Odysseus was een rolling stone

Vorig jaar overleed blueszanger Screaming Jay Hawkins. Hawkins, bekend van het nummer I Put A Spell On You, vroeg vlak voor zijn dood aan een vriendin of ze zijn kinderen wilde traceren om ze op de hoogte brengen van hun afkomst. De vriendin ging op onderzoek en kwam tot een aantal van drie officiële, en 72 à 73 buitenechtelijke kinderen.

Hawkins glorieerde in de jaren vijftig. Om zijn grommende zang en zijn theatrale act. Hij kroop uit brandende doodskisten, zong een duet met een doodshoofd en droeg een bot door zijn neus. Zijn versierdrift was legendarisch: hij had een smaak voor vrouwen als een alcoholist voor de fles.

De zwarte Hawkins is de exacte belichaming van waar Ruth Padel het in I'm a Man. Sex, Gods and Rock 'n' Roll over heeft - al komt hij vreemd genoeg in het boek niet voor. Padel bouwt een verklaringsmodel voor popmuziek op basis van de oude Griekse cultuur. 'Wat hebben we daar nu nog mee te maken?', zei zanger Dave Pirner van Soul Asylum ooit.

Sterotypen

Genoeg, volgens Padel, en de gewezen docent oude talen (en dichter) schreef een prikkelend, veelzijdig en humoristisch boek waarin alle stereotypen over de rockmuzikant als vrouwenverslindende, zelfdestructieve wildeman aan bod komen – in klassiek perspectief. Gesteund door vele goden en tragische helden, brengt ze de ontwikkelingen in de geschiedenis van pop en rock in kaart. Onlangs verschenen nog twee boeken van vrouwelijke auteurs over het interpreteren van popmuziek: Stine Jensen schreef De Verlangenmachine. Vrouwen in de popmuziek; Christine Otten bundelde haar eerder in NRC Handelsblad en Nieuw Wereld Tijdschrift verschenen artikelen tot Engel en andere muziekverhalen. Hun perspectieven zijn minder vergezocht dan die van Padel. Otten interpreteert op intuïtieve wijze haar muzikale voorkeuren; Jensen analyseert vanuit feministisch-theoretische blik.

In I'm a Man verbindt Padel moeiteloos de omzwervingen van Odysseus met de rondtrekkende troubadour die via de katoenplukkende blueszanger uitgroeide tot een hedendaagse Mick Jagger of Eminem. Odysseus is de archetypische `rolling stone', die zich door geen vrouw laat vastpinnen en onderweg zijn heldendaden verricht. Padel benoemt de rockster tot `Narcissus', en vernoemt de vrouwelijke fan naar zijn geliefde, `Echo': de zichzelf bezingende rocker versus de toejuichingen van een overwegend vrouwelijk publiek.

De heavy metal-rockers vergelijkt ze met de oorlogsgod Mars in zijn harnas. Natuurlijk, die zware jongens van Whitesnake en Deep Purple in ijzerbeslag, dat zijn krijgers. Padel legt ook uit waaròm geweld en oorlogszucht een rol gingen spelen in hardrock. Om vrouwen te behagen. Want, meent Padel, geen beter afrodisiacum dan een portie knokken. En dat is ook meteen de crux van haar boek. Rock 'n' roll in al zijn verschijningsvormen, van oude blues tot hedendaagse rap, draait om relaties tussen mensen, meestal die tussen man en vrouw - net als de Griekse mythen zijn op te vatten als parabels over intermenselijke verhoudingen.

Muziek draait om liefde en seks. Dat werd voor het eerst duidelijk gemaakt door zwarte blueszangers aan het begin van de twintigste eeuw, met hun lustig grommende liedjes over `zwarte slangen'. Blanke mannen begonnen deze stijl te imiteren en hadden er groot succes mee. Groter dan de oorspronkelijke zangers. Want, zegt Padel, het racistische publiek wilde wel de zwarte muziekstijl van een Leadbelly of Muddy Waters, maar niet de man erachter. Ze schetst een eindeloze reeks misstanden: de zwarte Arthur Crudup die Elvis' hit That's All Right schreef en nooit een cent van de royalty's zag. Of Eric Burdon van The Animals, die in 1965 in Alabama een blank meisje ontmoette dat beweerde van dezelfde zwarte zangers te houden als hij. Hij vroeg haar of ze toevallig Otis Redding had zien optreden de avond tevoren. `Ben je gek, the place was full of niggers', antwoordde ze.

De relatie tussen zwarte leermeesters en blanke volgelingen lijkt niet zo vanzelfsprekend in verband te brengen met de Griekse goden. Maar Padel is niet voor een gat te vangen. Ze schaart de fascinatie van blank voor zwart, die in allerlei opzichten de cultuurgeschiedenis van de afgelopen eeuw heeft bepaald (denk aan de invloed van hedendaagse hiphoppers op taalgebruik en mode), onder de fascinatie van de oude Grieken voor de duisternis; de duisternis van de Dionysische waanzin, van de onderwereld, van je eigen bloed, ingewanden en baarmoeder (c.q. vrouwen in het algemeen). `Licht' was de metafoor voor kennis en leven, maar het ware inzicht ontstond in het donker, door de katabasis (afdaling in de onderwereld). `Darkness was where you met gods and found knowledge you could not find in light'. Daar zit hem de diepere achtergrond van de interesse in zwart, en zwarte mensen, duidt Padel.

Geslacht

Popmuziek is niet Padels achtergrond. Dit boek was ze eigenlijk begonnen als studie naar de rol van vrouwelijk verlangen in opera's, ze vormde het halverwege om tot onderzoek naar de man in rock. Er is Padel wel het een en ander na te dragen. Dat ze de namen van allerlei popmuzikanten niet goed kent, bijvoorbeeld (Cornershop wordt Cornerhouse, Neneh Cherry wordt Naomi), en dat haar verbanden en analyses soms vergezocht lijken. Daar staat tegenover dat ze vrijelijk associërend tot waardevolle conclusies komt, die een popdeskundige wellicht niet zou bedenken.

Iedereen heeft nu eenmaal zijn eigen referentiekader om popmuziek te interpreteren. Dat het geslacht daarbij geen bepalende factor is, blijkt uit een vergelijking van Padels I'm a Man met Engel en andere muziekverhalen van de Nederlandse schrijfster Christine Otten en De Verlangenmachine. Vrouwen in de popmuziek van de eveneens Nederlandse filosofe en publiciste Stine Jensen.

Christine Otten maakte voor onder meer NRC Handelsblad interviews met popmuzikanten als Nick Cave en John Cale. Haar benadering is nooit uitsluitend muzikaal, ze zoekt literaire verbanden (tussen Siouxie Sioux en Beckett) en brengt vaak zichzelf te berde. Voor Otten is muziek de metafoor voor het `mysterie' en de `essentie'. De liedjes van Cave en Cale vertegenwoordigen voor haar datgene waar het leven om draait. Dat maakt Ottens proza soms zwaar. Zo beschrijft ze verschillende keren hoe ze verstrikt raakt in het zoeken naar de betekenis van die liedjes. [..] zoals de muziek me ook altijd het gevoel geeft dat ik nét niet bij de essentie kan komen. De essentie van wat? Geen idee, maar zo voelt het. Daarom stamel en stampvoet ik telkens wanneer ik naar de liedjes van Nick Cave luister. Uit onmacht, uit een zalig soort onmacht.' Haar persoonlijke wederwaardigheden beschrijft ze in korte zinnen, soms op het botte af direct. Toch levert de frictie tussen Ottens pogingen en de vaak gesloten popmuzikanten mooie momenten op.

Tegenover de intuïtieve aanpak van Otten staat De Verlangenmachine waarin filosofe Stine Jensen juist probeert haar voorliefde voor drie zangeressen – Tori Amos, PJ Harvey en Ani DiFranco – in een feministisch-theoretisch kader te plaatsen.

Aan de hand van leven en werk van de drie beschrijft ze een aantal maatschappelijke fenomenen, zoals individualisering en consumentisme. Haar boek begint met een mooie introductie op Amos, Harvey en DiFranco, waarin ze handig hun fascinaties voor God, seks en het eigen individu tegen elkaar afzet. Jammergenoeg laat ze in de tweede helft van het boek de wetenschappelijke benadering overheersen. Met `institutionele ruimte' en `intertekstualiteit' verklaart ze aan het slot waarom PJ Harvey en Tori Amos een wezenlijker vrouwelijke identiteit uitdragen dan iemand als Madonna. Madonna, bekend om haar maskerades, hecht te zeer aan controle; onder die parade van vrouwelijke stereotypen zit nog altijd een autonome vrouw. Harvey en Amos lijken die controle deels te hebben opgegeven, zegt Jensen, en dat waardeert ze aan hen. Zij stellen de grenzen van autonomie ter discussie, `door stem te geven aan pijnlijke, ambivalente en tegenstrijdige aspecten van vrouwelijke subjectiviteit.' Maar als Madonna `tè' autonoom is, bedoelt Jensen dat dan in moreel of in artistiek opzicht? En hoe kan een vrouw `te autonoom' zijn? Die vraag blijft in De Verlangenmachine onbeantwoord.

Maskerade

De maskerade van vrouwelijke muzikanten is een geliefde invalshoek bij het schrijven over pop. Daarom is het aardig dat Ruth Padel in I'm a Man zich eens bezighoudt met de mannelijke vermommingen. Padel toont overtuigend aan dat de hele geschiedenis van de rockmuziek aan elkaar hangt van aangenomen identiteiten. Dat begon met de blanke man die zwart wilde zijn (I wanna be black zong Lou Reed); om zijn vermeende seksuele capaciteiten, zijn gevoel voor ritme en om zijn leven als `rolling stone'. Vervolgens waren er de jongens die volwassen wilden zijn, de Britten die Amerikaan wilden zijn en de mannen die vrouwen wilden zijn. Niet alleen uiterlijk, maar ook inhoudelijk. 'Mannelijke rockmuzikanten tooiden zich met vrouwelijke eigenschappen als kwetsbaarheid en verlangen', schrijft Padel.

Rockmuziek is de arena waarbinnen mannen zich allerlei kenmerken van anderen kunnen toeëigenen. Ze worden zwart, vrouw, volwassen - wat ze maar willen. Als rockmuzikant kunnen ze eindelijk `faken'. Zoals Bob Dylan, onze eigentijdse Euripides, het al zei: `fake, just like a woman.'

Ruth Padel: I'm a Man. Sex, Gods and Rock 'n' Roll.

Faber and Faber. 409 blz.ƒ46,70

Christine Otten: Engel en andere muziekverhalen.

Atlas. 199 blz.ƒ36,90

Stine Jensen: De Verlangenmachine. Vrouwen in de popmuziek.

Prometheus. 142 blz.ƒ28,50