De aanstaande C.R.

,,Er moet een culturele revolutie komen,'' zei de heer M. Oosting. Hij voegde eraan toe dat hij niet een revolutie als in China bedoelde, maar een omwenteling in de zeden en gewoonten van het openbaar bestuur. Culturele revolutie. Het zou kunnen dat de voorzitter nog spijt krijgt van deze woorden. Er is een redelijke kans dat ze `een eigen leven gaan leiden', dat wil zeggen, tot in de uiterste uithoeken zullen worden gebruikt, in alle clubs, bedrijven, gemeenten waar `iets mis is in het bestuur'. Het Amsterdamse GVB schreeuwt om een CR; bij Vitesse is de CR jaren over tijd; deze week nog zullen een kamerlid en een lid van de PvdA, `een CR zien hangen'. Afgezien daarvan vind ik dat de heer Oosting gelijk heeft. We begrijpen wat hij bedoelt. Maar wie is hier de Lenin, de Trotzky, de Dzjerzjinsky, en waar moet je beginnen?

Iedere revolutie wil `maatschappelijke veranderingen'. Om het volk duidelijk te maken waar het heen moet, beginnen de revolutionairen met de zuivering van de taal. In de Franse revolutie spraken degenen die het eens waren met het hoge doel, elkaar aan met citoyen en citoyenne. In de Russische revolutie werd het kameraad. Als ik Karel van het Reve iets vroeg over bepaalde jaartallen en namen uit de Russische geschiedenis, begon hij met: `Kameraad...' Het merkwaardige is dat de nationaal-socialistische poging tot een Dietse revolutie in Nederland dit aanspreekgebruik heeft overgenomen. Het werd kameraad en kameraadske. In ideologieën groeien op den duur complete talen. Probeer nog eens een oud nummer van het Nationaal Dagblad van de NSB, of een exemplaar van De Waarheid uit de Stalinistische tijd te lezen. Hoe uiteenlopend het woordgebruik, de gemiddelde lading van de zin ook mogen zijn, ze hebben gemeen dat er een ander soort Nederlands werd gebruikt. Het ging tenslotte niet om de woorden op zichzelf. Degenen die deze kranten vulden, hadden een andere, voor buitenstaanders, en zeker nu, voor de jongere generaties, onbegrijpelijke verstandhouding met hun lezers.

De ontwikkeling van het Nederlands van de afgelopen kwart eeuw, ongeveer, beweegt zich in tegenovergestelde richtingen. Dat is mijn stelling, naar aanleiding van de culturele revolutie. Aan de ene kant wordt het grover, directer, simpeler en apodictischer; aan de andere kant omslachtiger en voorzichtiger, waarbij veel bij- en tussenzinnen, en als de gelegenheid ertoe strekt, tot op de draad versleten ludieke beeldspraak (toeters en bellen) de stijlfiguren zijn.

Een paar voorbeelden van de eerste richting. Niet is vervangen door helemaal niet, de overtreffende trap kan niet meer zonder het woord ultiem, de opening van een meningsverschil begint met een gefronst hoezo geen dit of dat, de inleiding tot de verbale kopstoot. Als ik het wetenschappelijk wilde vastleggen, zou ik de brieven van lezers in Het Parool en in mindere mate die in de Volkskrant bestuderen. Een rijkdom. In de gebarentaal wordt de opgestoken middelvinger verdrongen door de beweging van de vlakke hand: snij strot af. Samengevat: deze ontwikkeling gaat in de richting van het onmiddellijke, met een vaak niet meer bedwongen neiging tot agressie, belediging, enz. Laten we dit het geïndividualiseerde spraakgebruik noemen hoezeer degenen die zich ervan bedienen, zich ook uitdrukken in dezelfde bewoordingen, gemeenplaatsen, platheden, enz.

De tweede richting is die van de gewichtige omslachtigheid. Ieder kamerdebat, iedere persconferentie brengt zinnen en tirades van het erbarmelijkste Nederlands. Dat zou niet eens een bezwaar hoeven te zijn, als ze direct begrijpelijk waren. Ook in krom Nederlands kan men duidelijk zijn. Maar wat te denken van bijvoorbeeld deze reactie op het rapport-Oosting van het kamerlid mevrouw Wagenaar (PvdA). Er is niets geleerd van de ramp in Culemborg, negen jaar geleden. Ze zegt: ,,Die constatering vraagt om maatregelen om het lerend vermogen van de overheid te activeren''. Je kunt denken: wat u zegt. Je kunt je ook afvragen: wat bedoelt ze. Welke maatregelen? Heeft `de overheid' een lerend vermogen? Wie moet je daarover aanspreken? Hoe activeer je het lerend vermogen van de overheid? Ze bedoelt: de lapzwansen onder de ambtenaren moeten we mores leren. Maar ze weet ook niet hoe.

In Nederland bestaan naast elkaar twee ideologieën. Beider aanhang spreekt, op het eerste gehoor, Nederlands. Maar zinsbouw, bewoordingen, de bedoelingen waarmee de taal wordt gesproken, zijn volstrekt verschillend. De ene taal is die van de confrontatie, desnoods zo hard, zo profilerend mogelijk. De andere is de taal van de anti-confrontatie, het angstig ingezwachteld Nederlands van de consensus. Het naast elkaar bestaan van deze twee talen leidt tot een onderlinge onverstaanbaarheid.

Een `culturele revolutie' zou, dunkt mij, zoals iedere revolutie een taalhervorming als een van de belangrijkste punten op de agenda moeten zetten. Ik kan u nu wel vertellen dat daar niets van komt, en trouwens van deze hele C.R.: niets.