Claims bij gemeente na grote brand

Achttien bedrijven en verzekeraars hebben de gemeente Rotterdam civielrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden bij de grote brand, vijf jaar geleden, bij het opslagbedrijf CMI.

De bedrijven hadden goederen bij CMI opgeslagen. De totale waarde van de goederen die in vlammen opgingen, bedraagt circa vier miljoen gulden.

De brand bij CMI, die bijna tot een ramp in Rotterdam leidde, krijgt hiermee eind maart een nieuw juridisch vervolg.

Volgens de dagvaarding van het Rotterdamse advocatenkantoor dat namens de betrokken bedrijven optreedt, heeft de gemeente Rotterdam ,,volledig nagelaten om passende maatregelen te nemen'' bij CMI, hoewel bij gemeentelijke diensten en DCMR Milieudienst Rijnmond bekend was dat CMI zich niet aan veiligheidsvoorschriften hield en bij het bedrijf een ,,brandgevaarlijke situatie'' bestond.

In kringen van milieurechtdeskundigen zal de behandeling van deze zaak naar verwachting met belangstelling worden gevolgd, aangezien de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid en van overheidsorganen een omstreden kwestie is.

Volgens de zogenoemde Pikmeer-arresten kan de overheid wegens falen niet strafrechtelijk worden aangepakt. Over civielrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid zijn deskundigen verdeeld.

Uit het onderzoek naar de CMI-brand is gebleken dat een ambtenaar van DCMR Milieudienst Rijnmond in mei 1995 bij CMI 27 overtredingen van de Hinderwetvergunning vaststelde. Enkele maanden later, in augustus, bleek bij een tweede controle dat veel belangrijke voorschriften bij CMI nog steeds niet werden nageleefd en dat er sprake was van een ,,gevaarlijke situatie''.

De gemeentelijke diensten drongen herhaaldelijk aan op maatregelen, maar CMI wilde geen investeringen doen, omdat het bedrijf van plan was te verhuizen.

De achttien bedrijven die allerlei goederen – chemicaliën, katoen en zelfs een partij paardenhaar – bij CMI hadden opgeslagen toen de brand op 28 februari 1996 uitbrak, stellen dat de gemeente eerder had moeten ingrijpen. Zo had CMI kunnen worden verplicht het surplus aan gevaarlijke stoffen elders op te slaan.

Bij CMI was ten tijde van de brand 1.200 ton aan chemicaliën aanwezig, terwijl slechts 200 ton was toegestaan. Door niet tijdig in te grijpen, treft de gemeente `ernstige schuld' voor het ontstaan van de brand, aldus de dagvaarding die op 29 maart voor de Rotterdamse rechtbank wordt behandeld.