Roem en kouwe kak

Verlegen mensen hebben geen leven. Geen sociáál leven in elk geval. Ter compensatie koesteren ze de gedachte dat hun innerlijke leven iets heel bijzonders is. Iets dat naar vereeuwiging snakt. Het kunstenaarschap, menen zij, is hun ware bestemming. Alleen: hoe kom je daar?

De hoofdpersoon in de nieuwe roman van Hans-Ulrich Treichel schrijft af en toe een gedicht en hij heeft zowaar een uitgever gevonden. Die is bereid Georgs gedichten gratis te drukken als Georg bereid is van een honorarium af te zien. Akkoord, heeft Georg Zimmer gezegd, akkoord en vriendelijk bedankt.

Er is niets waar Georg niet mee akkoord gaat en vanwege de treurige toestand, onder meer financieel, die hij daarmee bereikt heet het aan hem gewijde boek Tristanakkoord. Het Tristanakkoord is bovendien een woord dat Georg graag in de mond neemt. Meisjes, die zich zelden tot hem aangetrokken voelen, probeert hij ermee te imponeren. Te pas en te onpas wijst Georg hen op Wagners `hunkerende, droefgeestige en min of meer onverlost klinkende' tonentrits, die hem niet echt ontroert maar hem wel, zo hoopt hij, het air van een kenner geeft.

Kortom, Georgs onzekerheid is in dezelfde mate ontwikkeld als zijn verstand van kunst onontwikkeld is, en dat probleem, zoals altijd in Treichels werk, heeft met de provincie te maken. Auteur en personage komen uit een uithoek van Westfalen en dan ook nog eens uit een benepen gezin. In zijn roman Der Verlorene (1998; Nederlandse vertaling: De verlorene) beschreef Treichel een jeugd tussen zondagsschool en kartonnen dozen: de vader was kruidenier. En een man van principes. Gevolg: de zoon droomde ervan om weg te komen uit het deprimerende Emsland.

Zo, als een laagvlakte met een teveel aan bedrijvig- en een tekort aan kunstzinnigheid, ziet de held van Tristanakkoord zijn Heimat ook. De bezichtiging van een collectie oude haardplaten in een dorpskerk is voor de familie Zimmer het culturele hoogtepunt van het jaar, en het gebrek aan culturele bagage vervult zoon Georg zelfs na zijn studie Duits nog met schaamte. Treichel confronteert het falen van deze jonge provinciaal met het succes van een oudere kosmopoliet.

Bergmann is een Duitse componist van wereldfaam, `een soort Brahms of Beethoven', schat Georg, die een klusje voor hem mag doen. Bergmann heeft alles wat Georg niet heeft: vrouwen, lef, roem, geld, ideeën en een aristocratisch profiel. Georg corrigeert Bergmanns memoires. Boven hem zoemt de elektrische puntenslijper van zijn baas. Die componeert zo snel dat het Georg `euforisch verkwikt'. Maar niet heus. Vergeefs probeert de dichter een gedicht te schrijven over de vergeefse poging een gedicht te schrijven.

Via Schotland en New York reizen we achter de componist en zijn assistent aan naar Sicilië. Stuk voor stuk excentrieke locaties die Treichel nuchter beschrijft. Zoals hij ook de excentrieke kanten van Bergmann bijna droogkomisch weergeeft. Grillig, kil en egomaniakaal is deze kunstenaar: een karakteristiek die niet erg verrast. Kouwe kak en roem & rijkdom gaan altijd al samen, en dat kunstenaars bij voorkeur op zichzelf kicken wisten we ook al. Georgs tegenspeler is een cliché. Een karikatuur waaraan iets wezenlijks ontbreekt: de hardheid die choqueert. Aanzetjes genoeg voor boosaardige satire, maar Treichel werkt ze niet uit.

Het Bergmann-personage blijft vlak en in zekere zin blijft Georg dat ook. Zijn tekortkomingen kennen we al vanaf de eerste bladzijden en veel nieuws komt er daarna niet bij. Natuurlijk, zijn klunzigheid escaleert, maar de ernst van de onvermijdelijke ramp valt dan weer vies tegen. Treichel, die met Tristanakkoord zijn tweede roman afleverde, heeft nog geen eigen stijl. Enerzijds leunt hij zwaar op de luidruchtige overdrijvingskunst van Thomas Bernhard, anderzijds tracht hij de subtiele zielsontleding van Martin Walser na te doen. Het een remt het ander af. Waar Bernhards drammerigheid tot doldwaas absurdisme leidt en Walsers gepietepeuter tot een schrijnend inzicht in de pijn van de kleine man, daar komt Treichel noch tot pijn noch tot krankzinnige hilariteit.

Dit gebrek aan reliëf ligt ook aan Georgs matige geheugen. Het feit dat de jongeman een proefschrift over `het vergeten in de literatuur' wil schrijven mag voor de schrijver van de roman geen excuus zijn om zich er met een paar vluchtige verwijzingen naar Westfalen vanaf te maken. Westfalen als reden voor al het falen: dat is echt te weinig. In De verlorene kwam Treichel dichter bij de bron. De schaamte van het individu viel daar samen met de schande van het collectief over de voor de Duitsers verloren oorlog. Die werd in De verlorene heel mooi gesymboliseerd door een verloren zoon; een kind dat zoekraakte toen zijn ouders bij het oprukken van de Russen naar het westen vluchtten.

Ook Hans-Ulrich Treichel, in 1952 geboren, stond in de schaduw van zo'n verloren broer. Het eeuwige minderwaardigheidscomplex van Treichels literaire alter ego's begrijp je pas werkelijk wanneer je De verlorene hebt gelezen. Kennelijk ging Treichel er vanuit dat iedereen De verlorene al kent. Maar het vervolg op een bestseller moet op zichzelf kunnen staan en Tristanakkoord doet dat niet.

Hans-Ulrich Treichel: Tristanakkoord. Uit het Duits vertaald door Nelleke van Maaren. Ambo, 219 blz. ƒ47,50