Ik houd nu eenmaal van Emile

Emile Verhaeren. Een Franstalige Vlaamse dichter, bewonderd om zijn verskracht, voortgejaagd door zijn mateloosheid, gered door zijn geluk in de liefde. Dit is de eerste aflevering van een serie waarmee Benno Barnard de 20ste-eeuwse dichtkunst bereist. Hij begint in Vlaanderen.

Ondanks een rosblonde knevel van Keltische afmetingen, een episch levenseinde en een sarcofaag van zwart marmer, die als een prehistorische boot in een bocht van de Schelde ligt te wachten tot hij afdrijft naar de westrand van de aarde – ondanks dit alles kost het me moeite om in die onberispelijk geklede heer geen dorpsnotaris met een dichtader te zien.

Maar hij was wel degelijk een beroemd dichter, vereeuwigd door vele beroemde handen. Soms was hij zelfs een groot dichter.

Volgens Paul Valéry, die in 1927 bij de onthulling van zijn borstbeeld in het Quartier Latin een rede over hem hield, bezat deze uit de klei getrokkene `een woelig en buitensporig temperament' en vertegenwoordigde hij (samen met Maurice Maeterlinck, Georges Rodenbach en Charles Van Lerberghe) `in onze taal de Vlaamse aard, met zijn zo uitgesproken kenmerken en fundamentele tegenstellingen' – wat een Parijse manier was om te zeggen dat hij verbazingwekkend goed kon dichten voor een edele wilde.

Ja, Emile Verhaeren was een dichter! Een van de dichterlijke soort bien entendu, met een gemoed vol uitroeptekens. Melancholiek. Verliefd. Beetje bang voor de dood. Tikkeltje naïef. Bevlogen. Lyrisch. De bard uit het dorp van Asterix, maar dan met talent.

O versleten gemeenplaatsen, vormen jullie samen een dichter?

Vlaams. Provinciaal. Vitaal. Een barbaar die de Franse taal roofde. Een oud kalf, tot zijn laatste snik op zijn eigen vrouw verliefd. Geestdriftig. Links. Kosmopolitisch. Een negentiende-eeuwer die door zijn pince-nez visioenen van een `nieuwe mens' zag:

Nous apportons, ivres du monde et de nous-mêmes,

Des coeurs d'hommes nouveaux dans un vieil univers.

Wij, dronken van de wereld en onszelf, die nieuwe mensen zijn, met een jong hart, in een oud universum... Geen wonder dat Verhaeren (die dit in 1906 schreef) niet zo populair meer is. Decennia voor de televisie werd hij tot in Moskou op straat aangeklampt, maar wij verdragen dit soort Jani's niet meer. Die binden we liever aan een boom vast.

Maar laat ik bij het begin beginnen.

Op 21 mei 1855 noteerde de ambtenaar van de burgerlijke stand in Sint-Amands aan de Schelde de geboorte van Verhaeren, Emile Adolphus Gustavus – dit deed hij in het Nederlands. Daags nadien werd deze telg uit een welgesteld koopliedengeslacht gedoopt – de registratie daarvan gebeurde in een vriendelijker Latijn, waarbij een zoveel latere als ik opgelucht concludeer dat hij niet vergeefs een gymnasium heeft bezocht. Zijn ouders waren Franstalige Vlamingen – zij behoorden dus tot de tegenstrijdige variëteit die tegenwoordig paardrijdt in de villadorpen boven Antwerpen, maar toen onder het uitmelken van de arbeidersklasse grote kunstenaars produceerde.

God maakte een dichter van hem, België deze specifieke dichter, `entre la France ardente et la grave Allemagne' (tussen het vurige Frankrijk en het ernstige Duitsland). Wat een bedwelmend idee dat een artistieke jongeman in het vehikel van zijn Frans uit de provincie kon ontsnappen! Het Frans was de trein naar Parijs – waar hij zich helemaal een Vlaming zou gaan voelen, een van die boertjes met hun keelziekte en hun grootse verleden...

`Vlaams' leerde hij pas op de dorpsschool. De eerste jaren van zijn leven kwam de ziekelijke Emile nauwelijks op straat; de wereld was een reusachtig huis, en daarachter strekte zich nog eens een tuin als een Elyzees Veld uit, met een vijver waaromheen pauwen aan het Perzische hof verwant liepen te wezen. Door de ramen aan de voorkant zag hij

Une place minime et quelques rues,

Avec un Christ au carrefour;

Et l'Escaut gris et puis la tour

Qui se mire, parmi les eaux bourrues.

(Een nietig plein en een paar straten, met Christus op het kruispunt; en dan de grijze Schelde en de toren, gespiegeld in het norse water.)

Marie Gevers, een oomzegger van Verhaeren en zelf een Vlaamse schrijfster van Franse romans, een der laatsten van die benijdenswaardige hybriden, inmiddels ook alweer vijfentwintig jaar dood – Marie Gevers plaatste het gedicht dat met bovenstaande regels begint, `Mon Village' (uit 1904), niet toevallig voorin haar lijvige (en overigens chronologische) bloemlezing uit zijn poëzie, Il fait dimanche sur la mer, samengesteld en met een paar ontroerende herinneringen door haarzelf ingeleid in 1966 (en in 1996 nog herdrukt, met geld van de Communauté française de Belgique, maar natuurlijk zonder Vlaamse steun).

Verhaeren zou levenslang heimwee hebben naar Vlaanderen en zijn dorp, zonder de armoede en het bijgeloof van de pachters en fabrieksarbeiders daarbij met het verguldsel van de herinnering te bewerken. Tot in Moskou zou hij van zijn liefde getuigen: ,,Ik hou razend veel (violemment) van dat lapje grond waar ik geboren ben', verklaarde hij tijdens een lezing aldaar. Dat was in 1913 – voor het proletariaat tot het domheidspeil van de burgerman werd verheven, onderhield iedere ontwikkelde West-Europeaan zich probleemloos in het Frans met de tsaristische bovenlaag.

Wat een geluk voor Verhaeren dat hij de huidige toestand van zijn `lapje grond' niet hoeft te aanschouwen! Iedereen met enig esthetisch gevoel heeft heimwee naar Vlaanderen, daarvoor hoef je niet in het buitenland te wonen: in vergelijking met de ruimtelijke ordening van de voorbije veertig jaar in dit land blonk de Luftwaffe uit door voorzichtigheid. Ook Sint-Amands is niet gespaard gebleven.

Het geboortehuis, verknoeid in de stijl der Vlaamse verkavelingen, biedt onderdak aan een Verhaerenmuseum. De restanten van de tuin zijn zelfs voor iemand anders dan Verhaeren choquerend: het is alsof ze zich vergrepen hebben aan je eigen jeugdherinneringen, ook al komen die dan uit gedichten. De Zaligmaker hangt nog wel op zijn kruispunt en staart naar binnen, waar het hoofd van de dichter door Spilliaert is geschilderd en door Zadkine in brons uitgevoerd. Op bruine foto's met een hoge nostalgie-inductie zie je witgekalkte huisjes, weelderige bomen, bereidwillig onder hun pet poserende snotneuzen... Toen ik er op bezoek was en een praatje maakte met de vriendelijke conservator, zat een Vlaams echtpaar van middelbare leeftijd naar een videofilm over Verhaeren te kijken – ze hadden voor de Franse versie geopteerd en begrepen nog minder van de afstandsbediening dan van de taal der Galliërs.

Eh bien, de Schelde was er nog en maakte haar trage bocht naar het westen, en verderop weer naar het noorden: nog dertig kilometer naar Antwerpen. Het was november, stil op soms een eend na, nevelachtig, noordelijk – deze Schelde, deze meer dan tweehonderd meter brede grisaille, leek me precies wat Parijs zich bij `Vlaanderen' voorstelde:

Escaut! Escaut!

Tu es le geste clair

Que la patrie entière

Pour gagner l'infini fait vers la mer.

(Schelde! Schelde! Jij bent het onmiskenbare gebaar dat heel het vaderland, zoals het naar het onbegrensde grijpt, maakt naar de zee.)

Een ingedut veerpontje. Dichte vegetatie aan de overkant. Op de kade een afschuwelijk standbeeld: Verhaeren met stukken afvoerbuis, die ik als opgerold papier moest interpreteren. En het graf natuurlijk, waarin hij samen met zijn vrouw te ruste was gelegd, en in de verte de torenspits van Mariekerke, een silhouet achter het mousseline dat voor de einder hing. En als ik goed luisterde, hoorde ik misschien de steltlopers in de schorren, waar 's zomers grootwarkruid en bittere veldkers bloeiden... Ik keek om naar dat rotdorp, dacht aan de foto's in sepia en realiseerde me dat bij de Verhaerense coin de sol de Verhaerense mens hoorde – de MYTHISCHE VLAMING, die de spruit was

D'un peuple ardu, farouche et violent,

Qui veut tailler sa part dans la spl

endeur du monde

(van een lastig, wild en heftig volk, dat in de schittering der wereld zijn aandeel uit wil houwen – al is tailler ook `slijpen'.)

Zo definieerde hij in 1908 zijn etnie, in datzelfde gedicht `L'Escaut'. Over de mythische Vlaming straks meer – voorlopig is het een vermakelijke gedachte dat de verfijnde cultuurmens Verhaeren, dasspeld, een driedelige distinctie die zich prettig liet portretteren, een huwelijk als een gedenkteken voor de monogamie... dat die Verhaeren zo graag met de `wildheid' van zijn volksstam koketteerde.

Hij werd naar het zeer Franstalige Sint-Barbaracollege in Gent gestuurd, waar hij de poëzie ontdekte en bevriend raakte met de briljante Georges Rodenbach, de primus van zijn klas, die Europa dat precieuze Bruges-la-Morte cadeau zou doen, een roman als een halfslaap. Later zouden ook Van Lerberghe en Maeterlinck diezelfde school bezoeken, op de binnenplaats waarvan thans in het Gents wordt gebasketbald.

In Leuven studeerde hij rechten, een discipline die hij verafschuwde en kweekte hij die capillaire bezienswaardigheid op zijn bovenlip – met zijn snor groeide ook zijn zelfvertrouwen.

Alvorens definitief Emile Verhaeren te worden, in plaats van advocaat of notaris (het beroep dat Jani Roland Holst zo treffend als `spelbreker' heeft omschreven), liep hij in Brussel stage bij Edmond Picard, een socialistisch gezind strafpleiter, die hem introduceerde bij zijn schilderende vrienden van de groep die als `Les XX' Brussel rond 1900 een Parijse glans zou schenken. Tot deze zigeunerbende behoorden onder meer James Ensor, Félicien Rops en Théo van Rysselberghe, om ze niet alle twintig op te noemen. Ensor en Van Rysselberghe zouden hem schilderen; Rops niet, die had liever vrouwenvlees.

Zo ontstond Verhaeren. Hij begon verzen te publiceren in tijdschriften en ontpopte zich als een ware Paulus van de nieuwe schilderkunst. Maar hij keek ook naar de oude schilderkunst – als de wereld iets met Vlaanderen associeerde, buiten het sluimerende Brugge en de grappen van Uilenspiegel, dan toch wel de kleurenweelde en mystiek van de Primitieven, en die prachtige zeugen met hun sinaasappelhuid van Rubens. En de herbergen van Teniers. En Jordaens. Moest er niet een evenzeer tot de verbeelding sprekende Vlaamse (Franstalige) dichtersschool worden gesticht?

Die school kwam er niet. Of wel, als je het Vlaamse aandeel in de decadente en symbolistische poëzie dat aanzienlijk was, in dezelfde schoenendoos wil klasseren. In elk geval heeft ze één bundel opgeleverd: Les Flamandes, Verhaerens debuut uit 1883. Hij bevat veel verwijzingen naar de Vlaamse barokschilderkunst, veel sensueel realisme, veel hyperbolen – het geheel doet denken aan een met de stijfselkwast vervaardigde Rubens, en dan geen kruisafneming. De zinnelijkheid van de gedichten verwekte een klein schandaal, wat altijd goed is voor literatuur; maar de meeste critici oordeelden dat Verhaerens alexandrijn mank liep, dat zijn beeldspraak onsamenhangend was en zijn Frans `van de negertjes'– al waren er ook bewonderaars.

Hierna volgde meer poëzie dan allemaal goed kon zijn – intussen moest zijn persoonlijkheid nog de enge poort van een zenuwcrisis passeren, die het fin-de-siècle in de tweede helft van de jaren tachtig op zijn levensweg plaatste. Nu, heel Europa was in die tijd een beetje in de war. De ontdekking van de elektriciteit, bijvoorbeeld, maakte mensen onzeker over de precieze verhouding tussen de stoffelijke en de geestelijke wereld. Een chemisch proces als de fotografie leek het bestaan van spoken te bewijzen. In de salons dansten de tafels. Het onderbewustzijn stond op het punt verzonnen te worden. En in dat labiele Europa begon Verhaeren aan zijn onrustige volwassen leven van schrijven, lezingen houden en rondreizen – dat hem over de hele windroos zou voeren, om te beginnen naar Londen en de salon van Mallarmé in Parijs.

Hij was een nieuwsgierige provinciaal, Emile, die door al die zwart-romantische modeverschijnselen werd aangezogen en er op zijn beurt uiting aan gaf in een aantal grillige verhalen (waarin schilderijen tot leven komen en de ornamenten van een schouwburg een satanisch stuk op voeren – ze zijn in 1989 als Herberg De Goede Dood verschenen, in een vertaling van Jan H. Mysjkin) en op een minder kitscherige manier in zijn zogenaamde `zwarte trilogie', drie symbolistische dichtbundels, uitgekomen tussen 1888 en 1891.

Symbolisme? Dat is wel de vaagste stroming uit de hele literatuurgeschiedenis; ik heb er althans nog nooit een bevredigende definitie van gehoord. Het postmodernisme van de belle époque? Zeker is dat zelfkwelling en waanzin terugkerende elementen waren, en dat Verhaeren gedichten schreef als `Mourir' (1888), waarvan dit de slotregels zijn:

Mourir! comme des fleurs trop énormes, mourir,

Trop massives et trop géantes pour la vie!

La grande mort serait superbement servie

Et notre immense orgueil n'aurait rien à souffrir!

Mourir, mon corps, ainsi que l'automne, mourir!

(Sterven! als overgrote bloemen, sterven, te zwaar en te reusachtig voor het leven! De grote dood zou daarmee wonderwel gediend zijn en onze mateloze trots zou niets te lijden hebben! Sterven, mijn lichaam, als de herfst, zo sterven!)

Ik weet niet of mijn lezer, of liever Verhaerens lezer, even het juk van de ironie kan afwerpen. Want dit is volgens mij geweldige poëzie, door het classicisme beheerste mateloosheid, bandeloosheid, gekte. Wat nu bloemen in de knop gebroken? Hier wil iemand als een exuberante ruiker in de vaas van het fin-de-siècle verwelken! En de derde regel krijgt bij al dat pathos zowaar iets geestigs als je bedenkt dat het Frans ook een kleine dood kent.

Was hij zo tuk op sterven, Verhaeren?

Wat zal ik zeggen. Goeie dichters schrijven de meest adembenemende liefdespoëzie als ze niks voelen – zolang ze druk bezig zijn versvoeten te tellen en rijmwoorden te zoeken tenminste. En om een technisch niet zo simpel gedicht van 29 regels over je verlangen naar de dood te schrijven, moet je je toch enige tijd op een stuk papier kunnen concentreren, dat wil zeggen niet naar de dood verlangen. En daarbij was esthetisch overlijden erg in zwang.

Dat neemt niet weg dat Verhaeren wel degelijk in de knoop zat met zichzelf. Eigenlijk was hij als Vlaamse plattelandsjongen totaal ongeschikt voor de decadentie, die pose van weke Fransozen. Hij kwakkelde weliswaar regelmatig met zijn gezondheid en had een zekere aanleg voor neurasthenie, maar dat fin-de-siècle maakte hem ook zenuwziek en ongelukkig. En tot overmaat van ramp stierven in 1888 zijn beide ouders. Het werd kortom tijd dat hij zijn vrouw ontmoette.

In oktober 1889, een halfjaar na de geboorte van het komische duo Chaplin en Hitler, werd Emile Verhaeren bij zijn zuster Maria in Bornem (niet ver van Sint-Amands) aan Marthe Massin voorgesteld, een uit Luik afkomstige schilderes, met een atelier in Brussel. Ze was vijf jaar jonger dan hij. Ik ken jammer genoeg uitsluitend foto's en schilderijen waarop ze de vijftig al voorbij is en er als een matrone met te grote broches uitziet - maar erg mooi kan ze ook toen niet zijn geweest. Sluik zwart haar, wilskrachtige trekken. Een bekoorlijke zangstem. Volgens Marie Gevers was haar blik extraordinaire, doordringend en kalmerend tegelijk. Dat laatste was precies wat Emile nodig had. De Mijne (zoals haar koosnaampje luidde) zou Oudje van die bespottelijke decadentie genezen en hem gelukkig maken. Het klinkt allemaal hopeloos kleinburgerlijk en onartistiek, ik besef het, maar Emile zou er wel bij varen - en zijn poëzie ook (wat meteen bewijst dat ellende geen conditio sine qua non voor de scheppende geest is). Gek misschien, maar ik ben Marthe dankbaar. Ik houd nu eenmaal van Emile.

Ze trouwden in 1891. Marthe schilderde nog het impressionistische boeket van de tuin in Bornam, met het bankje waarop ze zo verloofd hadden zitten zijn – maar overigens zorgde ze met een in mijn kringen helaas anachronistisch geworden toewijding voor haar man. Anderzijds had zij de broek aan: hij was evengoed Monsieur Massin als zij Madame Verhaeren.

Haar invloed was enorm. Ze stimuleerde zijn aangeboren geestdrift en vitaliteit – de Moskouse lezing van 1913 had als titel `De cultus van het enthousiasme'. Martha-liefde en mensenliefde vloeiden in elkaar over: ,,Onze liefde is maar een onderdeel van de grote en universele liefde', schreef hij haar drie maanden voor de bruiloft. Zijn katholicisme loste op in een soort pantheïsme. Hij werd socialist. Marthe was dat allang; en had Karl Marx niet gezegd dat de grofste aller kapitalisten de Belgische waren? (Interessant genoeg zou Rosa Luxemburg vele jaren later beweren dat België het enige Europese land was waar je aan iemands taal kon horen tot welke sociale klasse hij behoorde.)

De voormalige vervloekte dichter begon `sociale' poëzie te schrijven; zijn stijl werd min of meer expressionistisch; hij klonk opgewonden, geëxalteerd, profetisch, enthousiast, Vlaams, nieuwerwets, Europees...

La foule et sa fureur qui toujours la dépasse

Fera surgir, avec des bras impitoyables

L'univers neuf de l'utopie insatiable...

(De massa en haar drift die altijd groter is - zij zal met haar genadeloze armen het nieuwe universum van de onverzadigbare utopie creëren...)

Zo staat het in `Le Forgeron' (De smid), uit 1895. Mij doet het eerlijk gezegd denken aan een nachtegaal die door een megafoon zingt.

Evengoed bleef hij gewaagde, onvergetelijke beelden bedenken. Zo noemde hij de industriesteden die als octopussen om zich heen graaiden in een oeroude agrarische wereld `les villes tentaculaires' — het werd in 1895 een bundeltitel en vervolgens een staande uitdrukking. En die goeie ouwe volle maan, waar de tijd elke maand opnieuw zijn lange tanden in zet, veranderde in `Les Fièvres' (De koortsen) opeens in een ouwel:

Mais la lune, là-bas, préside,

Telle l'hostie

De l'inertie.

De maan die daarginds aan het hoofd van de tafel zit, als de hostie der inertie? Is dat niet eerder 1993 dan 1893?

Behalve voor zijn Mensheid dichtte hij natuurlijk ook voor zijn Marthe. De trilogie Les Heures, die tussen 1896 en 1905 ontstond, beschrijft twee geliefden, breekbaar als een herder en een herderinnetje van Saksisch porselein, in een verrukkelijke tuin, een en al bloemenpracht, vlinderwolk en kosmische harmonie. Hier tralalaat de nachtegaal uit volle borst... Curieus: geluk vertelt niet lekker en toch is dit poëzie, geen kitsch. Het eerste deel, Les Heures claires, is niet voor niets in negen talen integraal vertaald (in een teer Nederlands door de Vlaamse dichter Stefaan van den Bremt: De heldere uren, Manteau 1997). Er is geen bundel waaruit Marie Gevers zoveel gedichten heeft geselecteerd; en zelfs Mallarmé, die steile kerkvader van het modernisme, vond het kort voor zijn dood verschenen boekje heel wat charmanter dan Verhaerens luidruchtige engagement voor de ongewassen klasse — misschien ook wel omdat sommige strofen zijn eigen `orfische verklaring van de aarde' leken na te streven:

Que mes deux mains contre ton coeur

Te soient, sur terre,

Les emblèmes de la douceur.

(Bij Van den Bremt wordt dat: `Mijn handen op jouw hart, eendrachtig,/ Wezen voor jou op aarde / Zinnebeelden van het zachte.')

Vanaf het prille begin kreeg Verhaeren te horen dat zijn Frans niet deugde. Volgens André Gide (overigens een bewonderaar) betekende decadent schrijven dat je Vlaams door je Frans mengde – maar dat was nog een boutade aan het adres van het hele Sint-Barbaracollege. Anderen vielen Verhaeren in het bijzonder aan, vooral sinds lang onder het stof verdwenen critici, behept met een majesteitsmeervoud. ,,Mallarmé zou turquoise nooit op angoisse (angst) hebben laten rijmen', snoof een zekere Albert Giraud in 1888. ,,Als we kritiek uitbrengen, dan is dat omdat hij de taal waarin hij beweert te schrijven in het geheel niet machtig is' (dezelfde, 1896). En Marie Gevers haalt een gesprek met de weduwe Verhaeren op, die vertelde dat de dichter ooit ernstig was berispt omdat hij het had gewaagd voorbijjagende wolken `chimères tumultuaires' te noemen — `een schitterend, gewelddadig (violente) rijm' in de ogen van Marie Gevers, maar voor Meester Pennewip-achtigen moest het uiteraard tumultueuses zijn...

Jarenlang waren dergelijke verwijten van sauvagerie Verhaerens deel. Hij was een wilde die zich aan de subtielste aller talen vergreep (altijd weer kom je die nonsens over de superioriteit van deze of gene taal tegen). Hij was een barbaar met een Germaans versritme, dat hinkte als een veteraan van de Frans-Duitse oorlog, en zijn beeldspraak leek wel een kermis. Kortom, hij was een Vlaming.

Maar niet lang na de eeuwwisseling verscheen Stefan Zweig ten tonele. Zijn secure, liefdevolle vertalingen maakten Verhaeren populair in Duitsland; tot zijn vereerders behoorde ook Rilke. Rusland volgde; Scandinavië, Holland ook. Toen die precieuze krentenkakkers van de rive gauche hem eindelijk accepteerden, zweefde de Nobelprijs al een tijdje voor hem uit (Maeterlinck zou hem in 1911 voor zijn neus wegkapen — waarschijnlijk de enige winnaar die ooit iets uit het Nederlands heeft vertaald, Het sieraad der geestelijke bruiloft van Jan van Ruusbroec namelijk).

Zweig adoreerde Verhaeren, de dichter en de intellectueel — dat hij hem op het schild van zijn vertalingen door half Europa droeg, had ook te maken met hun gemeenschappelijk geloof in een nieuwe mens, universele broederschap en dat soort dingen (wat verschrikkelijk dat die hele terminologie sektarisch is gaan klinken). Daarenboven trof de Oostenrijkse jood Zweig in de gedichten van Verhaeren alle kwaliteiten van de `mythische Vlaming' aan, de Uilenspiegel, de aardse, amoureuze, speelse, nuchtere volksmens, met zijn vreemde ontvankelijkheid voor het hogere. Dat mystieke varken was dankzij Charles de Costers La légende d'Ulenspiegel, verschenen in 1867, in grote delen van Europa zeer geliefd — en Zweig verbond het aldus ontstane clichébeeld van de Vlaming met zijn sympathie voor België, op dat moment de vijfde industrienatie ter wereld en `een spiegel met duizend vlakken, die op verkleinde schaal als het ware een samenvatting van het veelvormige universum biedt', vulgo een hoogstgezellig land, waar hij maar al te graag een glas kwam drinken (bronst en slemppartijen zijn nog steeds constituerende delen van de Belgische samenleving). In zijn studie Emile Verhaeren, uit 1910, het boek dat de meest enthousiaste passages bevat die ooit over België zijn geschreven, dicht hij dit land zelfs een eigen ras toe, een biologisch ras welteverstaan. En in de blakende onschuld van zijn era schrijft hij dat Verhaerens gedicht `Ma Race' (1902) `het hele Indo-Europese ras verheerlijkt':

Je suis le fils de cette race

Tenace.

(Ik ben een zoon van dit ras, dit taaie ras.)

Verhaeren doelt hier op zijn Vlaamsheid — maar ik vermoed dat hij het Belgische ras gewoon als een verfijning van het Vlaamse opvatte, zodat die twee evenmin met elkaar in strijd waren als het vaderland (België) en de etnie (Vlamingen). Ik denk dat hij er überhaupt weinig aandacht aan besteedde. Hij gold tenslotte als de nationale Belgische dichter, de hofleverancier van het Schoon-Goede — hij was zelfs een persoonlijke vriend van het koningspaar. Met koningin Elisabeth correspondeerde hij over haar hooikoorts.

In elk geval vond Zweig dat Europa een eigen Walt Whitman nodig had, een dichter die de Europese volkeren `Admirez-vous les uns les autres' (Bewonder elkander) durfde toeroepen — een dichter uit een jong, rijk, optimistisch land, een niet-Fransman, een Belg dus...

Verhaeren liet het zich welgevallen. Verhaeren schreef sublieme, ridicule oden als `L'Europe' (1906):

Et c'est l'heure où le songe et l'effort se confondent,

Où l'on s'attarde, en regardant au loin la mer,

A rêver ce que sont et l'homme et l'únivers

Grâce à l'Europe intense et maîtresse du monde.

(Dit is het uur waarop het dromen en het pogen één zijn, waarop je je verlaat terwijl je over zee uitkijkt en mijmert wie of wat de mens en heel het ondermaanse zijn — dankzij Europa de intense, meesteres der wereld.)

Zo ontstond Verhaeren de profeet, Verhaeren de onleesbaar gewordene, Verhaeren de... de...

O Europese schaamte!

Geneert Amerika zich soms voor

I chant the new empire grander than any before, as in a vision it comes to me,

I chant America the mistress, I chant a greater supremacy,

etc., etc., van Walt Whitman?

Het echtpaar Verhaeren was in 1898 naar Saint-Cloud verhuisd, een voorname buitenwijk van Parijs. Emile en Marthe woonden er in de Rue Emile Verhaeren, toen nog rue Montretout geheten. Het bleek een uitstekende plek om heimwee naar Vlaanderen te ontwikkelen; maar de panacee zou merkwaardig genoeg in Wallonië liggen. Ze kochten een boerenhuis in Henegouwen, in de laatste aardplooi tussen het inferno van de Borinage, waar de vlammen van de hoogovens de hemel kookten, en de Franse grens, Valenciennes. Er hoorde een voor het pantheïsme bevorderlijk tuintje bij, dat om een vervolg op Les Heures claires bedelde. In deze kleine pastorale, hun aanbevolen door de weduwe van Georges Rodenbach, brachten de Verhaerens van 1899 tot het uitbreken van de oorlog jaarlijks vele weken door — en behalve liefdespoëzie ontstonden hier grote stukken van Toute la Flandre, een vijfdelig encyclopedisch lofdicht op het nog onverkavelde.

Le Caillou-qui-bique is het enige bedevaartoord (buiten de Scheldebocht) waarheen de liefhebber zijn schreden kan richten. In het hoofdgebouw is vandaag de dag een provinciaal educatief centrum gevestigd, vanwaaruit schoolgaande jeugd de omringende bossen terroriseert; het Verhaerenmuseum is in een verbouwde stal ondergebracht. Maar alles is anders dan Toen, want vijf dagen voor de wapenstilstand van 1918 viel er stompzinnig genoeg een verdwaalde Duitse granaat op de boerderij, en wat je nu te zien krijgt is een reconstructie gevuld met interessante rommel.

Ik belde de toeristische dienst in Mons. De sleutel viel onder het beheer van een Mademoiselle Berger, die haar Petrus-functie serieus bleek op te vatten. Na enig gepalaver ontbood ze me onder het viaduct van de laatste afslag voor de Franse grens, op een dinsdagmiddag in februari.

Ze stond er, een mollige engel met een brilletje, geheel van roze marsepein — en onder een godenschemering van een wolkendek reed ze voor me uit, langs overwoekerde vulkanen van slak, de uitlopers van de postume mijnstreek, door Dour heen, door Roisin, de velden in.

Het huis lag een beetje weggezakt in de modderige schoot van Henegouwen, omringd door grasperken, beukenhagen, coniferen en tastende eiken. Half literair Europa, Zweig voorop, had deze plek weten te vinden voor je met Mademoiselle Berger onder een snelweg kon afspreken — een verbazingwekkende gedachte. ,,Komen hier vaker mensen als ik?' vroeg ik haar toen ik uitstapte. Te veel parkeerplaats had een stuk tuin weggevreten.

,,O, om de twee maanden iemand. Meestal Fransen.' Het klonk niet alsof ze het mystieke lichaam der Verhaeren-volgelingen als bijzonder pathologisch beschouwde.

Achter de ramen van het hoofdgebouw keken etende kinderen ons aan, maar besloten dat we onvoldoende exotisch waren om naar te zwaaien.

De Mijne en Oudje hingen naar ons te staren op de mediocre portretten van hun vriend Constant Montald, boven de uitstalkasten die tweederde van de gesublimeerde koestal in beslag namen, en waarin het onvermijdelijke papier lag, alsook een dasspeld. Ik vergeleek de diverse gefotografeerde en geschilderde notarissen Verhaeren en kwam tot de slotsom dat hij er levenslang (of toch minstens vanaf 1889) als een jonge bejaarde had uitgezien – met zijn vaste attributen, de knevel die nu een hit zou zijn in het Parc Astérix, het knijpbrilletje, de ingehaakte arm van Marthe... En om een of andere reden associeerde ik dat met de bloemenzeeën in zijn buitenlandse hotelkamers, met dat krankzinnige succes, onvoorstelbaar geworden nu het Frans en de dichtkunst allebei zoveel kale plekken in hun pauwenstaart vertoonden.

Het derde derde van het museum bestond uit een `impressie' van Verhaerens werkkamer (dat is een literaire-musea-wet: wordt er een ruimte uit het leven van de auteur gereconstrueerd, dan nooit de slaapkamer of de stamkroeg.) De meubels, kleden, boeken, bibelots en schouwornamenten waren uit de brand gered of kwamen uit Saint-Cloud. Een gravure van Ensor: Mariekerke onder een tumult van wolken. Een pasteltekening van Van Rysselberghe die ik direct had willen pikken van de provincie Henegouwen: een levend lezend meisje. Verhaerens laatste vloeiblad, een sterrenhemel van bruine spatten, waar ik geen astrologie bij wist. Albert I en Elisabeth op twee bruine staatsieportretten, gesigneerd en eigenhandig voorzien van een opdracht voor Marthe: `A la mémoire du grand Verhaeren'...

Hoe was het gegaan? Hij had de oorlog als een persoonlijk affront opgevat. Duitsland had Verhaeren verraden. Zijn poëzie was in één klap onwaar geworden. Die naïeve man had werkelijk niet door wat Auden zo onvergetelijk simpel onder woorden zou brengen: dat poëzie niets liet gebeuren. Hij schreef afschuwelijke dingen over de arme Zweig, die op 4 augustus 1914 in een vijand was gemetamorfoseerd.

Zijn einde was iets uit een oud, bloeddoorlopen heldendicht, of de wreedste van alle Belgenmoppen. Op 27 november 1916 vermorzelde de Vooruitgang hem met een van haar krachtigste symbolen. De dag daarvoor had hij in Rouen een lezing gehouden en nu wilde hij de trein terug naar Parijs nemen, maar hij was te gehaast, stapte mis en kwam tussen twee wagons terecht — zijn benen werden onder de knie geguillotineerd, zijn lichaam half in elkaar gedrukt. Hij stierf minuten later op het perron. Er waren laatste woorden: ,,Ik sterf... mijn vrouw... mijn vaderland...'

Achter mij probeerde Mademoiselle Berger een ambtelijk kuchje. Ik maakte mijn blik los van de vorsten en draaide me naar haar om. Ze hield uitnodigend haar sleutelbos omhoog; in haar marsepein had ze een glimlachje gekneed. Ik glimlachte terug.

,,Houdt u van Verhaeren?' vroeg ik.