Stroom van excuses richting Japan

De aanvaring tussen een Amerikaanse onderzeeër en een Japans vissersschip heeft geleid tot een stroom van excuses.

Wat verbindt een recent ongeluk met een moderne kernonderzeeër en seksslavinnen tijdens de Tweede Wereldoorlog? Het antwoord: `excuses'. De Japanse ambassadeur in Washington en een columnist van de Washington Post zijn er inmiddels een openlijke ruzie over aangegaan.

Voor de buitenstaanders is het verbazingwekkend te zien hoeveel Amerikaanse functionarissen inmiddels hun excuses hebben aangeboden voor het ongeluk met de onderzeeër Greeneville, vorig maand in de buurt van Hawaii. Toen de onderzeeboot plotseling aan het wateroppervlakte kwam, raakte het een Japans vissersschip dat zonk. Negen opvarenden verdronken; hun lichamen zijn nog niet geborgen.

De Amerikaanse consul-generaal voor West-Japan is naar het dorp gereisd waar het schip vandaan kwam om zijn excuses aan te bieden en ambassadeur Thomas Foley deed hetzelfde in Tokio tegenover de keizer. President Bush, minister Powell (Buitenlandse Zaken) en minister Rumsfeld (Defensie) hebben allen een excuus uitgesproken. De tweede man van de Amerikaanse marine, admiraal William Fallon, is deze week in Tokio gearriveerd om het voor de slechte verstaander nog eens te herhalen.

Columnist Richard Cohen van de Washington Post werd onwel bij het zien van deze stoet van boetedoeners. Natuurlijk hebben we spijt over het ongeluk, het was een tragedie, stelt Cohen, en familieleden van de slachtoffers hebben het recht alles te zeggen wat ze willen, alles te eisen dat hun verdriet verlicht. ,,Maar anderen in Japan – van commentatoren tot opportunistische politici – eisen meer dan hun toekomt'', stelt hij.

Daarop begint Cohen zijn litanie: ,,Dit ruikt naar hypocrisie van historisch formaat. Het duurde een eeuwigheid voordat Japan erkende dat 200.000 Aziatische vrouwen in de Tweede Wereldoorlog werden gedwongen als seksslavinnen voor het Japanse leger te dienen. Met tegenzin gaf Japan een aantal van hen compensatie en met nog meer tegenzin toonde het berouw.''

De Japanse ambassadeur in Washington, Shunji Yanai, kon dit niet over zijn kant laten gaan. De twee zaken hebben niets met elkaar te maken, aldus Yanai, het ene is een ongeluk in vredestijd, het ander gaat om daden in oorlogstijd. Bovendien, meent Yanai, is het niet correct te stellen dat Japan geen excuses heeft aangeboden voor de gebeurtenissen tijdens de oorlog. Over het laatste incident zegt hij: ,,Ik begrijp dat de familieleden van de slachtoffers het gevoel hebben dat de excuses niet voldoende zijn omdat de commandant van de onderzeeër nog geen excuses heeft aangeboden.'' De commandant van de onderzeeër heeft de boodschap inmiddels doorgekregen en een excuus aan alle familieleden gestuurd.

Maar als slachtoffers het recht hebben op direct excuus, zoals ambassadeur Yanai stelt, waarom krijgen de voormalige seksslavinnen dan niet wat zij al jaren eisen? In december kwamen in Tokio zeventig voormalige sekslavinnen bijeen die menen dat Japan níet voldoende excuus heeft aangeboden voor hun pijn. Ze eisen nog steeds dat de Japanse regering de volle verantwoordelijkheid neemt en hen direct compenseert, niet via de omweg van een particulier fonds zoals Tokio poogt.

Japan leeft in een geestelijke spagaat. Enerzijds zijn de huidige Japanse leiders de directe erfgenamen van de vooroorlogse heersers. Zoals regelmatig uit uitspraken van leidende politici blijkt, zijn er onder hen velen die menen dat de oorlog helemaal niet fout was. Anderzijds zijn ze voor hun nationale veiligheid sinds 1945 geheel afhankelijk van het machtige Amerika, de grote vijand waar hun voorgangers tegen vochten.

In deze spagaat verzetten ze zich niet tegen de eisen van `grote broer' aangaande de militaire aanwezigheid. Maar tegelijkertijd laten ze de anti-Amerikaanse gevoelens onder dat bevolkingsdeel dat direct overlast ondervindt van de aanwezigheid, gewoon doorwoekeren. Dit is het duidelijkst zichtbaar op het eiland Okinawa dat voor 20 procent in gebruik is door het Amerikaanse leger. Maar ook achter de ophef over het ongeluk met de Greeneville – al vóórdat naar buiten kwam dat er burgers aan boord van de onderzeeër waren en wellicht de veiligheidsprocedures niet correct zijn gevolgd – ligt de frustratie van de machteloze `kleine broer'.

Gezien dit laten voorwoekeren van onrustgevoelens schreef de commandant van het Amerikaanse korps mariniers op het Japanse eiland Okinawa, luitenant-generaal Earl Hailston, begin dit jaar in een e-mail aan ondergeschikten dat Japanse politici ,,idioten en een stel slappelingen'' zijn. Het minste dat over de Japans-Amerikaanse relatie kan worden vastgesteld is dat ze allerminst gezond is.