De grote afwezige

Kunnen we de klok in ons hoofd blijvend stop zetten? Zodat iemand die er niet meer is, er toch is? Dit is de 38ste aflevering van de maandelijkse serie `Zapdansen'.

Ik was misschien zeven en mijn ouders hadden me gewaarschuwd: dit was geen zee om in te zwemmen. Te hoge golven, te snel te diep, levensgevaarlijke stroming, rotsen. Een beetje spelen vóór in de branding, meer zat er niet in, en daar was ik druk mee bezig toen er opeens twee strandwachten in identieke rode zwembroeken vlak langs mij de golven in renden en met krachtige slag koers zetten in de richting van de rotsen. Daar aangekomen verdwenen de twee koppen met hun door de zon botwit gebleekte haren onder water om pas minuten later weer boven te komen, naar adem te happen en direct weer onder te duiken.

Hier was iets helemaal niet in orde en om er achter te komen wat dat was, draaide ik mij om naar mijn ouders – die juist van hun handdoek overeind waren gekomen, de blik gericht op de eenzame figuur in een lange wijde jurk die vanaf de vloedlijn nauwlettend de verrichtingen van de beide duikers volgde. Het was dezelfde vrouw die ik – toen wij het strand op waren komen lopen – haar man liefdevol grote stukken stokbrood met olijfolie en tomaat had zien voeren. Dat ze er een stuk ouder uitzag dan mijn ouders kwam vooral door haar lange grijze haar dat de wind nu in slierten om haar hoofd deed wapperen. Maar al dat wapperen van haren noch het dreunen van golven, het zuigen van het zand, het sliep-uit van de meeuwen of het als een gek rondtollen van de zon kon verhullen dat de wereld volstrekt was stilgevallen. Een stilte die zich tot duisternis verdiepte toen de strandwachten uiteindelijk hijgend als paarden terug aan land kwamen en met zachte stem op de wachtende vrouw in begonnen te praten.

Als een bokser die zijn instructies krijgt, knikte ze zonder hen aan te kijken eenmaal, tweemaal, en liep toen terug naar de plek waar haar handdoek in het zand lag. Met een strelend gebaar van haar beide handen trok ze haar jurk achter zich glad en zette zich neer in het zand, pakte toen uit de grote rieten mand waar eerder het stokbrood en de tomaatjes uit tevoorschijn waren gekomen eerst een paar spelden waarmee ze haar haar opstak, vervolgens een grijs vestje dat ze koket om haar schouders trok en ten slotte een knot blauwe wol waar twee breipennen doorheen gestoken zaten. Tegen de tijd dat mijn ouders vonden dat het tijd was om terug te gaan naar het hotel, had ze al een flink stuk van een achterpand klaar.

Ik had alweer lange tijd niet aan dit voorval gedacht toen ik onlangs op de televisie de Franse cineast François Ozon precies dezelfde gebeurtenis hoorde beschrijven. Alles klopte: de streek in Frankrijk waar het zich had afgespeeld, de reddingspogingen van de strandwachten, de leeftijd en de houding van de vrouw, het teruglopen, de grote ontkenning. In Ozons versie had het alleen twintig jaar later plaatsgevonden, maar hij was toen wel even oud geweest als ik. Eigenlijk zou ik hem een proces aan moeten doen wegens plagiaat, maar je hebt grote kans dat het auteursrecht op dit soort gebeurtenissen nog weer bij even machtige als anonieme derden zal blijken te berusten. Bovendien ben ik veel te nieuwsgierig naar de film die Ozon nu op basis van onze gedeelde jeugdervaring heeft gemaakt: Sous Le Sable/Under The Sand, met Charlotte Rampling, ongezien perfect gecast, als de vrouw.

Dankzij die film zal ik dan misschien eindelijk antwoord krijgen op een aantal vragen die mij al meer dan vier decennia bezighouden. Hoelang is die vrouw nog op het strand blijven zitten? Is iemand haar komen halen of is ze op eigen kracht naar huis gegaan? Is ze daar op het gewone uur aan het eten begonnen en had ze gedekt voor twee en heeft ze die nacht het kussen welterusten gekust? Hoe lang zou zij – of wie dan ook – dat allemaal vol kunnen houden vóór de macht van de ontkenning gebroken wordt door het verdriet om het verlies?

Of zijn we soms echt in staat om de klok in ons hoofd blijvend stop te zetten, kunnen we de wijzers zelfs een stukje terugdraaien, al is het maar een halve seconde – terug naar het moment dat het besef van iemands blijvende afwezigheid nog net niet de vertrouwde ervaring van zijn aanwezigheid heeft aangetast? Met als resultaat dat iemand er voor ons gevoel altijd tegelijk wel is en niet is. Niemand kan zijn aanwezigheid in ons leven tenslotte zo sterk voelbaar maken als juist de grote afwezige. Hoeveel leven kunnen we dan wel niet persen uit ons gemis – genoeg om er onze doden mee vast te houden?

Over dit soort onmogelijke vragen, de `to be's or not to be's' van de rouw, gaat ook de nieuwe roman van Don DeLillo: The Body Artist – waarin de man van Underworld nu zijn eigen, sterk metafysisch getinte vervolg geeft aan Ozons en mijn verhaal van de vrouw in het zand. Hoofdpersoon is een 34-jarige performance-kunstenaar, een vrouw die haar eigen lichaam gebruikt als materiaal en medium voor haar kunst. Ze is getrouwd met een wat oudere, mislukte filmregisseur, die op een dag na het ontbijt van huis gaat om zich in het appartement van zijn eerste echtgenote een kogel door de kop te jagen. Na de begrafenis sluit de vrouw zich zoveel mogelijk voor de buitenwereld af om zich te kunnen koesteren in de nagalm van het samenzijn met haar man - zonder direct toe te geven aan haar verdriet, want dat zou een bevestiging zijn van zijn dood. Maar dan treft zij in een zelden gebruikte kamer op de zolder van hun huis een mysterieuze indringer aan: in onderbroek en half doorzichtig T-shirt, van het mannelijk geslacht, maar van onbestemde leeftijd en niet in staat om in enige conventionele zin taal of tijd te hanteren. Zijn zinnen bestaan uit verhaspelde echo's van wat de vrouw en haar man ooit samen bespraken en de betekenis van wat hij zegt komt vaak neer op zoiets als ,,ik ben hier en waar, komend en gaand in mijn vertrek, zoals er hoop is en herinnering, wat je zegt ben je zelf''. Uit de categorie aftelrijmpjes, pratende braambossen, raadselen van de sfinx, ja en amen, de rap van het onzegbare – de taal als lichtschakelaar om luid zingend van de ene werkelijkheid in de andere te geraken. Dat is althans het effect dat zijn woorden op de vrouw hebben; een effect dat zij ten slotte zal proberen te recreëren in haar komende performance. Tegen die tijd heeft zij haar eigen lichaam al schoongeschrobd tot een tabula rasa en met tal van spieroprekkende en botbuigende oefeningen geheel gemodelleerd naar dat van Mr.Tuttle – zoals zij de geheimzinnige bezoeker is gaan noemen.

En daarmee is de cirkel rond. Want Tuttle is natuurlijk niet alleen maar een ontsnapte autist of verdwaalde alien of bloedzuigende geestverschijning. En woorden als projectie en hallucinatie suggeren dat hij niet écht echt zou zijn. Voorzover hij al alleen in haar verbeelding bestaat, is dat er een met handen en voeten. De vrouw is niet voor niets een body artist. Tuttle is haar creatie, samengesteld, geboetseerd moet ik zeggen, uit gelijke delen zijn en niet-zijn: uit het grote gemis van haar man enerzijds en de sporen van zijn aanwezigheid in haarzelf en in huis anderzijds. Eerst vormgegeven buiten haar lichaam, als de man op zolder, Mr. Tuttle, later ingelijfd. Dat is de route van de rouw. Weet waar je aan begint.

,,Eigenlijk ben ik aan de dood van mijn man nooit toegekomen'', hoorde ik laatst een vrouw zeggen die al ruim twintig jaar weduwe is.

Als doodgaan de optelsom is van alle momenten in je leven dat je je het meest eenzaam hebt gevoeld, dan is rouw misschien zoiets als de optelsom van alle momenten dat je je het meest met iemand verbonden hebt gevoeld – maal het besef dat daar niets meer bijkomt of vanaf gaat.

Don DeLillo: `The Body Artist'. Uitg. Picador. Prijs f48,15