De kunstenaar en het meningenmannetje

Volgens de sage zou Leif Ericsson omstreeks 1000 na Christus Vinland hebben ontdekt. Maar waar lag Vinland precies? Nog niet zo lang geleden, in 1965, kwam een middeleeuws document boven water dat uitsluitsel gaf over de ligging ervan: bij Rhode Island. `De legendarische reis van de Noormannen was daarmee een historisch feit.' Dat schrijft Gerrit Noordzij in een van de stukken in zijn boek De handen van de zeven zusters. De sensationele vondst van de kaart werd al spoedig gevolgd door een andere, al even sensationele vondst. Bij analyse in 1974 bleek de Vinlandkaart het witte pigment titaandioxide (of titaanwit) te bevatten. En dat was vreemd, want de productie daarvan was pas omstreeks 1920 begonnen. Het document bleek dus een vervalsing, waarop de kersverse historische reis alsnog weer een legende werd.

Mooi verhaal. Maar het mooie verhaal blijkt zelf ook weer ontmaskerd te kunnen worden. In een nieuw stuk, dat er meteen op volgt, laat Noordzij koeltjes weten dat titaan overal op aarde in kleine hoeveelheden voorkomt, onder meer in het voor verf gebruikte mineraal rutiel. Het is mogelijk dat de Vinlandkaartanalisten het `natuurlijke' mineraal ten onrechte voor het `moderne' titaanwit hebben aangezien – en dan zou de kaart dus toch van voor 1920 kunnen dateren. Noordzij's conclusie, met zichtbaar plezier genoteerd: `Het is dan niet zeker dat de Vinlandkaart een vervalsing is, maar nooit zullen wij zeker weten of de vervalsing echt is.'

Vals en echt, historisch feit en slim bedrog, de beperkingen van de waarneming en het besef dat wij heel veel niet kunnen weten en vermoedelijk ook nooit zullen weten: dat zijn kwesties die Noordzij interesseren. Ze keren vaak terug in De handen van de zeven zusters, net als het spel met omkeringen en verwachtingen en de droge humor. Daarmee is een eerste karakteristiek gegeven van een hoogst curieus boek dat zich verder maar moeilijk laat karakteriseren. Het is een boek waar van alles en nog wat in voorkomt, ondergebracht in een kleine honderd stukken en stukjes. Korte columns, lange essays, fragmenten uit brieven, losse invallen, herinneringen, gedichten, vertalingen, pamfletten, geintjes, tekeningen, ontwerpen, letters – gekozen uit de tot nu toe grotendeels ongepubliceerd gebleven productie van de afgelopen dertig jaar van Gerrit Noordzij (geb. 1931), letterontwerper, vormgever, typograaf, docent. Niet alleen de inhoud, maar ook de vorm werd volledig door hem bepaald, van de ontwerpen voor de typografie van binnenwerk, band en omslag, de keuze van de papiersoort en het linnen, de keuze van de drukker en de binder, tot en met het lettertype.

Van binnen is het een grabbeltonboek, met veel bijdragen over letters en cijfers, boeken en boekomslagen, schrift en spelling en lezen, maar ook over allerlei andere onderwerpen, en in allerlei toonaarden. De handen van de zeven zusters is een boek waar zinnen in voorkomen als `Hier, tussen pi en ro, ligt het probleem van het Griekse alfabet' en `In zijn oorspronkelijke gedaante is de minuskel veilig voor de kinderen.' Noordzij weet dat `een zichtbare lijn een langgerekte vlek is' en ook dat `een rechte lijn een rechthoekige vlek is'. Tevens is hier het antwoord te vinden op de vraag hoe er op de zestigcents zomerzegel van 1975 zomaar een raampje in een van de drie afgebeelde Saksische schuren kon verschijnen: omdat meneer Leenman (hoofddirectie PTT) van de ontwerper (Noordzij) eiste dat deze niet voor bewoning bedoelde schuren een bewoonbare indruk zouden maken. Het boek bevat ook een enorm uitgebreid, handig en daarnaast van begin tot eind ook nog eens leesbaar en hilarisch register van 33 pagina's, waarin als trefwoorden bijvoorbeeld `linksdraaiende ophalen', `consistente vormgeving' en `subtiele slordigheid' zijn opgenomen, maar ook `stroom, tegen de', `meisjes met spriethaar', `Saksische schuren' en `raampje van Leenman'.

Hoe zo'n boek te lezen? Het kan op allerlei manieren: van voor naar achter, maar ook omgekeerd, of losjes bladerend, want een dwingende samenhang heeft het niet. En hoe erover te oordelen? Ook dat kan op allerlei manieren. Het bevat om te beginnen allerlei leerzaams, althans voor mij. Nooit geweten dat bladgoud 0,0001 millimeter dik (of liever: dun) is, en ook niet dat het met verdund eiwit op de snee van het boek dient te worden aangebracht. Nooit geweten dat schreefloze letters ook schreven kunnen hebben, dat linkshandigheid voor Grieken verboden was en dat schrifthistorisch gezien het woord pas in de zevende eeuw na Christus is uitgevonden, en wel in Ierland. Noordzij weet er onderhoudend en scherpzinnig over te vertellen, maar als hij te veel wil uitleggen, of te zeer zijn eigen gelijk wil bewijzen, vervalt hij nog wel eens in omslachtigheid, in moeizaam geredeneer en onhelder gedram met veel bijvoeglijke naamwoorden. Er schuilt behalve een oprechte letterliefhebber ook een ontevreden, eigenwijze en ijdele docent en kunstenaar in Noordzij. Waarom moeten wij lezen over zijn bezoek aan de Chinees in Leeuwarden? Alleen om te horen dat hij er aan de muur twee gevallen van Chinese kalligrafie bewondert en door de eigenaar van het restaurant met zijn goede smaak gecomplimenteerd wordt. De kalligrafie zelf krijgen we niet te zien, en Noordzij legt ook niet uit wat er zo mooi aan is. Het gaat hem er vooral om te melden dat hij `de eerste vreemdeling' is geweest in al die jaren die er een blik op heeft geworpen. Noordzij is ook zo iemand die het leuk vindt om Battus tussen neus en lippen door een `regionaal talent' te noemen. Waarom? Vermoedelijk alleen maar omdat Battus de lange ij de `zevenentwintigste letter van het Nederlandse alfabet' heeft genoemd. Noordzij heeft er plezier in zijn lijst van 37 lelijkste woorden af te drukken, maar uit zijn toelichting blijkt dat hij denkt dat dit niet alleen een kwestie van smaak is, maar toch ook een geval van bewijsbaar gelijk.

Daar wringt bij Noordzij vaak de schoen: tussen zijn smaak en zijn gelijkhebberige natuur. Nu eens is hij de maker en liefhebber van mooie dingen, dan weer de docent die het allemaal al zo lang zo goed weet. De ene keer de sympathieke sierkunstenaar, dan weer het meningenmannetje. Nu weer eens de grillige vrijdenker, dan weer de eigenwijze dwarsligger. Hij zal het allebei wel zijn, en dat maakt op een bepaalde manier ook wel weer de charme van zijn boek uit. Die twee kanten zorgen voor een zekere onvoorspelbaarheid en levendigheid, met als gevolg dat de lezer of de leerling in ieder geval op zijn hoede blijft en op zijn eigen oordeel wordt teruggeworpen. Noordzij heeft er een groot plezier in om de zaken om te keren en ze zoveel mogelijk van de andere, ongebruikelijke kant te bekijken. Hij weet: `originaliteit bestaat slechts bij de gratie van een strenge conventie.' En alleen wie zo kijkt, ziet de vanzelfsprekendheden die de gemiddelde lezer en leerling over het hoofd ziet. `Een paspoort is een document waarmee de houder aan kan tonen dat hij de houder is.' Zo begint een lang en hilarisch, maar wel degelijk serieus bedoeld stuk over een idee voor een fraudebestendig paspoort.

`Zonder contrast geen vorm' zegt hij ergens anders. Het mooie van Noordzij's boek vind ik dat hij dit soort opvattingen niet alleen laat gelden bij typografische kwesties, maar evengoed toepast op allerlei andere, en veel abstractere zaken. Zo is zijn debuut toch ook meteen zoiets geworden als zijn filosofische testament: de wereld gezien door de blik van een typograaf. Noordzij leert je beter, gedetailleerder en kritischer kijken naar leven en letters, met meer oog voor de achtergronden. Op zijn meer onthechte momenten blijkt hij de zaak ook te kunnen relativeren. Kijken naar een leeg vel papier en nadenken over de letters die er op zouden moeten verschijnen verschilt dan niet zo heel veel van op je rug in het gras liggen en maar eens wat naar boven kijken. Volgens Noordzij zou `de wetenschap ermee gediend zijn wanneer mij uit de algemene middelen een aanzienlijk jaargeld toegekend zou worden dat mij in staat zou stellen om, wanneer en waar ik maar wil, op mijn rug in het gras te gaan liggen en naar het zwerk te staren, want dan gedijen mijn verzinsels het best.'

Tentoonstelling `Gerrit Noordzij, ontwerper en docent', Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, Prinsessegracht 4, Den Haag, t/m 9 maart 2001.