Verenigde Staten moeten Turkije te hulp schieten

De huidige crisis in Turkije is niet zozeer een financiële aangelegenheid, maar een kwestie van politiek en strategisch belang, vindt Robert D. Kaplan. Een geopolitieke crisis moet worden voorkomen.

De beurskoersen in Turkije daalden eind vorige week met achttien procent en de lira verloor eenderde van de waarde. De rentevoet is omhooggeschoten naar een paar duizend procent, en de inflatie ligt rond de dertig procent. De investeerders schijnen te zijn afgeschrikt door een openlijke ruzie tussen president Ahmet Necdet Sezer en premier Bulent Ecevit, die de president had verweten te coulant te zijn voor corrupte politici. Dat was slechts het begin van de crisis, niet de oorzaak.

De oorzaak was de broosheid van de jongste economische hervormingen in Turkije en de kleine hausse die deze tot gevolg hadden gehad, waarbij de beursindex in 1999 en begin vorig jaar opliep van vijf tot bijna twintigduizend punten. Turkije werkt aan de opbouw van moderne democratische en financiële instituties die voor stabiliteit zorgen, maar de opbouw van zulke instellingen kan als zodanig destabiliserend zijn. De Turkse problemen komen voort uit succes, maar daarom zijn die problemen niet minder gevaarlijk voor de Amerikaanse belangen.

Turkije is met Brazilië misschien het duidelijkste voorbeeld van een land waar de instituties uit alle macht de modernisering proberen bij te houden. Het ambtelijk overheidsapparaat is nog altijd verzand in Ottomaanse lethargie. Een aantal banken gaat gebukt onder schulden in vreemde valuta en schimmige transacties, en staat aan de rand van de afgrond. De belastingopbrengsten gaan onvoldoende naar de sectoren waar ze nodig zijn.

Intussen heeft de ingrijpende liberalisering van de Turkse economie, in 1983 begonnen door wijlen premier Turgut Ozal, geleid tot een grote nieuwe stedelijke middenklasse die aandringt op een betere openbare dienstverlening.

De stabiliteit is tot nu toe gehandhaafd door de Nationale Veiligheidsraad, een gemengd orgaan van legerofficieren en burgerministers. Tientallen jaren heeft deze raad voorkomen dat Turkije weggleed in de anarchie van nieuwe democratieën als Indonesië of de verstikkende autocratie van menig Arabisch buurland. Niettemin heeft die stabiliteit steeds meer gekost, vooral naarmate de Turkse samenleving en de klassenstructuur complexer zijn geworden.

Het probleem luidt: er is niemand aansprakelijk in het systeem. De Turkse behoefte aan een passend, doorzichtig bank- en belastingstelsel is gegroeid. Maar wie moet het invoeren? Het leger heeft geen logische rol en ontloopt hoe dan ook de politieke verantwoordelijkheid voor tal van problemen. Maar ook de politici ontlopen hun verantwoordelijkheid. Die weten dat in tijden van crisis het leger hen te hulp komt met subtiele interventies die de Turken inmiddels aanduiden als `zachte, postmoderne staatsgrepen'. Door in laatste instantie op het leger te vertrouwen blijft de Turkse politiek onvolwassen, getuige ook het soort woede-uitbarstingen van de president en de premier vorige week.

Nog een reden dat Turkije niet is getroffen door geweld en politieke instorting is de corruptie, die gedeeltelijk zelf ook juist weer voor de huidige crisis verantwoordelijk is. Zoals Samuel P. Huntington al in 1968 uitlegde in zijn Political Order in Changing Societies, is een hoog corruptiepeil inherent aan samenlevingen die onder de druk van een snelle modernisering staan. Corruptie smeert de raderen van knarsende, verstarde bureaucratieën en leidt tot informele machtsnetwerken zodat er van alles gebeurt wat anders achterwege zou blijven, en mensen in staat stelt macht te kopen in Derde-Wereldsystemen waar ze anders met geweld tegen in opstand zouden komen.

Maar Turkije is in het stadium dat die corruptie haar nut heeft overleefd en tot een financiële meltdown als in Azië dreigt te leiden. Maar elke ineenstorting in Turkije zou veel ernstiger zijn dan bijvoorbeeld een economische ondergang van Indonesië. Dat komt doordat een economische ramp in Turkije geopolitieke gevolgen voor de Verenigde Staten zou hebben die veel ernstiger zijn dan de verscheidene economische crises die de laatste jaren Oost-Azië hebben getroffen.

Turkije is het politieke ordeningsbeginsel van het Midden-Oosten in ruime zin. Het beheerst de bovenloop van de Tigris en de Eufraat, die Syrië en Irak van water voorzien, en het is de economische levensader voor nieuwe democratieën in de Kaukasus. Elke verzwakking van de Turkse grenzen haalt alle vraagstukken weer overhoop inzake de werkelijke grenzen van Syrië, Irak en andere landen, die allemaal kunstmatig zijn getrokken bij naoorlogse vredesregelingen.

Het Turkse leger was altijd zelfs een pijler van het machtsevenwicht in het Midden-Oosten. Zo begon Syrië eind jaren negentig mede onder druk van een nieuw Turks-Israëlisch militair bondgenootschap vredesonderhandelingen met Israël. Een sterke, stabiele Turkse regering zou des te harder nodig zijn als Saddam Hussein zou vallen. Zonder Saddam zou Irak weinig kunnen doen om de diepe verdeeldheid tussen stammen en clans te temperen en zou het land vervallen in een burgeroorlog. In dat geval zou er een stabiel Turkije nodig zijn om de noordgrens van Irak met de Koerden te beschermen.

Turkije is geen land als Thailand, waar een economische crisis voor de Verenigde Staten alleen financiële consequenties heeft. Turkije is meer een land als Israël of Mexico: een plek waarvan het strategisch belang voor het Witte Huis te groot is om de schoonmaakoperatie toe te vertrouwen aan het Internationale Monetaire Fonds en andere internationale organen De regering-Reagan liet Israël, toen dat door inflatie werd geplaagd, niet aan zijn lot over; de Verenigde Staten grepen in en herstructureerden de Israëlische economie. De regering-Clinton kwam in het geweer, tegen een aanzienlijke politieke prijs, om Mexico uit de brand te helpen.

In beide gevallen is die politiek geslaagd. De regering-Bush heeft verklaard er weinig voor te voelen om landen in economisch roerige tijden te steunen. Maar wat Turkije betreft zou ze wel eens kunnen merken dat er maar één keus is: rechtstreekse steun om het Turkse politieke stelsel te helpen bij een verdere modernisering, zodat de huidige financiële crisis niet ook een geopolitiek karakter krijgt. De regering-Bush moet de Turkse crisis niet zozeer zien als een financiële aangelegenheid, maar veeleer als een kwestie van politiek en strategisch belang.

Robert D. Kaplan is verbonden aan de New America Foundation en auteur van onder meer het boek `Oostwaarts: Reizen door de Balkan, het Midden-Oosten en de Kaukasus', dat binnenkort verschijnt bij Het Spectrum.