Iedereen heeft een denkbeeldige familie

In Frankrijk kent iedereen zijn naam, maar toch blijft J.G.M. Le Clézio een raadselachtig schrijver: teruggetrokken en publiciteitsschuw. Hij reist rond de wereld zoals een nomade: in cirkels, bijna seizoensgebonden, en komt steeds op zijn vertrekpunt terug.

Hij is er, maar eigenlijk is hij er ook niet, J.M.G. Le Clézio. Een paar uur geleden is hij vanuit Oezbekistan in Parijs aangekomen en laat op de avond vliegt hij verder naar Albuquerque, New Mexico, waar hij sinds 1977 woont. De middag brengt hij door bij zijn uitgever in Parijs, Gallimard, waar hem de Grand Salon ter beschikking is gesteld, een chique, ovale, met spiegels gedecoreerde zaal, die op twee banken na leeg is. Er zit nog Oezbeeks zand in Le Clézio's sportschoenen en het netvlies van zijn staalblauwe ogen weerspiegelt beelden uit een andere wereld.

,,Een paar dagen geleden zat ik op net zo'n bank,'' zegt Le Clézio (1940) met een zachte, van keelpijn raspende stem; ,,in een magnifiek veertiende-eeuws paleis, gebouwd door een van de khâns, de grote Arabische koningen uit die tijd. Ik keek rond over de binnenhof. Niet ver daarvandaan was de harem. Ik zei bij mezelf dat de koning niet had kunnen doen wat ik daar deed: gewoon in de zon zitten en om zich heen kijken. Hij was de gevangene van zijn positie, zoals de vrouwen uit de harem zijn gevangenen waren. Ik herinnerde me twee versregels van de Turkse dichter Rumi: `Wat is meer waard, het bevel voeren over tienduizend man of vrij zijn in een vruchtdragende eenzaamheid?' Ik was die verzen aan het beleven. Het is beter vrij te zijn in eenzaamheid dan machtig in gevangenschap. Ik ben gericht op mensen die zo'n soort eenzaamheid hebben verkozen, niet op diegenen die heersen, handelen en zich bekommeren om hun imago.''

Het is een uitspraak die zowel de persoon van de schrijver als zijn werk karakteriseert. Iedereen in Frankrijk kent Le Clézio's naam, ondanks het feit dat de schrijver niet aan image-building doet – daarvoor is hij te teruggetrokken en te bescheiden. Interviews geeft hij slechts mondjesmaat: toen Bernard Pivot Le Clézio onlangs eindelijk bereid had gevonden in zijn literaire televisieprogramma Bouillon de Culture te verschijnen, wijdde hij prompt zijn hele programma aan een gesprek met de schrijver – een eer die daarvóór slechts Marguerite Duras te beurt was gevallen.

Geen wonder: Le Clézio's oeuvre is niet alleen qua omvang (meer dan dertig romans, verhalen- en essaybundels en een tiental jeugdboeken), maar ook qua impact waarschijnlijk even doorslaggevend op het verinnerlijkte literaire universum van veel Franse lezers. Welke adolescent herkende zich niet op de één of andere manier in Adam Pollo, de zoekende hoofdpersoon uit Le Clézio's debuutroman Le procès-verbal, waarvoor hij in 1963 meteen de prix Renaudot kreeg? En was zijn verhalenbundel over het mysterieuze jongetje Mondo niet een moderne, Franse Catcher in the Rye?

Le Clézio is een fenomeen, zijn schrijverschap maar moeilijk te vangen: daarvan getuigen vele studies, proefschriften, speciale tijdschriftennummers en onlangs ook een biografie in de prachtige reeks Vérité et légendes. Zijn werk is vaak filosofisch (L'extase matérielle), soms essayistisch (Le rêve mexicain) en bovenal kosmopolitisch: `Before there was multiculturalism, there was the work of Jean-Marie Le Clézio', schreef The Washington Post al in 1994 over The Prospector (Le Chercheur d'or) en The Mexican dream (Le rêve mexicain), twee van de meer dan tien vertalingen die in de afgelopen decennia in de VS verschenen. Le Clézio's werk wordt er unaniem geprezen om zijn `documentary feel of history', om de manier waarop hij mythen uit het Europese koloniale verleden laat versmelten met `elementen uit Paul en Virginie (achttiende-eeuwse roman van Bernardin de Saint-Pierre – md), Indiana Jones en Robinson Crusoe'.

Le Clézio's werk is grensoverschrijdend, niet te vangen in welke literaire traditie dan ook: hij is een eenling, een auteur zonder duidelijke literaire evenknie, een bewonderaar van Jules Verne, John Updike en Jorge Luis Borges, maar ook van le comte de Lautréamont en Jean-Paul Sartre. Le Clézio schrijft over jonge mensen en hun dromen, over steden en onbewoonde eilanden, over de zee en de woestijn. De schrijver, die zichzelf veel meer ziet als nomade dan als wereldreiziger, zoekt naar de samenhang tussen het intellect en het fysieke, naar een filosofisch evenwicht tussen natuur en cultuur. Zijn spirituele zoektocht voert langs oude mythen, vergeten sagen en vervlogen beschavingen. Hij trok, soms jarenlang, mee met indianenvolken of woestijnbewoners, wier cultuur hij bestudeerde en wier oerteksten hij vertaalde.

Le Clézio's vroege werk (La fièvre, L'extase matérielle, La guerre) getuigde van de angst van de enkeling in een gewelddadige wereld, maar ook van protest tegen de agressie van de moderne maatschappij: het individu versus de massa, schoonheid versus geweld. In zijn meest recente werk (Hasard, Angoli Mala, Coeur brûlé) is er eerder sprake van een queeste naar harmonie, van een vermenging van hoop en nostalgie. Le Clézio's taalgebruik is, nog steeds, vloeiend en beeldend, uitermate poëtisch, op het zangerige af. Maar schijn bedriegt: Le Clézio is geen dromer, geen naïeve écolo (radicale milieu-activist). Het is een zelfbewuste schrijver die in dagblad Le Monde het Japanse Mitsubishi opriep af te zien van het bouwen van een dam in Mexico, die het voortbestaan van de walvis daar zou bedreigen. In andere artikelen beschuldigde hij offshore industrieën ervan schaamteloos te profiteren van lage lonen in arme landen en ook uitte hij verschillende malen zijn afschuw over illegale extra lozingen na het vergaan van de tanker Erika, waardoor de Bretonse kust nog ernstiger werd vervuild.

Het was Bretagne dat één van Le Clézio's voorouders, een reder, aan het eind van de achttiende eeuw verliet om zijn geluk te beproeven op het Ile de France, een eiland in de Indische Oceaan, dat later door de Engelsen werd omgedoopt tot Ile Maurice (Mauritius). Le Clézio's grootvader, een magistraat uit de machtig geworden Mauritiaanse familie, verliet op zijn beurt vrouw en kinderen om een droom na te jagen: hij ging op zoek naar een legendarische schat op het nabij gelegen eiland Rodrigues. In Le chercheur d'or (1985) volgt Le Clézio zijn grootvader op het het schateiland. Voyage à Rodrigues (1986) verhaalt van Le Clézio's eigen reis naar dit eiland.

`La mémoire de l'origine' is in Le Clézio's werk een vast thema. ,,Ik geloof erg in de familie, in het geslacht, hoewel dat iets is dat men tegenwoordig helemaal niet meer cultiveert'', zegt Le Clézio. ,,Daarmee bedoel ik niet de beperkende familiegeest die al het andere verdringt, maar de persoonlijke geschiedenis van een individu: het kan een gebaar zijn dat je erft van je grootmoeder, een manier van vertellen, een orale traditie, die niet behoort tot de collectieve cultuur.

,,Ik kom uit een machtige, archaïsche familie, die op Mauritius nog steeds elk radertje controleert. Zonder haar goedkeuring kun je er niets beginnen. Dat ervaar ik als vreselijk drukkend, daarom ben ik er ook niet gaan wonen, zoals ik ooit van plan was. Ik geloof in imaginaire families: mijn ouders en mijn vrouw behoren daartoe, een revolutionaire voorouder wier brieven en boeken ik heb gelezen, een oud horloge, een vulpen die ik heb geërfd, maar ook bijvoorbeeld de slag van Saint-Aubin-du-Cormier, waarbij Bretagne in 1488 haar onafhankelijkheid verloor. Die elementen behoren tot mijn familie, ze zijn veel belangrijker dan echte verwantschap. Iedereen stelt zijn eigen imaginaire familie samen. Ik ben ervan overtuigd dat, zelfs wanneer kinderen zich verzetten tegen hun ouders en een andere richting lijken in te slaan, ze in zekere zin alleen maar verder uitbouwen wat hun ouders hen hebben doorgegeven.''

Le Clézio's onverzadigbare nieuwsgierigheid naar andere culturen moet in zijn genen zitten. Reizen is voor hem een manier van leven geworden. Zijn eerste grote reis maakte hij op zijn achtste jaar, op een Nederlands vrachtschip van de Holland Africa Line, van Nice naar Nigeria, om kennis te maken met zijn vader, die als arts in Nigeria werkte. Tijdens de overtocht bleef Le Clézio in zijn hut, maakte zijn eerste tekeningen en schreef zijn eerste verhalen. ,,Het was mijn eerste en enige reis,'' zegt Le Clézio. ,,Ik heb in wezen geen andere gemaakt. Het was een reis zoals het vroeger ging. Je vertrok zonder te weten wanneer je terugkwam, zonder te weten wat je aan de overkant aantrof, zonder te weten of je degenen die je achterliet ooit nog terug zou zien.'' Ruim veertig jaar later verscheen Onitsha, een `rêverie' over die eerste reis, waarin Le Clézio zich trachtte te herinneren hoe hij als achtjarige die tocht beleefde – de reis die het prototype van alle reizen in Le Clézio's werk zou worden.

Le Clézio is geen avonturier, op zoek naar gevaar dat de dagelijkse saaiheid van het bestaan doorbreekt. Hij reist zoals een nomade, in cirkels, bijna seizoensgebonden, en komt steeds op zijn vertrekpunt terug, waardoor er van ontworteling geen sprake is. Op zoek naar schoonheid en naar harmonie, kenmerken zijn reizen zich door zelfdiscipline, spaarzaamheid en zelfs een vorm van ontbering. Het bijna militaire regime dat zijn vader na zijn terugkeer uit Nigeria in het gezin doorvoerde, was gebaseerd op zuinigheid, een afkeer van verspilling en het verwerpen van alles wat met het grote geld te maken had – een instelling die Le Clézio tot op de dag van vandaag trouw is gebleven.

Het verklaart mede Le Clézio's fascinatie voor oude culturen als die van berbervolken of midden-Amerikaanse indianenstammen. Na zijn debuut in 1963 vervulde Le Clézio zijn vervangende dienstplicht in Thailand. Door zijn openlijke kritiek op de kinderprostitutie moest hij het land verlaten en werd hij naar een volgende post gestuurd: Mexico. Hij verdiepte zich in de indiaanse cultuur, schreef Diego en Frida (over het leven van de Mexicaanse kunstenares Frida Kahlo) en sloot zich voor enkele jaren aan bij indiaanse nomadenstammen, de Emberas en de Waunanas in Panama. In 1975 vestigde hij zich in Jacona, een Mexicaans stadje met een rijk, pre-koloniaal verleden. In Voyages de l'autre côté (1975) en Le Rêve Mexicain (1988) stelt Le Clézio de cultuur, de riten en de magie van de indianenstammen tegenover de rationele consumptiemaatschappij in het Westen: water, vuur, wind tegenover de vluchtigheid van de wegwerpmaatschappij. `Je suis indien', schrijft hij in Haï (1971).

,,Voordat ik naar Mexico en Panama ging, dacht ik dat er geen plek op aarde zou zijn waar ik me thuis zou voelen,'' zegt Le Clézio, ,,maar daar voelde ik me goed. De indiaanse maatschappij was harmonieus – dat is nu ook niet meer zo. Het draaide om de gemeenschap, om communicatie met de natuur en met de omringende wereld. Er was geen geestelijkheid, geen vaste ereplaats voor religie, wel een zekere mystiek. Men hechtte er aan zuinigheid, aan een effectief gebruik van alle middelen. Het was er in ieder opzicht – praktisch en filosofisch – volmaakt. Maar die kleine gemeenschappen overleven het niet. Net als de personages in mijn verhalen hebben ze een sterke wil om tot het einde te gaan, maar ze zijn machteloos, zonder verdediging en dus tot de ondergang gedoemd. De mens behoort nu eenmaal tot een vernietigende soort.''

Vasthouden wat verdwijnt, toegankelijk maken wat eeuwigheidswaarde heeft – dat is wat Le Clézio moet hebben bewogen om, meer dan tien jaar geleden, samen met de dichter Jean Grosjean, te starten met de Gallimard-reeks A l'aube des peuples, een `littérature des origines', met oude, oorspronkelijk orale teksten uit de meest uiteenlopende culturen: Tahitiaanse mythen, legenden uit de beschaving van de Cashinahua indianen, gezangen van het Aino-volk in Japan, een geschiedenis van Armenië, maar ook mémoires van een Syrische tolk van Napoleon.

Steeds weer blijkt het oeuvre van Le Clézio geschoeid op een stevige autobiografische leest. De schrijver spreekt via zijn personages over wat hij zelf heeft beleefd, over mensen die hij heeft gekend of over wie hij verhalen heeft gehoord en die deel zijn gaan uitmaken van zijn eigen leven. Zo is de hoofdpersoon van het onlangs in het Nederlands vertaalde Angoli Mala een jonge indiaan uit de Waunanas-stam, Bravito. Angoli mala is het mythische verhaal van een weesjongen die door een priester wordt opgevoed en later weer de jungle intrekt. Hij wordt verliefd op Nina, dochter van een zwarte politieagent. Bravito sluit zich aan bij drugssmokkelaars die de regio terroriseren, wat hem noodlottig wordt: Nina verdwijnt, haar ouders worden vermoord, Bravito vlucht voorgoed de jungle in. In het geheugen van de mensen leeft hij verder als `la légende de l'homme sauvage', een variant op `de goede wilde'.

,,Het is een verhaal over waanzin,'' zegt Le Clézio. ,,Ik heb die jonge Indiaan gekend. Door de dood van zijn verloofde werd hij gek. Hij verdween in het woud, doodde mensen, terwijl hij eigenlijk alleen maar uit was op menselijk contact. Het verhaal speelt zich af vlakbij Colombia, een oorlogsgebied, waar drugshandelaars koning zijn. Je bent er je leven niet zeker. Ik kan er niet meer naar terug. Ook de indianen kunnen er niet meer leven, ze hebben zich in de steden teruggetrokken. Eén van de meest aangename plekken op de wereld is veranderd in een jungle van misdaad. Daarom heb ik dat verhaal geschreven.''

Hasard, dat onlangs verscheen onder de Nederlandse titel In volle zee, speelt zich af in andere, Le Clézio dierbare culturen. Hoofdpersoon in deze roman is het meisje Nassima, dochter van een Antilliaanse vader en een Franse moeder, dat zich verstopt aan boord van een prachtig schip voor de kust van het Zuid-Franse Villefranche. Het schip is eigendom van de beroemde, rijke cineast Moguer, die zich opmaakt om via La Palma en Tenerife de Atlantische Oceaan over te steken, naar Guadeloupe. De overtocht is magisch: dolfijnen, sterrenregens, de schoonheid van exotische baaien en het allesoverheersende gevoel van vrijheid wegen op tegen het stormachtige geweld van de elementen en de bij tijd en wijlen drukkende eenzaamheid. De raadselachtige relatie tussen Moguer en Nassima, hun overeenkomstige verleden, de verstilde sfeer en de poëtische kracht van Le Clézio's taal, maken Hasard tot een hoogtepunt in zijn oeuvre.

,,Het boek is gebaseerd op het verhaal van Errol Flynn, de Amerikaanse filmacteur,'' zegt Le Clézio. ,,Als kind zag ik zijn schip in de haven van Nice, helemaal verlicht. Hij gaf er enorme feesten. De Amerikaanse marine ontving hem als een held. In wezen was het een nogal twijfelachtig personage. Hij verdween, maar zijn schip bleef. Jaren later, toen er weinig meer dan een karkas van over was, heb ik erop rondgelopen. Je rook er nog de geur van avontuur. Iedereen zou één keer in zijn leven per boot de Atlantische Oceaan moeten oversteken. Je leert in twee weken op zo'n schip meer dan door het lezen van honderden boeken. Het is een les die je krijgt van de elementen. Als je aan de overkant aankomt, ben je anders. Dat geldt overigens ook voor een tocht door de woestijn.''

Woestijn en zee, beide zijn voor Le Clézio vertrekpunten naar het onbekende, waar de tijd in een ander perspectief komt te staan. Al in 1980 verscheen Désert, vier jaar geleden Gens des nuages, een met prachtige foto's geïllustreerd boek, waarin Le Clézio verslag doet van een reis door de Zuid-Marokkaanse woestijn – een `retour aux origines', ditmaal in de voetsporen van de voorouders van zijn vrouw, Jemia, die werd geboren in de vallei van de Saguia el Hamra, in het uiterste zuiden van Marokko.

Het is enerzijds een sobere beschrijving van rotsen, rivierbeddingen en heilige plekken, anderzijds een overpeinzing over schoonheid en harmonie, licht en leegte, vrijheid en eenzaamheid. `Reizen en een nieuwe horizon verkennen is één ding', schrijft Le Clézio in Gens des nuages, `je verleden ontmoeten, als een onbekend beeld van jezelf, is een ander.' Wie dat onbekende beeld wil ontdekken, zal het stof van eeuwen moeten wegblazen. Dat is precies waarmee Le Clézio zich al schrijvend bezig houdt. Steeds weer opnieuw.

Bijna al het werk van J.M.G. Le Clézio verscheen bij uitgeverij Gallimard:

Le Procès-verbal, Mondo et autres histoires, Désert, Le chercheur d'or, Voyage à Rodrigues, Le rêve mexicain, Poisson d'or, Hasard et Angoli mala.

Diego et Frida en Gens des nuages verschenen bij uitgeverij Stock.

Le Clézio's kinderboeken (zoals Lullaby en Celui qui n'avait jamais vu la mer) zijn verkrijgbaar in de collectie Folio junior.

Nederlands vertalingen, door Maria Noordman, verschenen bij De Geus:

Gouden vis, Diego en Frida, De geschiedenis van een legendarisch paar, In volle zee, Angoli Mala.