijn ook ex-militairen.

Het plan dat Pastrana voor zijn land bedacht was even simpel als revolutionair: het leger fatsoeneren, de banden met de paramilitairen doorsnijden, en vredesonderhandelingen beginnen met de guerrilla. Al voor zijn aantreden reisde Pastrana in het geheim naar de jungle om de leiders van de farc te overtuigen. Schoorvoetend stemde de guerrilla in, op voorwaarde dat ze een eigen 'gedemilitariseerde' zone kregen om de vredes- onderhandelingen te voeren. Twee jaar geleden werd de zone ingesteld, een gebied zo groot als de Benelux, compleet in handen van de guerrilla. De Amerikanen moesten er niets van hebben, en ook het leger verzette zich tegen dit 'Farcolandia'. Maar Pastrana hield hen voor dat je iets over moet hebben voor vrede.

Koeien en palmen

Vanaf de wegblokkade bij de 'hoofdstad' San Vicente rijden we naar het jungle-kamp waar de farc de onderhandelaars van de regering ontvangt. Een lieflijk landschap, vol koeien en palmen. De onverharde weg wordt omzoomd door borden met al even lieflijke teksten. 'Zorg voor de kinderen'. 'Hak geen bomen om'. Het klinkt niet als het marxistische geronk dat men zou verwachten van de oudste en grootste linkse guerrillabeweging ter wereld.

'Scholen, ziekenhuizen, landhervormingen', zegt Raul Reyes, als we de oude commandant aan het eind van de middag vragen naar de eisen van de farc. Op het eerste gezicht zijn het brave sociaal-democratische programmapunten, maar daar is nog niemand aan toegekomen. Sinds 7 januari 1999 heeft de guerrilla de besprekingen drie keer afgebroken, steeds om dezelfde reden: Pastrana moet de banden tussen paramilitairen en leger verbreken. Aan die eis kan Pastrana niet voldoen, omdat hij niet genoeg macht over het leger heeft. Vorige maand zijn de onderhandelingen met de farc weer hervat, na een ontmoeting tussen Pastrana en rebellenleider Marulanda in de gedemilitariseerde zone.

De meeste Colombianen hebben hun vertrouwen in het vredesproces allang verloren, blijkt uit opiniepeilingen. Ligt het ook niet aan de koppige houding van de farc dat de vredesbesprekingen steeds stuklopen? Wil de farc eigenlijk wel vrede? Raul Reyes haalt zijn schouders op. 'Wij hebben de tijd', zegt hij. 'We vechten al meer dan vijftig jaar. En geloof me, we hebben nog minstens vijftig jaar de tijd. We leven in de jungle, en hebben het geduld van fakirs op een spijkerbed.'

Inderdaad. Al tien jaar voordat Castro en Che Guevara de wereld verbaasden met hun revolutie op Cuba, zaten Raul Reyes en zijn kompanen met een geweer in de Colombiaanse bossen. In 1949 nam de Liberale Partij de wapens op tegen de Conservatieven. Vier jaar lang woedde er een burgeroorlog, waar- Ýbij 200.000 doden vielen. De boerenzoon Manuel Marulanda, bijgenaamd Tirofijo (Altijd-raak), was een van de commandanten van de guerrilla van de Liberalen. Toen de Liberale Partij in 1953 een akkoord met de conservatieven sloot, gaven de meeste guerrillastrijders gehoor aan de oproep van de partij hun wapens neer te leggen. Maar Tirofijo en zijn boeren gingen door. Negenenveertig jaar later is Marulanda nog steeds de baas van de oudste en machtigste guerrillabeweging ter wereld.

Najaar 1999 presenteerde president Pastrana zijn Plan Colombia. 7,5 miljard dollar voor bestrijding van de guerrilla en besproeiing van de cocavelden in de zuidelijke provincie Putumayo. Het Plan Colombia, zegt Reyes, is een 'perversie' die door de Verenigde Staten aan Pastrana is opgedrongen. De strijd tegen de drugs zou alleen een 'voorwendsel' zijn. Want in de praktijk gaat het om het uitbreiden van de Amerikaanse belangen in de regio. 'Ook de farc is tegen de drugshandel', zegt Reyes. 'Wat ons betreft is elke drugshandelaar een maffioso die gestraft dient te worden.' Maar we moeten handel en productie niet met elkaar verwarren. 'Waarom zouden arme Colombiaanse boeren, die geen alternatief hebben, slachtoffer moeten worden van een oorlog die alleen gevoerd wordt omdat de Amerikanen in eigen land niet kunnen voorkomen dat yuppen en jongeren coke in hun neus stoppen?'

'Onmenselijk' vindt hij dat, en 'dom'. Want 'wij zullen die oorlog toch winnen'. De oorlog zal overslaan naar Ecuador, Brazilië, Venezuela en Panama, voorspelt Reyes. 'De Amerikanen beseffen nog niet dat de hele regio in brand komt te staan.' Wat wil de farc nu eigenlijk, vragen we Reyes. 'De macht', zegt hij plompverloren. 'De volledige macht. Ja, tot en met Bogota. Tot en met het presidentiële paleis.'

'B-es-t-e com-pa-ñ-eros'. Bijtend op het puntje van zijn tong schrijft Reyes aan het het eind van de middag een aanbevelingsbriefje voor zijn ondergeschikten. We willen naar de Putumayo, het gebied in het zuiden waar volgens het Plan Colombia zometeen de oorlog losbarst. Een vuil papiertje met de bibberige letters van Reyes moet onze passe-partout door de oorlog worden.

Naveltruitjes en cowboylaarzen

Die avond is het Saturday Night in de hoofdstad van Farcolandia. De meisjes rijden in strakke naveltruitjes op ronkende motoren over het dorpsplein van San Vicente. En de jongens zetten, met versgepoetste cowboylaarzen, de ene fles bier na de andere aan hun mond. In het internetcafeetje, tegenover de kerk, halen guerrilleros hun laatste hotmails op. 'Het zal heel moeilijk zijn straks in de bergen weer zonder computer te moeten', zegt Angel, die nog snel even zijn vrouw mailt. Voor hem zijn het de laatste weken in de bewoonde wereld. Straks moet ook hij de Putumayo in.

In de stoffige straten van het dorp wordt de sfeer intussen steeds uitgelatener. Drank, nog meer drank, en hier en daar kleine opstootjes. De farc-rechtbank is nu gesloten. Een tent en een tafel. Eerder op de dag zagen we hoe een schele guerrillastrijder er voor rechter speelde. Geen dossiers, geen hamer, geen advocaten, niets. Elk probleem wordt mondeling en binnen een dag 'opgelost'. Van moord tot overspel, van burenruzie tot erfkwestie. De klager doet zijn verhaal en de guerrilla 'overtuigt' de dader ervan dat hij de zaak beter snel recht kan zetten. Zoals bij die veeboer die een gestolen auto gekocht zou hebben. Bevend verscheen de vermeende oplichter voor de schele guerrillero, met een dik pak geld, om ter plekke zijn miskoop te 'vergoeden'.

'De wet van de bergen', noemen de Colombianen dit rechtssysteem. Al eeuwenlang zijn het gewapende groepen die voor de 'orde' zorgen. De overheid is meer schijn dan werkelijkheid. De realiteit heeft andere gedaantes. Het zijn vreemde momenten waarop de donkere onderbuik van Colombia plotseling openscheurt.

Ook vanavond in San Vicente gebeurt het. Er wordt gefeest en gelachen en geflirt. Maar opeens is het of de mensen elkaar een geheime code geven, een teken dat er gevochten moet worden. Daar, op de kruising, bij de poolhal, schuin tegenover drankwinkel Licores People. Plotseling trekt een oude boer zijn machete. Straalbezopen haalt hij uit naar de omstanders. Sneller en sneller. Steeds meer mensen drommen om hem heen. Lachend, gillend, willen ze dood in de ogen kijken. Maar dan verschijnt de guerrilla. Als goedgetrainde Engelse bobby's ontwapenen ze de messenslingeraar. En als bij toverslag komt ook de menigte tot bedaren. Een guerrillera beveelt een dronken man zijn sokken en schoenen uit te doen. Rustig, op blote voeten, loopt hij even later de nacht in.

Rondcirkelende gieren

Via Bogota vliegen we naar het zwaarbewaakte vliegveld van Puerto Asís, in het hart van de Putumayo. Volgens het Plan Colombia moet de oorlog tegen de coca en de guerrilla zometeen hier beginnen. Het wachten is nog op de zestig gevechtshelikopters die de Amerikanen in juni zullen leveren. Ook zijn nog niet alle anti-drugsbataljons klaar die door Amerikaanse experts in Colombia getraind worden.

Toch is het ook zonder de Amerikanen al oorlog. Nog geen tien uur geleden is hier een bom ontploft. De luiken voor de slagerswinkel zijn ingedeukt van de knal. Op de pui zit bloed. Ook de discotheek aan de overkant is aan flarden. Een neonlamp bungelt aan een uitgerukt snoer. Boven de stad cirkelen gieren. Ze zitten op de draden van de telefoon die het niet meer doet, en op de witte vlaggen die de mensen hebben uitgehangen omdat ze vrede willen. Iedereen weet dat de bom van gisteravond geplaatst is door de guerrilla. Als 'straf', omdat de gemeente na zes weken de elektriciteit weer had aangesloten, vertellen de mensen. Omdat de bevolking niet meer gehoorzaamde aan de door de farc afgekondigde verduistering van de stad. Maar niemand praat over de ontploffing. Het leven gaat door. Alleen in het kleine ziekenhuis liggen nu zeventien nieuwe gewonden. En vier van de gestaag aangevoerde stroom lijkkisten zijn gevuld met verse doden.

'Dit is vernederend', zegt do-a Marta, die met een stuk hout in een enorme pan met rijst roert. Ongeveer honderd kinderen en volwassenen wachten met een bord in de hand tot de rijst klaar is. Groente is er al weken niet meer, zegt do-a Marta. Bonen steeds minder, en geen stukje brood of andere suikerhoudende dingen. Marta is de baas van de gaarkeuken van de volkswijk Villa Paz. Sinds de farc alle wegen in de Putumayo heeft geblokkeerd, heeft de bevolking van Puerto Asís eigen gaarkeukens opgezet. Het voorkomt dat de mensen vechten om het weinige voedsel dat het leger in opdracht van de regering het gebied binnenbrengt. 'We moeten hier nu allemaal onze hand ophouden', zegt Marta boven het geraas van een laagvliegende legerhelikopter uit.

Marta was wasvrouw, haar man losser. Maar sinds de regering dat Plan Colombia bedacht, gaat alles hier mis. Door de blokkade van de farc is er geen eten. En door de dreigende oorlog ook geen werk. 'Niemand heeft ons het Plan Colombia uitgelegd', valt Manuel haar bij. Hij is de gemeenschapsleider van de buurt. 'Maar ik zal u vertellen wat we hier van het Plan begrijpen: het betekent nog meer geweld, en nog meer oorlog.' Opnieuw verstomt het gesprek door een overwiekende helikopter. 'Weet u wat de Putumayo aan het worden is?', zegt Manuel als het ding is overgevlogen. 'Het Vietnam van de Amazone.'

Zevenhonderd doden

'De mensen worden vermalen in een oorlog waar zij niet om hebben gevraagd', zegt de personero, een soort 'vertrouwensofficier' die een aanklacht bij justitie kan indienen, uit naam van burgers die voor hun veiligheid anoniem moeten blijven. Het is een stralende man in een snikheet kantoortje naast de kerk van Puerto Asís. Opkomen voor bedreigde burgers: de personero heeft een van de gevaarlijkste banen in Colombia.

Voorzichtig doorbreekt de personero het zwijgen van de stad. Hij haalt een paar verklaringen uit zijn archief te voorschijn. 'Ik getuig hoe paramilitairen met geweld de bevolking onderwerpen, afpersen en doden', lezen we in de verklaring van een voormalige politieagent uit Puerto Asís. Drie jaar geleden namen ongeveer 600 ultrarechtse paramilitairen de stad in, vertelt de personero. Sindsdien zijn meer dan 700 mensen vermoord. Tachtig procent door de paramilitairen, tien procent door de guerrilla, en tien door familietwisten. De politieagent is ergens ondergedoken, maar anderen hebben hun anonieme aanklacht niet overleefd. 'Kaalgeschoren, met littekens van acné op zijn gezicht, blank, robuust en op sportschoenen', zo beschreef een inmiddels overleden getuige de commandant van de paramilitairen tegenover de personero. De leider van het doodseskader in Puerto Asís is de voormalige legerluitenant H. 'Ik was getuige van een moord die H. persoonlijk beging. In bar Mirador doodde H. de oude F.M. voor de simpele misdaad dat hij zich niet door de paramilitairen wilde laten fouilleren. Onmiddellijk trok H. zijn wapen en doorzeefde de oude man met kogels, voor de verstarde ogen van alle aanwezigen.'

Bladzijden lang gaan de getuigenissen door. Over die twee boeren die zomaar, midden op straat, door de paramilitairen werden doodgeschoten, omdat ze voedsel aan de guerrilla zouden hebben verkocht. Maar ook over die man, door de guerrilla vermoord, die aanspoelde op de oever van de rivier bij de stad. Over de zwarte four-wheel drive waarmee de para's hun slachtoffers naar hun hoofdkwartier brengen, om ze daar voorgoed te laten verdwijnen. En over het afpersen van winkeliers en caféhouders.

Speciale aandacht is er in de verklaringen voor de nauwe samenwerking van de para's met het leger en de politie. De paramilitairen worden dan ook de 'neefjes' genoemd. De neven van het officiële gezag, die vooruit worden gestuurd om de vuile oorlog te voeren.

Pratende achterzak

'Dit is een oorlogsziekenhuis', zegt verpleegster Cecilia Guapacha en wijst om zich heen. 'We doen hier alles met niets.' Ze leidt ons langs de morsige bedden, langs het zuurstofapparaat zonder zuurstof, de sterilisatiekamer die niet steriel valt te maken. Dan moet ze weer terug naar haar patiënt: een man met twee flinke messteken in zijn longen. Cecilia prutst wat buisjes door zijn lijf, terwijl buiten de kamer een vierkante man met een geschoren hoofd staat. Opeens begint zijn achterzak te praten. Snel trekt de man zijn mobilofoon, en loopt de gang in om ongestoord te kunnen praten. De personero vertelde het al: ook het ziekenhuis staat onder controle van de paramilitairen.

In het lijkenhuis is vanavond een dode binnengebracht. Cecilia brengt ons er naartoe. Een gebouwtje in de tuin van het ziekenhuis. De verpleegster duwt de piepende deur open. Daar ligt hij, naakt onder een gele peertjeslamp. De dode heeft een snor, een dikke buik, en een rood kogelgat in zijn borst. We staan een tijdje te kijken. De lamp beweegt zachtjes in de tocht. Dan stapt een klein energiek vrouwtje binnen, met aan haar arm een plastic emmer. Uit de emmer haalt ze een zaag, een hamer en een beitel. Ze is de lijkschouwer. Met een harde klap gooit ze de deur dicht. 'Het was een drugsdealer uit Cali', legt gemeenschapsleider Manuel later uit. De man was die middag op het plein van zijn eigen wijk geëxecuteerd. 'Door de neven, ja', zegt Manuel. Wie weet had de drugsdealer zijn afdrachten aan de paramilitairen niet betaald. Want ook de para's verrijken zich aan de coca. 'Dat spul is de motor van deze oorlog.'

De mensenrechten wegdoen

Hij heet Hugo en er groeit haar uit zijn neus en uit zijn oren. Hij loopt door de tropische hitte in een wollen geruite broek, en hij houdt van geld. Voor veel te veel ervan wil hij ons wel naar het hoofdkwartier van de paramilitairen rijden. Een villa, ongeveer tien kilometer buiten de stad, vlak naast de grote legerbasis. 'De enige oplossing voor Colombia is de mensenrechten wegdoen', verkondigt Hugo, terwijl hij in zijn oude rammelwagen over de weg tuft. 'De guerrilla doet gemene dingen, maar het leger mag niets gemeens terugdoen.' Hij trekt even aan zijn zoveelste gebietste sigaret en vervolgt: 'Daarom hou ik van de paramilitairen. Die mogen de mensenrechten wel overtreden.'

Tegen de tijd dat we bij de villa komen, is Hugo er toch niet helemaal gerust op. Hij manoeuvreert zijn auto net zo lang tot niemand kan zien waar hij zijn passagiers heeft afgezet. We duwen een piepend hek open en lopen over een lange oprijlaan. Links en rechts zijn vijvers aangelegd. Verderop ligt het huis, groot, wit, met zwembad. Na lang roepen komt er eindelijk een wachter aansloffen. De man zegt dat we 'verkeerd geïnformeerd' zijn. Er zijn hier geen paramilitairen.

Duidelijk opgelucht zet Hugo zijn auto in de versnelling. Dan maar een bezoek aan de grote legerbasis van Santana, drie kilometer verderop. Hier vandaan zal straks de door de Amerikanen gefinancierde Push into the South beginnen.

Vriendelijke soldaten achter zandzakken vragen wie we willen spreken. De generaal, Mario Montoya himself? Ja hoor, valt te regelen. Binnen vijf minuten staan we op het terrein van de basis. Vers aangevoerde troepen trainen een helikopterlanding. Anderen staan in de rij voor hun rantsoen. 'Is Nederland ver?', willen de soldaten weten. 'Hoe duur is een ticket, kunnen we mee, is er werk?' Maar jullie moeten toch vechten voor het Plan Colombia? Een van de jongens haalt zijn schouders op. 'Hier zal toch nooit iets veranderen.'

'Señorita', roept de generaal. 'Daar ben ik dan, helemaal voor u.' Tussen de hanen, de kippen en de honden komt de generaal aangelopen. De basis van Santana is nu de belangrijkste legerbasis van Colombia, maar heeft meer weg van een tropisch dierenpark. 'Lorre, lorre, kom dan!' Generaal Montoya lokt een kleurig papegaaienechtpaar uit de boom. Hij stuurt een soldaat om een gebakje. Pas als de vogels dat op hebben, is er tijd voor een gesprek. De generaal ploft neer op het bankje tussen de hanen.

Lyrisch is hij over de Amerikaanse hulp aan Colombia. Met glimmende ogen praat de generaal over de nieuwe helikopters die hij van Amerika krijgt. Over de communicatie-apparatuur en de speciale troepen. 'Ik weet zeker, heel heel zeker, dat we met de steun en hulp van de Amerikanen en de hele internationale gemeenschap deze oorlog zullen winnen. De farc is het grootste drugskartel ter wereld. Dat is bewezen. Want anders zouden ze niet tegen het Plan Colombia zijn.'

Maar hoe zit het dan met de paramilitairen die naast zijn basis huizen? Natuurlijk, zegt Montoya, moeten ook zij bestreden worden. 'Maar de paramilitairen zijn hier in de Putumayo niet echt een probleem.' Toch is de generaal zich ervan bewust dat het Colombiaanse leger een zeer slechte reputatie heeft op het gebied van de mensenrechten. President Clinton moest voor de miljardensteun aan Montoya's leger zelfs twee keer het Congres omzeilen. De afgevaardigden wilden eerst meer aanwijzingen hebben dat de banden tussen leger en paramilitairen zullen worden doorgesneden.

'Daarom zal ik jullie nu een verrassing laten zien', zegt Montoya. Hij beent naar een barak met een miniatuur kerktorentje ernaast. Boven op de barak staat een kruis. Binnen in de barak heeft de legerpriester een factsheet over het altaar gehangen met 'Leven-God-Mensenrechten' erop. Onwennig zitten de kadetten van de anti-guerrilla-eenheid op de kerkbankjes. 'Jullie zeggen natuurlijk: het is de vijand die ontvoert, martelt en verkracht. Toch moeten wij zeggen: zelf willen we niet ontvoeren en martelen. Niet alleen omdat we christen zijn, maar ook omdat we daardoor onze eigen mensen verliezen. Weten jullie hoeveel uitstekende militairen daardoor nu in de gevangenis zitten?' De jongens knikken. De priester vouwt zijn handen. En nu nog een woordje over ons eigen leven: 'Condooms helpen niet tegen ziektes', onderwijst de priester. 'Het is wetenschappelijk bewezen dat rubber geen aids tegehoudt.'

Zo keutert de dag op de basis voorbij. 'Weet u waardoor het komt?', zegt de commandant van het speciale anti-narcoticabataljon aan het eind van de middag. 'Het is omdat ik ben opgevoed door een hond.' Zijn moeder had geen tijd voor hem, en toen heeft de hond hem geadopteerd. Het beest zoogde hem als was hij haar eigen jong. 'De melk van die hond heeft gemaakt dat ik ben wat ik ben', weet hij. Een militair met een speurneus voor guerrilleros. Sterk, nooit ziek, en een vastbijter. 'Het probleem hier is de politiek', concludeert hij boos. 'Het is de politiek met zijn gebabbel over mensenrechten die mijn talenten frustreert.'

Op de terugweg proberen we het toch nog even bij de paramilitaire villa. Er staan nu wat soldaten voor. Chauffeur Hugo wijst een paramilitair aan, een man met een kanon om zijn schouder en een zwarte doek om zijn kaalgeschoren schedel. Het is of hij zo uit het blad Soldier of Fortune stapt. 'Is daar nu iemand in die villa of niet', vraag ik de soldaten. Ze antwoorden niet. Dan stapt de huurling naar voren. 'Leugens, alles wat u zegt zijn leugens', roept hij. Maar ik had nog geen woord gezegd!

Druipnatte guerrilla

Het regent, en het lijkt of het al honderd jaar regent boven Hong Kong Beach, het strand aan de rivier de Putumayo, even buiten Puerto Asís. Dikke modderstromen rollen naar de brede, gele rivier. In het rammelige busje van Hong Kong Transport wachten zeven mensen op de overtocht. Voor duizend pesos, ongeveer een gulden, wil de schipper ons in zijn houten motorbootje naar de overkant brengen. We varen nu van het paramilitaire Puerto Asís recht het guerrillagebied in. Een paar druipnatte guerrillastrijders wachten ons op de andere oever al op. Ze onderzoeken de bagage en fouilleren de mannen. 'Bienvenidos', zegt de commandant. Ý

Het dorp bestaat uit houten huizen op palen en golfplaten daken. Een paar kinderen rijden in een zelfgetimmerde kar achter een schonkig paard. Een ander speelt met een plastic geweertje, terwijl zijn moeder onder een afdak ijs schaaft voor een groepje guerrilleros. Het leven lijkt rustig, terwijl daar aan de overkant, tussen de bomen, het leger zich toch voorbereidt om aan te vallen. 'Dat moeten ze vooral doen', lacht de commandant. 'Er blijft niets van ze over. Want deze oorlog winnen wij.'

De commandant neemt ons mee naar de dorpskapper, waar hij nog een scheerbeurt moet krijgen. 'Uitstekend, prima', zegt hij met ingezeepte kin, wanneer we hem vertellen dat we een paar cocaboeren willen bezoeken. 'Misdadig', noemt hij het Plan Colombia onder protest van de kapster die wil dat hij zijn kaak stil houdt. 'Zometeen wordt iedereen hier weggesproeid', gaat hij door. 'En dan te bedenken dat de boeren nu al het geld niet hebben om de blaren op hun eigen vingers te betalen.'

Wanneer de kapster klaar is, loopt de commandant weg voor een boodschap. Op de kaptafel ligt nog zijn geweer. De kapster pakt het voorzichtig op, gooit het over haar schouder en draait een paar rondjes voor de spiegel. Waarom is zij eigenlijk niet bij de guerrilla gegaan? 'Met zo'n figuur zeker', zegt ze en klopt op het vet bij haar buik. 'Mens, dat is toch geen gezicht met een geweer!'

Een uur later is de commandant weer terug. 'Zitten jullie hier nou nog?', vraagt hij lachend, en beveelt: 'Pak de bus, ga het gebied in en zoek een boer op.' Verbijsterd stappen we op de bus. Geen begeleiding van guerrilleros, geen controle, geen censuur. Niets.

Coca-laboratorium

Al een paar uur lang lopen we in de stromende regen achter Armando aan. Zweet en regen mengen zich in stralen. Het gaat berg op en berg af over een modderig geitenpad. De boer Armando had in Puerto Asís wat materialen gekocht, en is nu weer op weg terug naar zijn cocadorp. 'Kijk', zegt hij als we ten slotte bij zijn dorp komen. Hij wijst naar een veldje met een soort ficus benjamina-plantjes erop. 'Dat is coca. Het enige wat hier goed groeit.'

Dertig houten huisjes op palen. Geen water, geen elektriciteit. Dat is de 'rijkdom' van de mensen die de coca telen. Armando rekent voor. Vier hectare heeft hij met zijn gezin. Net als de andere dorpelingen verbouwt hij naast wat mais en yucca om van te leven, voornamelijk coca. Zijn velden leveren ongeveer 625 kilo cocablaadjes op, genoeg voor een kilo basispasta. Daarvoor betaalt de handelaar hem 2.000 gulden. Daar gaat 500 gulden 'revolutionaire belasting' aan de farc af. Dan houdt hij 1500 gulden over, waarvan hij nog de benzine moet kopen, en de chemicaliën om de basispasta te maken.

Armando laat ons het 'coca-laboratorium' zien. Niet meer dan een rieten dak op palen met wat tonnen erin. Twee boeren wegen de zakken met blaadjes en storten ze op de vloer. 'Neem een hakmes en snij de blaadjes eerst klein', dreunt Armando het recept voor de basispasta op. 'Giet er cement over en water. Even roeren, en dan giet je de soep in een ton', zegt Armando, de daad bij het woord voegend. 'Dat mengsel overgiet je rijkelijk met benzine. En dan laat je het een uurtje staan.' Hij beschrijft het hele proces, tot en met het 'opbakken' van het gedestilleerde poeder thuis in de braadpan. 'En hoe smaakt het uiteindelijk, Armando?' De boer haalt zijn schouders op. Hij heeft geen idee. 'Popsterren gebruiken het om beter van te zingen', weet hij.

Die avond schuilt het hele dorp tegen de regen onder de luifel van de mooie Elvira. Met gedempte stemmen praten de boeren over de coca. En over de Amerikaanse vliegtuigen die straks komen sproeien. 'Geloof me', zegt Armando. 'Als iemand een beter idee heeft, ruk ik zo alle coca eruit.' Armando heeft het een paar jaar met bananen geprobeerd. Het eerste jaar groeiden ze goed, maar het tweede jaar vielen zijn bomen al om voordat de bananen rijp waren. 'Coca is het enige wat het op deze oerwoudgrond doet', zegt Elvira, die al tien jaar verbouwt. 'En bovendien is het het enige gewas waarop je iets kan verdienen.' Elk ander product kost meer dan het opbrengt. Koffie, cacao, mais of ananas, de prijzen zijn door de overheid vastgesteld. 'De enige vrije markt is die van de coca', concludeert Armando.

De volgende ochtend is het eindelijk droog. Al heel vroeg staat het hele dorp op de velden om de cocablaadjes van de takken te ritsen. Armando heeft zijn oogst al omgezet in dat ene kleine zakje. Hij weet niet wat de toekomst zal brengen, zegt hij. Maar als de guerrilla er niet was geweest, waren ze allang besproeid geweest. Nu is het een kwestie van wachten op het einde van hun leven. Want als straks de militairen komen, komen ook de paramilitairen met hun doodseskaders. En als de vliegtuigen met gif komen, gaat ook de aarde dood. 'Weet u, hier in Colombia komt het eind altijd eerder', zegt Armando, en gaat met gesloten ogen op de houten plank liggen die zijn bed vormt.

Lapjesland

De dorpen hebben namen als La Hormiga (De Mier), La Dorada (De Vergulde) en El Tigre (De Tijger). Allemaal zijn ze de afgelopen maanden ingenomen door de paramilitairen. Op het land daartussen domineert de guerrilla. En het leger? Dat verschanst zich op zijn bases. We versieren de auto van Hugo met witte vlaggen en het woord prensa, en gaan op weg door lapjesland. We willen de paramilitaire leider spreken die nu in La Hormiga of El Tigre zit, maar de guerrilla heeft een algeheel vervoersverbod ingesteld. Toch komen we na een uur een andere auto tegen. Een propvolle jeep met een kist op het dak. Langzaam rijdt hij over de verlaten weg, naar een klein drassig kerkhof. Daar staan al wat mensen te wachten. Hoe is de dode gestorven, vragen we aan een travestiete indiaan met een hoge, puntige beha. 'Vermoord' Door wie? Stilte. De mensen sjorren de kist van het dak af. Er klinkt zacht gesnik. En dan verschijnt daar opeens de legerpriester. Hij loopt naar de kist die even op een verweerde steen is gezet. 'Dit is het lot, dat we moeten sterven', zegt hij op vlakke toon. 'Maar als broeder Ricardo geen zonden heeft begaan, zal hij opgaan in de glorie van het eeuwige leven.' De priester dreunt nog een gebed op. Dan wordt de kist naar het versgegraven Ýgat gedragen. Mannen scheppen rode aarde op de kist.

'Maandag is Ricardo de deur uitgegaan, en niet meer teruggekomen', vertelt zijn vader, die een gele Snoopy-pet draagt. 'Gisteren is zijn lichaam dood langs de weg gevonden. Bij kilometerpaal 29. Zo gaat dat hier. We weten niet of hij door de guerrilla of de para's is vermoord. Maar dit is gebied van de neefjes...'

Een beetje bedrukt kruipt Hugo weer achter het stuur. Ja, denkt hij, het zullen de paramilitairen wel zijn. Maar hier ergens, buiten dat dorp begint weer farc-gebied. Hugo heeft het nog niet gezegd, of we zien een hoge rookkolom. Midden op de weg staat een nog nasmeulend autowrak. 'De guerrilla', vertellen de mannen in de biljarttent ernaast. 'En ze hebben de chauffeur vermoord.' De man had zich niet gehouden aan het door de farc afgekondigde vervoersverbod. Toch klimmen we maar weer in de auto. De weg is spekglad van de olie. Hier loopt de Transandino pijpleiding die ruwe Colombiaanse olie naar Ecuador pompt. Minstens driehonderd aanslagen heeft de guerrilla de afgelopen weken op de pijpleiding gepleegd. De olie zit nu tot in de bomen.

Plotseling staat er op de weg een blokkade. Zwaarbewapende mannen in olijfgroene pakken gebaren ons te stoppen. Wat is dit nu weer? Leger, guerrilla of paramilitairen? Onze papieren en de auto worden onderzocht. Het is het leger. We moeten ons melden bij de commandant, die ons een preek geeft over de bloeddorstigheid van de 'narcobandieten'. Hij bedoelt de guerrilla. 'U moet het zelf weten als u verder wilt reizen. Maar u zult worden ontvoerd en vermoord.' Nog geen kilometer verderop komen we ze al tegen, de narcobandieten. Een jongen van een jaar of zeventien met jeugdpuistjes, een nog kleiner jongetje en een meisje. Want de guerrilla herken je aan de meisjes.

De situatie is verwarrend. Het commandantje zegt 'No pasen'. Het briefje van zijn baas Raul Reyes maakt geen indruk. Tegen de muur van een huis staan ongeveer twintig voetgangers die zijn tegengehouden. Onze chauffeur Hugo raakt in paniek. Hij begint te babbelen, dat hij ook wel mensen kent bij de farc, en dat zijn neef... 'Kop houden, Hugo! Ga in je auto.' Twee uur later mogen we door. Het commandantje kreeg via de radio het groene licht. We lachen om Hugo. Verkreukeld en leeggezweet zit hij achter zijn stuur. Toch opmerkelijk hoe drie pubers een hele weg kunnen blokkeren, terwijl drie minuten er vandaan het leger angstig samenklit.

Commandant Havik

Als we tegen de avond in La Dorada aankomen, zijn overal de luiken dicht. In de stoffige hoofdstraat is geen mens te bekennen. We stoppen voor de dorpsschool. Over de hekken hangen kleren te drogen. Hier moeten vluchtelingen zitten. Maar tijd om het uit te zoeken krijgen we niet. Er komt een grote four-wheel drive aanrijden. In de open laadbak zitten vijf mannen in burger met geweren. Uit de cabine stapt een brede bodybuilder. Commandante Aguila? 'Aangenaam.' Eindelijk hebben we onze paramilitaire leider! Hij wil wel praten, zegt hij, maar eerst moet hij het volgende kwijt: 'Kijk eens om u heen naar deze rust. Aapje, deze vrede hebben wij gebracht.' Trots wijst hij naar de gesloten huizen waar de angst uit de muren slaat.

Ik kan me de beelden nog van de televisie herinneren: burgers, met opengesneden buiken op het plein van La Dorada. Eenendertig mensen. Zomaar vermoord. Is dat geen hoge prijs voor Aguila's vrede? 'Ons militaire doel is de guerrilla. En deze mensen werkten voor de guerrilla', zegt Aguila (Havik) effen. Ook vrouwen en kinderen? 'Ja. De guerrilla werkt heel veel met kinderen.' Hij praat over de kracht van het Plan Colombia, en de bijdrage die de paramilitairen daaraan zullen leveren. 'Officieel zijn we misschien een illegale organisatie. Maar we zijn geen bandieten. Wij willen dat de bevolking een menswaardig bestaan krijgt.' Net als de vader van zijn hoogste leider Castano was ook de vader van Aguila grootgrondbezitter. Ook hij werd door de farc gekidnapt en vermoord toen zijn familie het losgeld niet wilde betalen. 'Daarna ben ik, op mijn negentiende, bij de paramilitairen gegaan. Er is geen alternatief. Wij moeten onszelf beschermen.' Na lang aandringen wil hij ons wel iets van zijn organisatie laten zien.

We rijden het centrum uit. Nog meer verlaten straten en dichtgetimmerde huizen. Op een veranda zit een man in een legeruniform. Aguila groet hem, en opeens zwermen ze overal om ons heen. Paramilitairen in uniform. We proberen wat grappen, terwijl Aguila in de auto door zijn mobilofoon blijft praten. De sfeer is bars en onvriendelijk. Als Aguila uit zijn auto komt, kent ook hij plotseling alleen nog maar barse commando's. We mogen een foto maken van een paramilitair. Met een masker voor. In de houding die hij bepaalt. En nu maken dat je hier wegkomt! 'Maar we willen nog met de vluchtelingen praten, en een betere indruk krijgen van de vrede die u in het dorp gebracht heeft...'

Hardhandig worden we de auto ingeduwd en naar de school gebracht. 'Praat nu met de vluchtelingen.' Het is lastig praten met zes gewapende kleerkasten in je nek. Toch maar wat vragen, aan die boer met zijn grote ogen. Hij is 'een beetje weggestuurd' uit zijn boerderijtje, vertelt hij. Door wie? De guerrilla? De boer schudt zijn hoofd en kijkt naar zijn tenen. 'Door de angst', zegt hij zacht. Dan is het afgelopen. Weg moeten we. Onmiddellijk. En nooit meer terugkomen. We springen bij Hugo in de auto.

Nog nooit heeft hij zo hard gereden. M

Marjon van Royen is correspondent in Latijns-Amerika voor NRC Handelsblad.

Kadir van Lohuizen is fotojournalist. In 1997 kreeg hij de Zilveren Camera.

[streamliners] In het internetcafeetje, tegenover de kerk, halen de guerrilleros hun laatste hotmails op.

Een klein energiek vrouwtje stapt binnen, met een zaag, een hamer en een beitel. Ze is de lijkschouwer.

'Het probleem hier is de politiek, met zijn gebabbel over mensenrechten, die mijn talenten frustreert.'

Als de vliegtuigen met gif komen, gaat ook de aarde dood. 'Hier in Colombia komt het eind altijd eerder', zegt Armando.

De boer is 'een beetje weggestuurd' uit zijn boerderijtje. Door de guerrilla? Hij schudt zijn hoofd. 'Door de angst.'