De eerste klap

Gedurende zes jaar schreef Frits Abrahams voor NRC Handelsblad een rechtbankrubriek. M zet deze traditie voort met een internationale serie 'Voor de rechter'. Deze maand een Nederlandse zaak. Wat is noodweer? Mag je iemand een klap verkopen als je je bedreigd voelt?

Zijn vriendin had de krant een brief geschreven. Woedend was ze. Ze hadden haar vriend bijna een vol etmaal in de cel opgesloten. Als een misdadiger hadden ze hem behandeld, terwijl de ware boosdoeners vrijuit waren gegaan. Goed, de politierechter had hem later vrijgesproken, maar de officier nam daar geen genoegen mee en tekende hoger beroep aan. Nu moest haar vriend dus wéér voorkomen, bij het gerechtshof in Den Bosch. En wat had hij nu helemaal gedaan?

Zijn burgerplicht. Verder niets. Vond zij.

Het was op 18 september 1999 in Breda gebeurd. De voetbalwedstrijd NAC-Telstar was afgelopen en een aantal supporters nam plaats in de bus naar het station. Een van hen was Wim Ingbers (33), de vriend van de briefschrijfster. Aan de andere kant van het gangpad gingen de broers Koos (25) en Stef Breembank (28) zitten. Ze waren nogal aangeschoten en gedroegen zich balorig.

Op een gegeven moment ging Koos op zijn stoel staan, opende het dakluik van de bus en gooide een beker met frites naar buiten.

'Doe je dat thuis ook?', vroeg Ingbers.

'Ben jij soms een milieuactivist', reageerde Koos. En hij gooide een stukje frites naar Ingbers. Stef, die bij het raam zat, riep naar Ingbers dat hij het wel even op het station wilde uitvechten.

De twee broers rezen uit hun stoelen op, Ingbers volgde hun voorbeeld. Even later stonden Ingbers en Koos Breembank borst aan borst tegen elkaar in het gangpad. Ingbers haalde als eerste uit en trof Breembank met gebalde vuist vol in het gezicht. Breembank pakte hem bij zijn trui en duwde hem tegen het raam, totdat een buitenstaander de mannen scheidde. Breembank bloedde, hij had een ernstige verwonding opgelopen - een gebroken neus, bleek later in het ziekenhuis.

Ingbers moest naar het politiebureau, waar hij tot de volgende dag werd vastgehouden. De politie tekende uit zijn mond op: 'Ik heb deze jongen geslagen, omdat ik het allemaal zeer bedreigend vond. Ik ben waarschijnlijk de jongen net voor geweest, anders had hij mij geslagen.'

Het is de kern van deze zaak: mag je iemand een klap geven, omdat je vermoedt - en met reden - dat hij hetzelfde met jou van plan is? De eerste klap mag dan een daalder waard zijn, maar betaalt de initiatiefnemer er ook een prijs voor, namelijk een veroordeling door de rechter?

Het was een interessante kluif voor de politierechter van Breda.

Op 3 februari 2000 verschenen verdachte Ingbers en aangever Breembank voor hem. Er waren ook nog twee getuigen die nogal belastende verklaringen voor Koos Breembank en zijn broer aflegden. 'Toen wilden de mannen uithalen', zei de een. 'Ze gingen richting verdachte en een van hen hief zijn hand op', zei de ander.

De advocaat van Ingbers, W. van Beek, wees erop dat zijn cliënt van nature geen vechtersbaas is. 'Hij wilde gewoon naar huis, waar een hoogzwangere vrouw op hem zat te wachten.' Met zijn opmerking over het gooien met frites 'deed hij wat iedere burger zou moeten doen'. Niet hij ging de confrontatie aan, maar de broers, aldus de advocaat. De klap van Ingbers was een kwestie van noodweer (zelfverdediging).

De officier van justitie draaide de rollen om. Volgens hem zocht Ingbers juist wél de confrontatie met zijn opmerking over het eetgedrag. 'Hij stelde zich net zo agressief en tot vechten bereid op.' Daarom verwierp hij het beroep op noodweer en eiste een veroordeling tot zes weken gevangenis voorwaardelijk.

Maar de politierechter was het niet eens met de officier. Hij vond dat er wel degelijk sprake was van noodweer, omdat de verdachte - zoals de wet het formuleert - 'zich verdedigd heeft tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding'.

Vrijspraak dus. Een opmerkelijk vonnis, want rechters honoreren een beroep op noodweer niet snel. Zo vinden ze het belangrijk of de verdachte zich aan het gevecht had kunnen onttrekken. De politierechter concludeerde dat dit voor Wim Ingbers moeilijk was geweest. De officier kon zich met dit vonnis niet verenigen en ging in beroep.

Het is inmiddels 18 december 2000. Ingbers moet voorkomen voor het gerechtshof in Den Bosch. Hij en zijn vriendin maken een zeer gespannen indruk. Geen wonder - na bijna anderhalf jaar onzekerheid.

De ondervraging door de drie raadsheren (vrouwelijke rechters in dit geval) van het hof maakt het er voor Ingbers niet beter op. De rechters laten twijfel en kritiek doorklinken. 'Waarom was u na de eerste dreigementen niet meteen elders gaan zitten?', vragen ze.

'Het was druk in die bus', zegt Ingbers, 'ik kon geen kant op. '

'Stonden er dan in het gangpad ook mensen?'

'Ja.'

De rechters lijken hem niet te geloven. 'Waarom draaide u zich niet om?', vragen ze hem weer.

'Dan hadden ze me met z'n twee'n in elkaar geslagen.'

'Dat is de vraag.'

Een van de rechters wijst hem erop dat hij na de klap wél achterin de bus is gaan zitten. 'Toen was er plaats', zegt Ingbers.

De advocaat-generaal (de aanklager) heeft ook een belangrijke vraag: had hij Breembank een slaande beweging zien maken, zoals de getuigen beweren?

'Wat hij deed vond het water met de anijspijpjes aan de kook.

Laat tien minuten trekken.

Bestrooi de drumsticks met kipkruiden.

Verwarm de boter in een grote koekenpan en bak de kip rondom bruin.

Voeg de honing toe en bedruip hiermee de kip.

Blus af met het dropwater en zet ik dreigend genoeg', ontwijkt Ingbers.

'U heeft het niet gezien?', houdt de advocaat-generaal aan.

'Nee', zegt Ingbers.

De eerlijkheid siert hem, maar zijn kansen lijken erdoor geschaad. 'Er was alleen sprake van verbale dreiging', concludeert de advocaat-generaal. 'Vrees voor mogelijke aanranding is niet voldoende voor een beroep op noodweer.' Hij eist drie weken voorwaardelijk.

Twee weken later geeft het hof hem gelijk. 'Verdachte heeft in een escalerende conflictsituatie op het moment dat er een handge meen dreigde, er niet voor gekozen om zich te onttrekken aan een gevecht', aldus het arrest, 'terwijl hij daar gezien de situatie wel de gelegenheid toe heeft gehad.'

Het hof houdt er bij zijn straftoemeting rekening mee dat 'het gedrag van het slachtoffer uitdagend en zeer verwerpelijk is geweest'. Ook wil men de eis tot schadevergoeding van het slachtoffer niet honoreren. Daarvoor moet Breembank maar naar de burgerlijke rechter.

Het is een schrale troost voor Ingbers, want hij wordt wegens mishandeling veroordeeld tot twee weken voorwaardelijk. Hij reageert getergd. 'Als ik zie hoe andere mensen na zware delicten wegkomen, word ik elke keer weer kwaad. Ik ga in cassatie bij de Hoge Raad. Ik wil geen kruisje achter mijn naam.' M

De namen van de betrokkenen zijn om redenen van privacy gefingeerd.

Frits Abrahams is redacteur van NRC Handelsblad.

Rectificatie

Gerechtshof

In het begeleidende stukje bij het artikel De eerste klap in het magazine `M' (maart, pagina 38) wordt gezegd dat men tegen het vonnis van de politierechter in beroep kan gaan bij de meervoudige kamer van de rechtbank. Dit had moeten zijn: bij het gerechtshof.