God is in het trappenhuis

Leven en dood: in The Death of Vishnu, het romandebuut van de Indiase-Amerikaanse mathematicus Manil Suri, lopen ze in elkaar over. De hoofdpersoon, de sjoemelende klusjesman Vishnu, ligt al op de eerste bladzijde doodziek in het trappenhuis van een appartementsgebouw in Bombay en de lezer is de rest van het boek getuige van de dromen en visioenen van een stervende. Langzaam laat zijn bewustzijn de wereld los.

Om hem heen kolkt het leven. Dagelijks krijgt hij thee en (overgebleven) chapatis van twee buurvrouwen van een verdieping hoger, mevrouw Pathak en mevrouw Asrani, die elkaar naar het leven staan met kleinburgerlijke verwijten en kinderachtige slinksigheden. In die strijd mobiliseren ze hun echtgenoten, die, zoals het hoort in een `domestic comedy', eigenlijk helemaal geen gedoe willen en het best met elkaar kunnen vinden, omdat ze allebei even sullig zijn.

De dochter van de Asrani's koestert een romantische ontsnappingsfantasie met de buurjongen van weer een verdieping hoger, Salim. Dat is niet de jongen die haar ouders voor haar hebben uitgezocht, en bovendien is hij een moslim. Door het huwelijk van zíjn ouders, het echtpaar Jalal, loopt een gevaarlijke breuklijn: zij is conventioneel godvruchtig, hij bijna agressief rationeel. Maar achter zijn verbeten scepsis gaat een groeiende obsessie schuil: wat voelen al die gelovigen in Bombay wat hij niet voelt?

In het manische verlangen naar geloof dat meneer Jalal in zijn greep krijgt, breekt de schrijver door de muren van de huiselijke komedie heen. Achter de alledaagse werkelijkheid van kleine beslommeringen en aangepaste verlangens, ligt een andere werkelijkheid die te groot is om rationeel te bevatten. Meneer Jalal wil die andere werkelijkheid koste wat het kost ondergaan. Aan alle in zijn omgeving beschikbare godsdiensten, en dat zijn er vele, ontleent hij methodes om zijn eigen ik en de wereld te ontstijgen. Hij geselt zichzelf tijdens een mohammedaanse processie, hongert zichzelf uit, bezoekt een swami en zoekt zijn heil in geestelijke zelfkastijding. Op een nacht kruipt hij in het trappenhuis tegen de halfbewuste Vishnu aan en krijgt hij eindelijk het religieuze visioen waar hij zo hartstochtelijk naar heeft verlangd: uit het stervende omhulsel van de klusjesman rijst de hindoegod met dezelfde naam voor hem op.

Heel mooi aan The Death of Vishnu is dat het Manil Suri lukt al die bovenmenselijke verlangens en visioenen te verankeren in de tragikomische microkosmos van het trappenhuis. Meneer Jalal krijgt zijn visioen, maar wanneer hij er de wereld kond van wil doen dat er een god in het trappenhuis ligt, die ernstig aanbeden dient te worden, veroorzaakt hij een rel die levensbedreigend uitpakt voor hem en zijn vrouw. Op het kritieke moment moet ook hij zich afvragen of zijn visioen niet gewoon het resultaat is van een overspannen geest die zichzelf te veel heeft uitgeput op zoek naar het hogere: is de wens de vader van de gedachte?

Eigenlijk alles in The Death of Vishnu – de wel erg neutrale Nederlandse titel moet het doen zonder verwijzing naar Tolstoi's beroemde novelle over een stervende, De dood van Iwan Iljitsj – heeft te maken met het antwoord van Suri op die vraag. De god in het visioen van meneer Jalal wordt geboren uit zijn verlangen naar die god, het doet er niet toe dat er geen sprake is van een objectieve waarheid. Een van zijn belagers merkt meteen op dat zijn openbaring rechtstreeks uit het heilige hindoeschrift de Bhagavad Gita afkomstig is. Zonder het zelf te weten heeft meneer Jalal religieus plagiaat gepleegd.

In The Death of Vishnu staat de geest van alle personages voortdurend klaar om buiten zijn oevers te treden. Ze klampen zich vast aan hun lievelingsmuziek, zoals de weduwnaar die een plaat met een filmliedje grijs draait om zich zijn gestorven vrouw voor de geest te kunnen halen, ze verkeren in de ban van Bollywoodromantiek of mystieke swamis. Wanneer hun verbeelding op hol slaat, kan dat tot prachtige openbaringen leiden, zoals bij meneer Jalal tijdens zijn mystieke nacht met de stervende Vishnu, maar in de tastbare wereld leidt het net zo vaak tot tragische misverstanden en irrationele uitbarstingen waarbij onvermijdelijk slachtoffers vallen en echt bloed vloeit. Dat is een gegeven, lijkt Suri in zijn eerste roman te willen zeggen, de destructieve kant van de menselijke verbeelding laat zich niet bezweren.

De overige bewoners van het trappenhuis staan laconiek tegenover de stervende Vishnu. Ze ruziën over wie de ambulance moet betalen die hem naar het ziekenhuis brengt. Ze klagen over zijn stank. De vrouw die melkflessen rondbrengt, weet dat hij onder haar rokken zal kijken als hij de kans krijgt. Tegelijk laat Suri de lezer in het hoofd van zijn bijna-dode kijken: de geest van Vishnu zweeft door het trappenhuis, losse associaties voeren hem terug naar zijn gedoemde liefde voor het hoertje Padmina. Wanneer meneer Jalal hem begint te aanbidden waant hij zichzelf ook werkelijk de god Vishnu en raken zijn gedachten verstrikt met verhalen uit de mythologie van het hindoeïsme. Hoogtepunt is de scène waarin Vishnu en zijn geliefde in zijn gedachten een Bollywood-verfilming van het verhaal van hun eigen liefde bijwonen.

The Death of Vishnu is een debuut en je kunt gemakkelijk de invloed van andere schrijvers aanwijzen. De gemoedelijke ironie lijkt afkomstig van de Indiase grootmeester R. K. Narayan, het gegeven van het trappenhuis als decor voor een comédie humaine werd eerder gebruikt door Rohinton Mistry in zijn roman-in-verhalen Tales from Firozsha Baag. En in zijn begrip voor de pogingen van zijn personages om in het alledaagse blijvende betekenis te vinden, toont Suri zich sterk verwant aan de Amerikaanse schrijver Michael Cunningham, bij wie hij ook werkelijk een schrijfcursus volgde.

Tolstoi noemde ik al. Hier en daar wordt ook te snel duidelijk welke kant de schrijver met zijn personages op wil en krijgt zijn roman iets van een verzameling parabels. Dat is jammer, vooral omdat de mannen en vrouwen in het appartementscomplex wel degelijk een eigen, onvoorspelbare dynamiek hebben.

Manil Suri is een groot oorspronkelijk talent. Dat blijkt uit het gemak waarmee hij dingen en gebeurtenissen tegelijkertijd verheven en banaal kan laten zijn, en werkelijke dingen een onwerkelijke glans kan geven. Het blijkt uit zijn gevoel voor humor en zijn scherp gevoel voor timing. Het blijkt ook uit prachtige scènes, die als losse herinneringen in je hoofd achterblijven, zoals die waarin meneer Jalal zich naast Vishnu te slapen legt, en uit de liefdevol beschreven seks van de klusjesman met zijn onbereikbare geliefde. En het blijkt vooral uit je indruk achteraf, dat ondanks al die aanwijsbare invloeden, niemand anders deze intrigerende roman geschreven had kunnen hebben.

Manil Suri: The Death of Vishnu. Bloomsbury, 333 blz. ƒ37,95

De Nederlandse vertaling van Sjaak de Jong is verschenen onder de titel Het trappenhuis bi

Prometheus, 268 blz. ƒ39,50