Het hoofd ontsnapt

Alberto Giacometti tekende knoedels van krassen rond de ogen of hij zette er een bril voor – blik en ogen lieten zich niet door hem vangen.

,,Een kop, we weten nu wel hoe een kop eruit ziet'', zo schamperde André Breton, de leider van de surrealistische beweging, toen hem in 1935 ter ore kwam dat de kunstenaar Giacometti weer naar een model was gaan tekenen. Het werken naar de natuur was voor de surrealisten vloeken in de kerk en Breton nam het zo hoog op, dat Giacometti uit de surrealistische groep werd gezet.

Voor Alberto Giacometti (1901-1966) was het uiterlijk van een kop minder vanzelfsprekend dan voor Breton. Hij had zijn besluit om `enkele studies' van een levend model te maken in 1935 genomen omdat hij `de bouw van een hoofd of van een hele figuur' beter wilde begrijpen. Maar het zou niet bij enkele studies blijven. Zijn hele verdere leven, dertig jaar lang, probeerde hij halsstarrig te doorgronden hoe een kop, een figuur, in elkaar steekt. Hij maakte honderden, misschien wel duizenden portretstudies op papier van altijd dezelfde koppen – die van zijn moeder, zijn vrouw Annette, zijn broer Diego en van nog enkele modellen. Door elke keer opnieuw hetzelfde te tekenen wilde hij zich rekenschap geven van wat hij precies waarnam.

Giacometti werd vooral bekend om zijn beelden van langgerekte, fragiele figuren, maar het tekenen stond bij hem altijd voorop. ,,Of het nu om beeldhouwen of schilderen gaat, het komt slechts aan op het tekenen. Als men dat beheerst, volgt de rest vanzelf'', schreef hij. Zijn tekeningen waren geen studies voor schilderijen of sculpturen, maar zelfstandige uitingen. Tekenen was voor hem een `middel om beter te leren zien', om `de zichtbare wereld te ontdekken'.

Uit Giacometti's tekeningen, die nu ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag in het Centre Pompidou in Parijs worden geëxposeerd, maar ook uit zijn geschriften, is af te leiden hoe hij zich steeds weer van de wijs liet brengen door de beperkingen van het menselijk gezichtsvermogen. Het is alsof hij zo nauwkeurig keek, dat hij niet meer in staat was om te beseffen wat hij exact had gezien, laat staan dat hij het nog in een tekening kon weergeven.

Giacometti, een zoon van de Zwiterse, impressionistische schilder Giovanni Giacometti, begon al jong met het natekenen van zijn omgeving en van reproducties van oude meesters als Dürer en Rembrandt. Hij heeft meermalen verhaald hoe hij in zijn jeugd het gevoel had dat hij alles kon tekenen wat hij maar zag en dat hij `kon zien als geen ander'.

Op zijn achttiende wordt hij voor het eerst door twijfel beslopen: het is alsof de werkelijkheid hem, terwijl hij kijkt, telkens ontglipt. Een paar jaar later, omstreeks 1925, komt hij tot de slotsom dat het onmogelijk is de mensen en dingen om hem heen weer te geven zoals hij ze ziet en dat hij maar beter uit zijn herinnering kan putten. Zijn beelden worden abstracter en eind jaren twintig heeft hij de werkelijkheid losgelaten als inspiratiebron. Hij maakt dan bizarre, surrealistische tekeningen en sculpturen. Over zijn surrealistische periode zou hij later zeggen dat hij ook toen voortdurend bezig was met `optische problemen', maar dat hij die alleen langs een andere weg benaderde, via zijn fantasie. Inderdaad verwijzen de titels van zijn surrealistische constructies – Hoofd dat kijkt, Het onzichtbare object, Punt gericht op het oog – vaak naar wat hem zijn hele leven zou blijven obsederen en dwarszitten: het zien.

Maar wat zat hem daarbij dwars, waarom was de waarneming voor Giacometti zo'n bron van frustratie?

Drinkglas

Giacometti vond dat een kunstenaar nooit met een vooropgezet idee aan het werk moest gaan. Hij uitte kritiek op Rodin, die van tevoren al wist dat een hoofd rond was en die een evenbeeld van het menselijk lichaam maakte in plaats van het weer te geven zoals hij het op een bepaalde afstand had gezien. Zelfs als hij zoiets simpels als een drinkglas tekende, probeerde Giacometti zich te realiseren wat hij precies zag: ,,Wanneer ik naar het glas kijk, ontwaar ik bij elke blik maar een klein beetje van de kleur, de vorm en het licht. (-) Je ziet het als iets dat verdween en weer opdoemde (-), dat zich steeds tussen zijn en niet-zijn bevindt. En dat wil je dan weergeven...''

Het bij elke oogopslag opnieuw opdoemen van het glas, de boom, het interieur, het model of wat hij ook maar aan het tekenen was, leidde tot die eigenaardige, aarzelende tekentrant die zo typerend is voor Giacometti. Hij zette geen heldere, trefzekere contouren op papier, maar een nerveuze wirwar van tastende, besluiteloze, vluchtige lijnen en krassen. Hij durfde geen enkele vorm te fixeren, omdat die vorm zich bij een volgende oogopslag weer anders zou voordoen: sommige delen zou hij scherper zien en andere waziger. Het is geen toeval dat juist de tekeningen uit zijn surrealistische periode een vastere, gedecideerde lijnvoering tonen. Bij het tekenen van surrealistische objecten hoefde hij niet op zijn waarneming af te gaan.

Als een glas in zijn ogen al voortdurend van gedaante verwisselde, moet het een onmogelijke opgave zijn geweest om met zijn blik vat te krijgen op zoiets gecompliceerds als de mens. Kijkend naar zijn model zag hij dan weer een detail en dan weer het geheel. Als hij zich bij het tekenen op een detail concentreerde, verloor hij de samenhang uit het oog. Van vlakbij zag hij het model als een vormloze vlek, pas op enige afstand kon hij er een volume in ontdekken en altijd had hij het gevoel dat het menselijk gelaat omhuld werd door een mysterieuze sfeer `die de exacte grenzen van het wezen onbepaald maakt'.

Maar wat hem voor de grootste problemen stelde, waren de ogen van een model. Want hoe kun je de blik van een mens, een blik die voortdurend als een vlieg heen en weer gaat, ooit vangen in een tekening? Voor Giacometti was die blik het verschil tussen leven en dood: zonder blik verstarde een hoofd tot een schedel. ,,Misschien bestaat het hele geheim van de kunst wel in het kunnen uitbeelden van een pupil'', schreef hij. ,,Als ik de vorm van het oog te pakken kon krijgen, zou waarschijnlijk iets ontstaan wat op een blik zou lijken.'' En als hij maar eenmaal die blik had, dan zou hij het hele hoofd hebben. Maar keer op keer wilde het niet lukken. Want zag hij de ogen, dan ontging hem de blik en ving hij de blik, dan had hij geen zicht op de ogen. Soms meende hij dat niet de ogen zelf bepalend waren voor de blik, maar de entourage en gaf hij bij het tekenen al zijn aandacht aan de lijnen om de ogen heen, zodat daar knoedels van krassen ontstonden.

Gaten

De taaie worsteling van Giacometti met de ogen, de blik van zijn modellen is op de tentoonstelling van tientallen tekeningen af te lezen.

Bij de vroegste tekeningen is er nog niets aan de hand. Op zijn zeventiende tekent hij zijn moeder, en face, zoals hij later altijd zou doen bij zijn portretten. Bij een tekening en profil zou volgens hem het oor het middelpunt zijn en dat interesseerde hem niet. Zijn moeder kijkt ons op deze tekening met haar scherp weergegeven ogen helder en onbevangen aan. Ook op de portretten uit het begin van de jaren twintig zijn de ogen met het oogwit en de pupillen nog duidelijk uitgetekend. Maar dan, in het Zelfportret uit 1924, is het oog niet meer dan een schematische aanduiding. In het Portret van Isabel uit 1935 zijn er alleen twee lege, gapende gaten en in het Zelfportret uit dat jaar omzeilt hij de ogen, zoals hij vaker zou doen, door er een bril voor te tekenen.

Na de oorlog raakte hij steeds meer geobsedeerd door het ogen-mysterie.

`Het punt van binnen dat ons aankijkt door de ogen' zoals hij de gelaatsuitdrukking omschreef, trachtte hij nu weer te geven door een cumulatie van bijna radeloze lijnen waaruit in het midden een donker, volgekrast oog opdoemt. Ook liet hij zich inspireren door de Byzantijnse kunst omdat de Byzantijnse schilders er volgens hem het meest in geslaagd waren het oog gelijkend weer te geven – zonder het domweg te kopiëren – en er bovendien een blik in te leggen. In 1957 tekende hij een `Byzantijns portret' van zijn vrouw Annette, met een naar binnen gekeerde, serene gelaatsuitdrukking die neigt naar het onpersoonlijke. Hij verliet zich op de kunst van de Egyptenaren en de Romeinen, maar hij kwam er niet uit.

Op het portret dat hij in 1962 van Annette maakte komen alle lijnen samen in twee starre, levenloze ogen. Behalve die ogen zijn alleen de neus en de mond getekend. Verder kwam hij niet. Giacometti moet gezien hebben dat dit portret in aanzet al meer weg had van een schedel, een doodshoofd, dan van een levend gezicht.

Hoe een levende kop eruit ziet, zou hij nooit doorgronden. Maar juist daaraan danken we al die verwoede pogingen daartoe.

Alberto Giacometti, Le dessin à l'oeuvre. Centre Pompidou, Parijs. T/m 9 april, di. gesl. De catalogus, 255 p., kost f87,-.

Alberto Giacometti: Écrits. Uitg. Hermann, Parijs 1990, f47,-