Een verhaal (2)

,,Zie je hem nog?'' vroeg Simon terwijl hij vanuit zijn auto met Anne belde. Hij doelde op haar belager buiten het huis.

Toen hoorde Anne opeens een doffe knal. De stem van Simon brak af. Daarna niets meer. Hij heeft zich doodgereden, was haar eerste gedachte.

Maar Simon kroop op dat moment heelhuids uit zijn auto. Hij wist niet precies wat er gebeurd was, hij was er alleen zeker van dat hij een andere auto geraakt had. Hij had met een snelheid van ongeveer 120 km gereden. Eerst was hij nog een auto (met twee politiemensen in burger) gepasseerd, meteen daarna waren de achterlichten van die andere auto voor hem opgedoemd. Hij kon maar niet begrijpen dat hij die lichten pas op het laatste moment had gezien. Hij had zijn stuur nog omgegooid, maar was toch tegen de linkerkant van de auto gebotst.

Hij liep naar de auto die hij had aangereden. Luguberder kon het niet. Er was geen bestuurder te zien. Had de man of vrouw geen gordel om gehad? Hij had geen tijd om het lichaam te zoeken, want agenten pakten hem al vast en leidden hem naar een politiebusje. Pas toen ze wegreden, besefte hij wat hij veroorzaakt had. Hij zag buiten een lichaam onder een wit laken liggen, en een agent naast hem zei: ,,Dat heb je mooi voor elkaar.''

Het slachtoffer bleek een man van 42 jaar te zijn. Een dag tevoren was zijn vrouw bevallen van een zoon. Hij had al kinderen uit een vorig huwelijk.

Op het bureau werd het alcoholpromillage van Simons bloed gemeten: 1,7 promille, ruim driemaal zoveel als is toegestaan. Ze verhoorden hem – later ook Anne – en namen hem in voorlopige hechtenis. Bij de ingang van het cellenblok telde een bewaakster de inhoud van zijn portemonnee. ,,Je moet meetellen'', zei ze. Het drong amper tot hem door.

Hij zal over een poosje moeten voorkomen. Doodslag, luidt de beschuldiging. Er zijn verzachtende omstandigheden, want niemand twijfelt aan het verhaal van Anne. Maar hij hoeft er niet op te rekenen dat hij weer gauw zal mogen rijden. Het zal heel moeilijk worden zijn eigen bedrijf voort te zetten.

Maar dat is allemaal bijzaak, dat beseffen hij en Anne maar al te goed. Het zelfverwijt dreunt door in alles wat ze doen en denken.

,,Waarom heb ik hem gebeld?'' zegt Anne. ,,Ik heb het me wel honderd keer afgevraagd.''

,,Waarom heb ik niet 112 gebeld?'' zegt Simon.

Hij had de vrouw van het slachtoffer een brief geschreven. Haar antwoord was woedend geweest, ze had hem in geen enkel opzicht gespaard. ,,Je hebt me mijn leven afgenomen. Ik haat je.''

De vrouw wilde een confrontatie met hem, maar Slachtofferhulp had het voorlopig afgeraden. ,,Ze mag me voor van alles uitmaken'', zegt Simon, ,,maar het lost niks op. Ik kan haar haar man niet teruggeven.'' Hij zal een ontmoeting niet uit de weg gaan.

,,Ik wil er ook bij zijn'', zegt Anne. ,,Ik wil vertellen wat er gebeurd is.''