Bijdrage boer en visser aan economie beperkt

Kabeljauw en mond- en klauwzeer domineerden het nieuws. Maar hoe groot is het economische belang van visserij en landbouw?

Er was een tijd dat bijna iedere Nederlander werkzaam was in de landbouw en visserij, maar dat was aan het eind van de 18e eeuw – vóór de industriële revolutie. Een jaar geleden werkte, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, zo'n vier procent van de beroepsbevolking in de landbouw, bosbouw en visserij.

De CBS-cijfers illustreren dat Nederland een handelsnatie is, en geen industrieland. Slechts 15 procent van de beroepsbevolking werkt namelijk in de industrie. Financiële en zakelijke dienstverlening (21 procent), handel en horeca (19 procent) en zorg en overige dienstverlening (16 procent) bezetten de top drie. Bij de overheid werkt 11 procent van de Nederlandse beroepsbevolking.

De bijna 230.000 mensen die werkzaam zijn in de landbouw, bosbouw en visserij verdienden in 1999, het jaar waarover de meest recente gegevens beschikbaar zijn, 21,1 miljard gulden. Daarmee is de bijdrage van deze sectoren aan het bruto binnenlands product (bbp), het totaal van wat er in een bepaald jaar wordt verdiend, 2,4 procent. Het aandeel van de landbouw is ruim 2,3 procent. De bijdrage van de bosbouw aan het bbp is 0,01 procent; de visserij is goed voor 0,08 procent.

Naast deze zogenoemde primaire productie bestaat de agrarische sector uit de toeleverende industrie (kunstmest, veevoeder, technische installaties). Ook de verwerkende sectoren (zoals de voedingsmiddelenindustrie) worden door het CBS tot de agrarische sector gerekend. In totaal leveren de primaire en deze secundaire sector een bijdrage van ongeveer 12 procent aan het bruto binnenlands product, 73 miljard gulden. In deze sectoren werken in totaal 600.000 mensen.

Ongeveer driekwart van de agrarische productie wordt geëxporteerd. Daarbij gaat het om een bedrag van bijna 90 miljard gulden. Zonder de handel in landbouwproducten zou Nederland geen exporterend, maar een importerend land zijn. Over 1999 zou het handelstekort dan 4,6 miljard gulden hebben bedragen. In feite exporteerde Nederland in dat jaar voor 239,5 miljard gulden aan goederen. De import kostte 225,7 miljard gulden. Het handelsoverschot kwam zo uit op 13,8 miljard gulden. Voor de komende jaren verwacht het Centraal Planbureau dat het handelsoverschot van de landbouw verder stijgt, terwijl dat van de algemene handel afzwakt. Vooral ruwe dierlijke en plantaardige producten, vlees, groenten en fruit, zuivel en veevoer leveren flinke handelsoverschotten op.

Het grote verschil tussen de visserij en de landbouw is dat de visserij een rendable sector is; terwijl de landbouw het moeilijk heeft. Zo verdient een boer bijna meer aan de waardestijging van zijn grond dan door zijn gewone werk. In de eerste helft van 2000 werd landbouwgrond gemiddeld 23 procent duurder. De gemiddelde prijs per hectare was toen 75.700 gulden: bijna 14.000 gulden meer dan voorjaar 1999. En 1999 en 2000 waren voor de visserijsector hele goede jaren. De vraag naar vis stijgt, mensen eten meer vis in plaats van vlees, terwijl het aanbod afneemt. De kabeljauw in de Noordzee is bijna uitgestorven; de kibbeling wordt duur betaald. Maar de Europese commissie grijpt in met een vangstverbod. De vette jaren zijn, volgens de vissers, voorbij.