De wolf wacht, de slager slijpt zijn mes

Merkwaardig genoeg is een van de bekendste gedichten van na de oorlog tegelijkertijd nog altijd een van de beste: `Komt een duif van honderd pond, / een olijfboom in zijn klauwen, / bij mijn oren met zijn mond / vol van koren zoete vrouwen, / vol van kirrende verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaalt ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen'.

Dit begin van Leo Vromans prachtgedicht `Vrede' is zowel sentimenteel als hard. Het gebruikt een cliché, de duif met het olijftakje als symbool voor vrede, maar dit cliché is functioneel, want de dichter blaast het op, met die honderd pond die een bom van de duif maakt en met een olijfboom in zijn klauwen, die het cliché van het woord vrede en het verlangen naar vrede meedogenloos onderuitschopt.

Ook in Erik Menkvelds zojuist verschenen tweede bundel, met de intrigerende titel Schapen nu!, fladdert een duif op. `Hou je symboolwaarde steeds in het oog', zegt de dichter tegen de vogel, waarna een met Vroman vergelijkbare dubbelzinnigheid van oorlog en vrede volgt in zijn verdere advies:

Goed koeren scheelt vechten,

wie goed koert, koert tien tegen een

zijn mededuif het gevecht uit de kop.

Dit is het soort geestigheid waar Menkveld patent op heeft en die bestaat bij de gratie van een onnavolgbaar lichte toon. In zijn debuut, De karpersimulator (1997) zit iemand bij een lezing die (zoals lezingen meestal) te lang duurt. Voor het geestesoog van de getergde toehoorder doemt het dashboard van zijn auto op: `In de wijde omtrek / is niet te tanken. De eerste huizen / liggen vele dagen gaans.' Dat is raak getroffen en nog grappig ook.

Menkvelds gedichten zijn door hun muzikaliteit en ongewone perspectief vaak onweerstaanbaar. `Koor van ongehoorde waaibomen' bijvoorbeeld laat waaibomenhout dat in kozijnen, vloeren en een tafel verwerkt is, mopperen dat niemand dit hout ooit nog een blik waardig keurt. Verongelijkt zeggen de tot planken gezaagde bomen: `Maar allemaal hebben we / blad gedragen, tegen / wilde luchten de wind / in ons tekeer voelen / gaan.'

Het titelgedicht, Schapen nu! heeft een zelfde rare aantrekkelijkheid. De titel functioneert als eerste regel. Na deze uitroep gaat het zo verder:

Voor ik het wist was het eruit.

Pijnlijke stilte.

Iedereen in verlegenheid.

Ik ook altijd

lach ik nog.

Als een Tourette-patiënt heeft de dichter het `schapen nu!' eruit geknald, waarna hij wat schaapachtig om zichzelf lacht: zie mij toch eens, grinnikt hij, al kun je eveneens lezen: ik ben óók altijd verlegen. `Maar het is al te laat', vervolgt het gedicht:

Achter de beslagen ramen

groeit het geblaat.

En masse rukken de schapen kennelijk op vanuit het niets na de wonderlijke uitroep (smeekbede? bevel? juichkreet?), zij het dat je ze vooralsnog alleen maar kan horen blaten en niet kan zien.

Voor je het weet, lees je dit vers tegelijkertijd als een vers over het dichten. Niet voor niets heet de hele bundel Schapen nu! Je roept iets raars en het wordt iets waars – als dat geen poëzie is. De afdeling waar dit gedicht in voorkomt heet misschien wel daarom `De waarheid nadert'. Het is ook de titel van het volgende gedicht, dat de waarheid in de eerste persoon enkelvoud `levensgroot en oorverdovend' een dorp laat naderen. Men meent dat de waarheid niet meer bestaat, maar `Dat gaan ze hier beleven vandaag.'

Toch is het de vraag of de waarheid van de poëzie, want daar gaat het denk ik over, zo dreigend is als deze regel suggereert. In elk geval niet bij Erik Menkveld, die in al zijn onweerstaanbaarheid mij soms te zoet wordt. Niet voor niets verwelkomde Marjoleine de Vos de bundel onmiddellijk bij verschijnen in haar voor deze krant geschreven rubriek; deze gedichten vertonen eveneens een opgewektheid waar je je enorm aan kan optrekken. Zo spreekt de dichter tot een baby in de wieg: alles mag je worden! Waarna een vrolijke opsomming volgt, eindigend met `pacht- en beestenlijstenonderzoeker / van verdwenen Drentse keuterijen / Behalve ongelukkig. Beloofd?' Ook elders wordt een baby zo toegesproken, gevoelig en niet ongeestig. Behalve dat ik er de kriebels van krijg.

Er is soms een lichte dreiging, als in het eerste gedicht dat besluit met

Heeft de mug die mij komt steken

mij al in de gaten boven de kamperfoelie

onder ons wagenwijd slaapkamerraam?

Maar het blijft een miniem gevaar. Ik bedoel dit niet als muggenzifterij: het gaat ook op voor Menkvelds op zich vaak prachtig verwoorde suggestie dat de wereld volkomen kunstmatig is. Bij een paar hengelaars die niks vangen schrijft hij: `Toen ze uiteindelijk al dat water / tot de einder hadden liggen zijn ze / waarschijnlijk de vissen vergeten.' Of na een flinke wandeling terug in `de dagelijkse Duitse realiteit' roept hij uit: `Wat hebben ze daar een werk van gemaakt!' Toch wordt die vervreemding nooit onbehaaglijk.

Waar blijft de onrust? Waarom komt de dichter niet in het geweer? Hoeveel blijmoedigheid kan een mens verdragen?

Toegegeven, aan het eind van Schapen nu! komt de dood om de hoek bij een soort in memoriam voor de schrijver Hendrik van Teylingen en in `Ik ben al bijna bij je' over het altijd nabije einde (`Kom ik als ziekte dan snoep ik al aan je'). Deze gedichten behoren echter, zo denk ik, niet helemaal toevallig tot de zwakkere van de bundel.

Schapen nu! is nog beter dan het debuut van Menkveld, maar zijn duif moet goed koeren en wordt geen honderd pond. Als het waar is dat in de beperking zich de meester toont, dan zijn deze gedichten meesterlijk. Alleen blaten de schapen in deze bundel `vanaf de dijk / de sterren toe' om zichzelf en de lezer te doen vergeten dat de wolf wacht, de slager zijn mes slijpt en mond- en klauwzeer om zich heen grijpt.

Erik Menkveld: Schapen nu! Gedichten.

De Bezige Bij, 56 blz. ƒ34,90