Niet alles kan, en zeker niet tegelijk

De rooms-rode samenwerking in de Nederlandse politiek legde in de jaren vijftig de basis voor de verzorgingsstaat. Maar in 1956 was het polariserende anti-KVP-gif in de PvdA al gezaaid – Drees werd er een indirect slachtoffer van.

Een eigenaardigheid van het Nederlandse politieke coalitiestelsel is dat, al dan niet verrassende, winnaars van verkiezingen vervolgens vaak door de andere partijen in de kabinetsformatie of tijdens het regeren worden bestraft met chicanes. Dat geldt des te sterker wanneer de winnaar een concurrent zó heeft geklopt dat die er onzekerheid en interne verdeeldheid aan heeft overgehouden. Ja, zich zelfs afvraagt of de aantrekkingskracht van de winnaar en diens populaire lijstaanvoerder op den duur niet structureel gevaarlijk gaan worden voor de eigen machtspositie.

In 1952 won de populaire PvdA-lijsttrekker Drees de verkiezingen. De KVP had verloren. Voor het eerst sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog was de grote rooms-katholieke partij niet meer de grootste in Nederland: ze was net als de PvdA met dertig van de toen nog honderd Tweede-Kamerzetels uit de stembus gekomen. Het was de tijd van wederopbouw, brede-basiscoalities, van rooms-rood of rood-rooms. Drees werd na een moeizame formatie premier in een kabinet met KVP, ARP en CHU, zijn PvdA kreeg vijf ministers (van de zestien). Dat derde kabinet-Drees telde nogal wat debutanten, de zwaargewichten van de confessionele partijen, Romme, Schouten en Tilanus, bleven liever in de Kamer. De voorspellingen over de levensduur van de coalitie waren vrij somber. KVP-leider Romme zei dat zelfs met zoveel woorden. En Schouten had niet eens veel zin gehad om zijn ARP te laten meedoen, hij was niet blij over het ministerschap van zijn jonge partijgenoot Jelle Zijlstra en diens moderne economische gedachten. Kortom: de verhouding tussen regering en Kamer beloofde zeer dualistisch te worden nu kopstukken als Romme en Schouten hun partijen in de Kamer wilden profileren en dus al direct enige `extraparlementaire' afstand tot het kabinet wilden laten zien.

Met dit tableau, namelijk dat van barsten in de brede politieke basis die na de Tweede Wereldoorlog het restauratiewerk deed, begint het vijfde deel van de serie Parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. En om het maar meteen te zeggen: het is een boeiend en in het algemeen goed geschreven deel in de serie geworden. Dat is mede te danken aan een nieuwe opzet, die nodig werd doordat de vorige delen per kabinet zóveel tijd vergden dat de achterstand op de beschreven periodes steeds groter werd.

Daarom zijn nu niet alle gebeurtenissen minutieus beschreven, maar heeft een collectief van elf auteurs alleen de grote, politiek omstreden of principieel belangrijke kwesties behandeld in tien hoofdstukken, die samen toch nog goed zijn voor 631 bladzijden. Het jonge auteurscollectief (het oudste lid is van 1954), is er zodoende in geslaagd het boek meer leesbaarheid en meer vaart te geven dan de vorige delen hadden. En dat dan zonder grote kwaliteitsoffers, al verschillen de bijdragen per auteur naar stijl, thema en invalshoek natuurlijk wel. Zo is met recht van de nood een deugd gemaakt.

Acht velletjes

Dat derde kabinet-Drees zou ondanks alle sombere voorspellingen vier jaar volmaken, al beleefde het onderweg (1955) een korte, door de PvdA-fractie gemaakte en door haar ook weer snel gelijmde crisis over de huurpolitiek. Het bleek intern zó homogeen, en werd door Drees zó knap geleid, dat het weinig last had van de vaak lauw-afstandelijke, soms zelfs vijandige Kamer, en qua wetgeving zeer productief was. Dat was ook opmerkelijk omdat het kabinet geen regeerakkoord kende, maar slechts acht velletjes met `richtlijnen', die Drees zelf tijdens de formatie had opgeschreven maar waarover niet of nauwelijks werd gesproken. Veel behoefte had Drees daaraan zelf ook bepaald niet. Zijn uitgangspunt – een sobere overheid met een sociaal beleid – lag vast zolang de politieke realiteit hem niet tot compromissen dwong.

Aan de grote hoeveelheid boeken en boekjes over Drees die dat zuinige uitgangspunt steeds documenteren, heeft prof. H. Daalder met de gedrukte weergave van zijn vorig najaar gehouden (tiende) Drees-lezing weer een aardig deeltje toegevoegd. Het staat vol met voorbeelden. Zoals het eigenhandig schrappen door Drees van een subsidie voor een harmonie uit de begroting van minister Cals (onderwijs, kunsten en wetenschappen), `want anders staan over een paar jaar 1500 muziekkorpsen op de begroting'. Of zijn bezwaar tegen een half miljoen voor een verbouwing van het Rijksmuseum en zijn klacht over `teveel dienstauto's' of over `de te hoge kosten' van het onderhoud van de koninklijke paleizen. Een van zijn lijfspreuken: `Niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk'.

Informeel overleg met Kamerleden, met fractievoorzitters bijvoorbeeld, zoals Kok wekelijks in zijn Torentje heeft, had hij nooit. Hij kon het goed vinden met KVP-vice-premier Beel en wist ook zo wel waar zijn grote tegenspeler in de Kamer, Carl Romme, zijn grenzen legde. Drees, een sociale en sobere socialist, at trouwens niet eens met zijn collega-ministers, dat deed hij liever thuis.

Zijn derde kabinet, dat de grondslag voor het sociale zekerheidsstelsel zou leggen (de AOW bijvoorbeeld), had wèl twee belangrijke omstandigheden mee. Economisch had het de wind in de rug, het kon bijvoorbeeld de gevolgen van de watersnoodramp in 1953 makkelijk en snel financieren, al leidde die financiële ruimte óók tot nieuwe verdelingsvraagstukken. En: de regeringsfracties in de Kamer mochten dan een dualistisch-afstandelijke houding innemen, een crisis wilden zij niet. De KVP voelde zich daarvoor te onzeker en de PvdA-fractie onder de betrekkelijke nieuweling Jaap Burger ergerde zich wel vaak aan de compromissen die de tacticus Drees in het kabinet aanging, maar zij durfden een frontale clash met hem toch niet aan. Daardoor ontstond er in Burgers fractie weliswaar ergernis, maar uiteindelijk moest hij toch steeds weer retireren.

Drees' verkiezingsoverwinning in 1952 had de KVP-top, en vooral Romme, bang gemaakt. Tussen de wereldoorlogen, toen de grote confessionele partijen hun grootste macht hadden en de emancipatie van hun verzuild-gesloten achterbannen grotendeels als geslaagd beschouwden, raakte de voorloper van de KVP, de RKSP, steeds vaker geërgerd door wat zij zag als het `asociale' van ARP-voorman en veelvoudig premier Colijn. Toen al stond de voorloper van de PvdA, de SDAP, qua sociale antenne en opvattingen veelal niet zo ver van de RKSP.

Na 1945 ontstond de PvdA als partij die naar verbreding streefde door uitdrukkelijk ook open te staan voor confessionele leden (en kiezers). Zij zag zichzelf als vernieuwd, als een `doorbraakpartij', en bood ruimte aan zogenoemde rooms-katholieke en protestantse werkgemeenschappen. Drees heeft altijd ambivalent gestaan tegenover zulke werkgemeenschappen of tegenover andere groepen die het socialisme zouden kunnen verwateren. Maar Romme zag die PvdA, met haar aantrekkingskracht voor katholieke werknemers, als groot gevaar.

Acuut gevaar

Dat gevaar was als het ware acuut geworden in 1952 met de overwinning van de PvdA, die nota bene was behaald door Drees, de man die zelf helemaal niet zó enthousiast was over de doorbraak van enkele honderden ex-KVP'ers en ex-CHU-mensen naar het PvdA-lidmaatschap. We komen nu toe aan het interessantste en beste hoofdstuk van het boek, dat geschreven is door de historicus en jurist Johan van Merriënboer (geboren 1962) en dat in een kleine vijftig bladzijden de geschiedenis van het bisschoppelijk mandement van 1954 behandelt. De geschiedenis dus van de totstandkoming en de gevolgen van de kanseloproep van de bisschoppen aan de gelovigen om geen socialistische kranten te lezen, zo min mogelijk naar de Vara te kijken, en geen lid te zijn van het NVV (de socialistische vakbond), dat laatste zelfs op straffe van weigering van de heilige sacramenten en een kerkelijke begrafenis. Het lidmaatschap van de PvdA werd `onverantwoord' genoemd. Dat was nog net geen verbod, maar het maakte de positie van de leden van Katholieke werkgemeenschap in de PvdA toch uiterst moeilijk. En het kon als regelrechte bisschoppelijke aanval op de `doorbraak' in de PvdA worden beschouwd. En als majeure gebeurtenis in de jaren vijftig.

Romme heeft de verkiezingsnederlaag van de KVP in 1952 altijd toegeschreven aan de weigering van de (ontevreden) katholieke standsorganisaties om zich openlijk in een stemadvies voor haar uit spreken. Hij zette daarna alles op alles voor de `eenheid van katholieke politiek'. Van Merriënboer toont aan dat Romme, die altijd heeft ontkend dat hij weet heeft gehad van de totstandkoming en de inhoud van dat mandement, wel degelijk via zijn fractieleden daarvan op de hoogte was.

De commotie die volgt is enorm, niet eens zozeer onder `gewone' kiezers maar des te meer in politiek Den Haag en intellectueel Nederland. Het mandement werkt sfeerverpestend in de Tweede Kamer, waar vooral de PvdA maar ook de VVD woedend reageert, terwijl het kabinet onder leiding van Drees, en tot woede van Burger, rustig zijn gang blijft gaan. Drees spreekt, door de PvdA-fractie geprest om een uitspraak te doen, weliswaar kritisch over deze aanval op zijn partij maar voegt daar laconiek aan toe dat het mandement een oproep aan gelovigen is waar hij als premier verder niet in kan treden.

De auteur beschrijft nauwkeurig de aanvankelijk voorzichtig-remmende rol en de uiteindelijke inschikkelijkheid jegens het mandement van de latere kardinalen Willebrands en Alfrink. En minstens zo nauwkeurig de rol van de drie politieke hoofdpersonen: Romme, Drees en Burger. De eerste ageert, doorgaans discreet, soms onverholen, de tweede ontwijkt, apaiseert en blijft kalmpjes op de been en de derde blaast en raast en moet toch weer retireren.

Romme en Drees winnen op korte termijn alle twee. Drees het meest: hij wint in 1956 vier zetels en de KVP drie, er kan dan een vierde kabinet-Drees komen, zij het maar tot 1958. Maar in de PvdA is het anti-KVP-gif dan gezaaid, het mandement zal daardoor uiteindelijk heel anders uitwerken dan Romme en het episcopaat hadden gewild, namelijk als eerste vliegwiel van de polarisatie. Wie zo wil, kan zelfs zeggen dat Drees, die in 1971 bedankte voor de PvdA wegens haar harde polarisatiekoers, daarvan uiteindelijk zelf nog een indirect slachtoffer werd. En dat anti-KVP-sentiment in de PvdA is blijven werken. Want leidt Wim Kok, nazaat en bewonderaar van Drees, vandaag niet een coalitie die het mede van afkeer van het CDA moet hebben?

Carla van Baalen en Jan Ramakers (red.): Het kabinet Drees III, 1952-1956 – Barsten in de brede basis. Sdu, 631 blz. ƒ125,-

H. Daalder: Het socialisme van Willem Drees.

Bert Bakker, 64 blz. ƒ25,-