Erwtensoep en maneschijn

Literatuur begint met verslaggeving, zei Tom Wolfe twee jaar geleden in een interview met deze krant. De Amerikaanse New Journalist, die in zijn tweede roman A Man in Full de jaren negentig op de staart had getrapt, verketterde het egomane schrijven en spiegelde zich aan Balzac en Zola, ,,twee schrijvers die niet te beroerd waren om de straat of de mijnen in te gaan om het leven op papier te krijgen.' Het was te danken aan ijverige onderzoeksjournalistiek dat hij de levensstijl van het Nieuwe Zuiden of het mensonterende gezwoeg in het diepvriespakhuis van een supermarktketen zo overtuigend in beeld had weten te brengen.

Het schnitzelpaleis moet een boek naar Wolfe's hart zijn. De verbluffende debuutroman van Khalid Boudou, een in Marokko geboren Tielenaar, bevat ongetwijfeld autobiografische elementen, maar valt allereerst op door de felrealistische beschrijving van het werk in de keuken van een Van der Valk-achtig restaurant. De Blauwe Gier, zoals de `knibbelknabbelschnitzelherberg' in het Gelders rivierengebied heet, is de nachtmerrie van Arbeidsinspectie en Keuringsdienst van Waren: een hel van stank en gorigheid, waar afgekeurde varkens en koeien door snotvretende viezeriken worden verwerkt tot stukken vlees `zo groot als een zeemlap', en waar onderbetaalde allochtonen zich een weg schaatsen tussen de aasvliegen en de verstopte vetputjes. De achterkant, kortom, van de `goudpapieren menukaarten in het Frans' die aan de gasten worden gepresenteerd.

Sopstagiair

In het smerigste hoekje van deze Augiasstal, in het `bassin voor jonglerende bacteriën' dat de pannenschoonmakerij is, werkt de held van Boudou's verhaal. Nordip Doenia is een negentienjarige drop-out die naar eigen zeggen twee jaar van zijn leven heeft verslapen, en die nu als `sopstagiair' zichzelf weer tot een volwaardig lid van de maatschappij wil maken. De Blauwe Gier is `het leven in het klein', denkt hij, en hij heeft niet eens ongelijk. De pikorde in de keuken, de corruptie van de opzichters, de seksuele frustratie van de losers achter het aanrecht – het lijkt allemaal verdomd veel op de wereld aan de andere kant van het parkeerterrein. Als Nordip na een jaar spitsroeden lopen De Blauwe Gier achter zich laat, heeft hij niet alleen zelfrespect, maar ook respect verworven.

De grote vraag in Het schnitzelparadijs – een die de hoofdpersoon zelf probeert te beantwoorden – is hoe Nordips leven zo uit de rails heeft kunnen lopen. In mijmeringen boven het pannensop worden ons enkele suggesties voorgeschoteld. Nordip heeft op jonge leeftijd zijn paradijselijke leventje in Marokko moeten verruilen voor een rijtjeshuisbestaan in Holland (`regen, Tita Tovenaar, nep-chocola en sprookjes'). Aan de verwachtingen van zijn omgeving heeft hij nooit willen voldoen; de school was hem niet uitdagend genoeg, zijn vader was hem niet streng genoeg (`kunt u mij niet gewoon heel hard slaan?' herhaalt hij steeds wanneer zijn vader verdrietig constateert hoe zijn zoon zijn leven vergooit). Zijn jeugdliefde heeft hem verlaten, en op het kantoor waar hij een blauwe maandag heeft gewerkt, hield hij het niet uit. Niet omdat hij achtergesteld werd, maar omdat zijn collega's goedbedoelend hamerden op zijn anders-zijn: `Ga je vandaag weer exotisch lunchen, Nordip?' `Yep, ik heb een gebraden kip, drie ons olijven en een schapenkop bij me. Wil je soms een knapperig oor?'

Ach gut, zou je kunnen denken: Nordip wordt gemangeld tussen twee culturen; hij is het zoveelste slachtoffer van het multicultureel drama. Maar zo clichématig ligt het niet. Hoewel Het schnitzelparadijs nogal geestig ingaat op de assimilatieproblemen van de migrant – met als hoogtepunt het kerstpakket waarvan na aftrek van al het onreine alleen een pak tarwekoekjes moslim-proof is – is Nordips onaangepastheid universeel. Hij is de rebel zonder reden, de puber op weg naar volwassenheid, die we kennen uit een bibliotheek van Bildungsromans, van De avonden tot Blauwe maandagen en van De jonge Werther tot De vanger in het koren. Nordip is op zoek, maar hij geeft zelf toe dat hij niet weet naar wat. Ja, naar het `leven van erwtensoep en maneschijn' dat schnitzelparadijs Holland zou moeten zijn.

De problemen van de migrant spelen slechts zijdelings een rol in Het schnitzelparadijs. Dat neemt niet weg dat Boudou zijn personages enkele harde noten laat kraken over de wenselijkheid van integratie. In Buurthuis Alcatraz sart Nordip de Marokkaanse doctorandus die zijn ziel heeft verkocht aan de maffia van paternalistische wijkdeskundigen (`Je bent gewoon een ongelooflijke droplul in een zelfbedacht multicultureel drama'). Terwijl Nordip op zijn beurt de oren worden gewassen door een moslimcollega in de spoelkeuken, die zegt dat de Marokkanen in Nederland zichzelf en hun cultuur verloochenen: `Wat heb je daarmee bereikt? Je likt hier alleen maar pannen. Kijk maar naar de Chinezen, of naar de Turken... Hun leven is hun leven. Ze verkopen zichzelf niet, weet je [...] heb jij wel eens een Chineesje meer Nederlands horen zeggen dan ,,sambal bij?' [...] Ik zweer het je, weet je, weet je wel, stelletje weetjesmensen, nog twintig jaar en jullie zitten allemaal met een string aan met jullie kinderen om een gerookt grijnzend vies pestvarken gelukkige kerstfeestliedjes te zingen...'

Straattaal

Dit citaat, uit een monoloog van de koksmaat Amimoen, biedt niet alleen stof tot nadenken (zonder dat het Nordip er overigens van weerhoudt om toch voor een zekere mate van aanpassing te kiezen) maar laat ook een van de belangrijkste literaire kwaliteiten van Het schnitzelparadijs zien: de goed bekkende straattaal waarin de personages hun twijfels en onvrede de wereld in schreeuwen. Net als Tom Wolfe – en diens grote voorbeeld Mark Twain – karakteriseert Boudou zijn personages overtuigend door hun taalgebruik. In Nederland, waar de `vernacular tradition' onderontwikkeld is, en literaire spreektaal maar al te vaak tot gênante imitaties van dialogen leidt, mag dat uitzonderlijk heten. Nordip Doenia is misschien geen Huckleberry Finn, maar zijn literaire stem maakt hem vanaf de eerste bladzijde tot een springlevende hoofdpersoon.

`Een omgevallen taalrommelpot' noemt Nordip zijn eigen manier van praten, en dat is een goede omschrijving. Creatief Nederlands, met goed gedoseerde neologismen en frisse combinaties (een `gezette BMW', fietswielen die `wegkwijnen in hun eigen roest'), wordt doorspekt met Arabische en Engelse woorden en moslimbegrippen, zoals `salamiseren' voor `iemand begroeten'. Slechts zeer zelden krijgen Boudou's zinnen iets gewilds. Het grootste deel van het boek is even geestig als dynamisch, en de enige echt vertragende passage is die over de levensloop van een neef van Nordip – een lange flashback uit Marokko die als ontroerend kort verhaal zou werken, maar in het geheel van Het schnitzelparadijs te veel van het goede is.

`Als dit Ierland was, zou ik beter kijken' schreef K. Schippers in een gedicht met de titel `Bij Loosdrecht'. Het is een onuitroeibare Hollandse gewoonte om een verrassend debuut van eigen bodem te relativeren met een aantal kritische noten. Laten we in het geval van Het schnitzelparadijs een uitzondering maken: de 26-jarige Khalid Boudou heeft een roman geschreven die niet alleen boven het Nederlandse maaiveld uitsteekt, maar die ook in internationaal perspectief de zeis kan weerstaan.

Khalid Boudou: Het schnitzelparadijs.

Vassallucci, 294 blz. ƒ39,90 (geb.)