Zorreguieta `schuldige figurant'

Jorge Zorreguieta maakte deel uit van een groep ,,rechtse, antiperonistische, anticommunistische en ultraliberale'' burgers die midden jaren zeventig de militaire coup in Argentinië hielpen voorbereiden.

,,Absoluut. Jorge Zorreguieta was absoluut medeplichtig aan de coup. Hij maakte deel uit van de economische pressiegroep die de militairen vroeg een staatsgreep uit te voeren en hierover met hen vergaderde. Zijn exacte aandeel is nog niet vastgesteld, omdat hij geen hoofdrolspeler was. Voor ons is hij een figurant. Maar ook hij is een couppleger.''

Voor journalist en schrijver María Seoane, co-auteur van de deze week verschenen, 640 bladzijden tellende ongeautoriseerde biografie El Dictador lijdt het geen enkele twijfel dat de vader van Máxima Zorreguieta (wiens naam overigens één keer in het boek wordt genoemd) mede schuld heeft aan de gewelddadige machtsgreep van 24 maart 1976 en de daarop volgende `vuile oorlog'. Doel van de coup was de radicale verandering van de economie te bewerkstelligen die democratisch niet kon worden gerealiseerd. Daartoe moest de oppositie fysiek worden uitgeschakeld.

Seoane: ,,De reden voor de staatsgreep was een economische reden. Dat was destijds nog niet evident, maar de slachting gebeurde om de economie te hervormen.''

In El Dictador geven Seoane en mede-auteur Vicente Muleiro een nauwgezette, met vele documenten en getuigenissen onderbouwde beschrijving van de Argentijnse militaire dictatuur in de jaren 1976-1983. Een van hun medewerkers is er ook in geslaagd om in totaal tien uur lang met Videla zelf te spreken. Hoewel de bejaarde oud-dictator, die onder huisarrest is geplaatst op verdenking van grootschalige kinderroof tijdens zijn regime, uit juridische overwegingen geen bandopnames toestond en niet tussen aanhalingstekens wilde worden geciteerd, is het boek doorspekt met letterlijke, cursief in de tekst geplaatste citaten van de generaal. Zo geeft Videla onder meer voor het eerst de massale verdwijningen toe. Laten we een getal noemen, laten we zeggen vijfduizend. Moeten we aantonen waar de stoffelijke overschotten zijn? Maar wat kunnen we zeggen? (In) de zee, in de (rivier) Río de la Plata, in de Riachuelo?

In een voor de controverse rond de vader van prins Willem-Alexanders vriendin Máxima relevant deel verhaalt het boek over de minutieuze voorbereidingen van de coup. Die was gericht tegen het legitieme maar chaotische bewind van president Isabel Perón. De strijdkrachten gingen daartoe een alliantie aan met wat de auteurs ,,een groep rechtse, antiperonistische, anticommunistische en ultraliberale'' burgers noemen en waarvan ook Zorreguieta volgens Seoane deel uitmaakte. De contacten verliepen via een door Perón ontslagen generaal van de legerinlichtingendienst en de advocaat Jaime Perriaux.

Zorreguieta, die toen directeur-secretaris was van de machtige vereniging van landeigenaren Sociedad Rural Argentina, werd bij de groep gehaald door de ondernemer en oud-minister José Antonio Martínez de Hoz. Onder hem zou Zorreguieta na de staatsgreep (onder-)staatssecretaris van Landbouw en Veeteelt worden op het ministerie van Economie.

Onderdeel van de voorbereidingen op de coup was de ontwrichting van het sociale en economische leven in Argentinië. Daartoe werd in augustus 1975 de APEGE opgericht, de permanente assemblee van ondernemersgroeperingen. De assemblee riep onder meer een aantal stakingen uit die een verlammende werking op het openbare leven hadden. Jorge Zorreguieta was secretaris van de APEGE, zegt de journalist Rogelio García Lupo, die in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de biografie van Videla. ,,Het ging om een complot, waarin Zorreguieta niet een initiërende maar een coördinerende rol speelde.''

María Seoane gaat er in haar boek van uit, dat de burgers in de groep rond Perriaux ,,tussen augustus 1975 en februari 1976 tot in de details op de hoogte waren van de staatsgreepplannen''. Volgens Seoane was het de samenzweerders toen duidelijk dat het militaire regime met veel geweld gepaard zou gaan. Als niet mis te verstane aanwijzing hiervoor gold de harde onderdrukking door het leger van de rebellie onder militante werknemers op de suikerplantages in de noordelijke provincie Tucumán. Videla zelf wordt daarover in het boek geciteerd met: Het is volstrekt arbitrair om te stellen dat de oorlog begon op 24 maart. Niets wat er daarna gebeurde, was anders dan wat er in Tucumán gebeurde of in het hele land.

Ministers en staatssecretarissen uit de militaire regeringen hebben bij herhaling beweerd dat zij pas na de dictatuur inzicht kregen in de omvang en ernst van de mensenrechtenschendingen. María Seoane vindt dat ongeloofwaardig. ,,Het is onmogelijk dat zij toen niet op de hoogte waren. Weliswaar kregen ze de operationele details niet te horen, of de namen van de ontvoerden, maar onder meer via de militaire gedelegeerden op hun departementen wisten ze exact wat er aan de hand was. Maar niemand zei: dit is een misdaad. Integendeel, ze hadden er belang bij dat dit gebeurde. Velen hebben in die tijd goede zaken kunnen doen.''