Blind voor bijwerkingen

Socialisten hebben traditioneel een moeizame relatie gehad tot het kolonialisme, een loot immers van het kapitalisme waarvan ook de eigen arbeidersklasse de vruchten plukte. In Nederland waren het voor de oorlog alleen de communisten die onafhankelijkheid van de koloniën bepleitten. Na 1945 was Drees' optreden ten opzichte van Indonesië allerminst van radicale allure. De sociaal-democratie en `de West' was tot in de jaren zestig hooguit een voetnoot bij een terzijde. Een terzijde, omdat Suriname en de Nederlandse Antillen slechts zelden uit de schaduw van het onvergelijkbaar veel belangrijker Indië kwamen. Een voetnoot, omdat áls de West-Indische koloniën al in de Nederlandse politiek ter sprake kwamen, er vrijwel nooit sprake was van een uitgesproken sociaal-democratische visie.

Pas aan het eind van de jaren zestig kwamen de Caraïbische landen van het Koninkrijk hoger op de Haagse agenda te staan; vooral een links trauma over de Curaçaose revolte van 30 mei 1969, bedwongen door Nederlandse mariniers, droeg hiertoe bij. Juist in die tijd kwam de PvdA weer aan de macht, met Den Uyl. Op Ontwikkelingssamenwerking kwam Jan Pronk, die net als zijn premier een zo snel mogelijke beëindiging van de als neokoloniaal ervaren Koninkrijksrelaties hoog in het vaandel had staan. Het is inmiddels een cliché – maar daarom niet minder waar – dat het kabinet-Den Uyl Suriname al te gretig en haastig naar de onafhankelijkheid voerde, met desastreuze gevolgen voor de nieuwe republiek. Een mengeling van ideologische blindheid, eigenbelang en angst voor nóg een conflictueus afscheid leidde tot een goudgerande `modeldekolonisatie', die volstrekt zou mislukken. Een kwart eeuw later schamen veel sociaal-democraten zich voor `1975'; Pronk overigens niet. Ook elders overheerst kritiek. De toenmalige christen-democratische ministers Lubbers en Van der Stee spraken later – enigszins opportunistisch, alsof er geen eenheid van regeringsbeleid was geweest, alsof zij geen protest hadden kunnen aantekenen – over `het politieke geweld' waarmee Den Uyl en Pronk de zaak hadden doorgezet. De VVD stelde bij monde van Bolkestein onomwonden dat Den Uyl Suriname had `geabandoneerd' – maar ook de liberale oppositie was indertijd vrijwel unaniem akkoord gegaan met de soevereiniteitsoverdracht.

Dat velen, en niet de minsten, in de PvdA sinds 1975 een `Suriname-syndroom' ontwikkelden maakt Jansen van Galen in het gelijknamige boek overtuigend duidelijk. Steeds weer zochten sociaal-democraten naar een uitweg uit het dilemma van enerzijds de wens de soevereiniteit die men zelf eerst zo had aangeprezen nu ook daadwerkelijk te respecteren, anderzijds de behoefte om in te grijpen waar het fout ging. En ging het, betoogden de interventionisten, niet voortdurend fout? Werd de ontwikkelingshulp wel goed besteed? Was de militaire coup geen reden tot ingrijpen? De decembermoorden dan? Hoe stevig kon de herdemocratisering, na zeven jaar militair bewind, worden gesteund? Voortdurend woedden er binnen de partij debatten over de te volgen lijn. De PvdA, parafraseert Jansen van Galen een gedicht van Ischa Meijer, was als het jongetje dat alles goed zou maken, maar niet goed wist hoe en het ook niet echt kon. Een parafrase die overigens ook de mildheid van zijn eigen oordeel illustreert.

Het waren echter niet alleen de sociaal-democraten die Suriname als het meest binnenlandse stukje buitenland beschouwden. Vrijwel geen Nederlandse partij heeft zich de afgelopen kwart eeuw kunnen onttrekken aan de drang Suriname met raad en daad bij te staan – lang niet altijd met goede resultaten, misschien op den duur zelfs met averechts gevolg, maar in de regel met bedoelingen die met meer recht als onzelfzuchtig kunnen worden gekarakteriseerd dan de drang van 1975. Bij de PvdA speelt schuldgevoel daarbij zeker een grote rol. Lubbers verzekerde mij desgevraagd dat dit voor hem en zijn partij niet het geval is.

Weg terug

Dat neemt niet weg dat juist in het derde kabinet Lubbers spectaculaire plannen werden besproken om Suriname een weg terug te bieden, naar een `gemenebest', vrijwel tot in de schoot van het Koninkrijk. Verklaarde medestanders waren zijn christen-democratische ministers Van den Broek en Hirsch Ballin, alsmede Pronk. De tegenstanders van deze al gauw als `rekolonisatie' aangeduide optie zagen nauwelijks Nederlandse belangen bij zo'n opmerkelijke stap, en grote politieke en praktische bezwaren. Pronk oordeelde achteraf dat alleen degenen die Suriname kenden vóór het plan waren geweest. Het plan-Lubbers sneuvelde op de Haagse tekentafel.

Met Pronk is ongetwijfeld de belangrijkste patiënt van het door Jansen van Galen gediagnosticeerde syndroom genoemd. Maar lijdt nu de gehele partij aan een Suriname-syndroom? Dat is zeer de vraag. Grote afwezige in dit boek is Kok. Dat is opmerkelijk. Zijn beide sociaal-democratische voorgangers Drees en Den Uyl komen uitvoerig aan de orde. Kok, vice-minister-president in Lubbers-3 en sindsdien zelf aan de leiding, slechts tweemaal, in volstrekt passieve en voorbijgaande zin. Waarom? De mogelijkheid dat de opdrachtgever voor deze studie, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de auteur heeft verzocht de eigen partijleider buiten beeld te houden zullen we maar uitsluiten. Het is weliswaar bekend dat Kok niet veel op heeft met kijkjes achter de coulissen, en in het politieke bedrijf is dan veel mogelijk, maar de auteur staat allerminst bekend als meegaand. Bovendien meldt hij in het `Woord vooraf' volledig vrijgelaten te zijn. Wat dan blijft is allereerst de constatering dat Kok kennelijk níet merkbaar lijdt aan een Suriname-syndroom – sterker, dat hij zelden veel interesse voor het land ten toon heeft gespreid. Tot mijn verbazing trekt Jansen van Galen deze voor zijn boek toch wel relevante conclusie niet. Hij vermeldt overigens evenmin een inmiddels algemeen bekende illustratie hiervan, namelijk dat Kok in Lubbers-3 tot het kamp van de sceptici en tegenstanders van Lubbers' plannen voor een gemenebest behoorde.

Was Suriname in Kok-1, onder de oud-gedienden Van Mierlo en Pronk, nog een met overgave behandelde Chefsache, bij het aantreden van Kok-2 maakten hun opvolgers Van Aartsen en Herfkens duidelijk dat er een andere wind ging waaien. Het kwam goed uit dat het bewind van Wijdenbosch zich als corrupt en incompetent ontpopte, zodat aan deze lijn zonder veel twijfel of weerstand kon worden vastgehouden. Dat veranderde toen Venetiaan het presidentieel paleis weer betrok. Alle klassieke dilemma's en reflexen kwamen weer in beeld – en niet alleen voor de PvdA. Hoe dat afloopt is onduidelijk. Evenzo, of al het Haagse schuldgevoel ook ergens toe zal leiden.

Surinaamse lobby

Blijven Nederland en Suriname aan elkaar geklonken? Voorlopig wel; maar niet noodzakelijk voor altijd. Suriname is een klein en kwetsbaar land, dat gedwongen is zich aan te sluiten bij andere landen of blokken. Nederland bood ook de afgelopen kwart eeuw die reddingsboei. Daarmee werd tevens de isolatie van Suriname in de omliggende wereld bevestigd. Deze situatie is niet noodzakelijk permanent. De wereld verandert, special relationships zijn niet eeuwigdurend. Bovendien zullen de Surinaamse gemeenschappen aan beide zijden van de oceaan verder uit elkaar groeien, waarmee ook de Surinaamse lobby in Nederland zal verzwakken. Die lobby speelt nu wel een rol, al stelt Jansen van Galen terecht dat hieraan zelden anders dan in vage termen wordt gerefereerd.

In dit licht is het een illusie te denken dat Nederland en Suriname over, zeg, vijftig jaar nog even nauw met elkaar verbonden zullen zijn als thans het geval is. Nog afgezien van de Surinaamse wensen: Nederland zal hiertoe waarschijnlijk niet bereid blijven. Minder Nederland betekent meer Brazilië, zo simpel ligt het, zo simpel lag het overigens ook in 1975 al. Syndroom of niet, Nederland, en dus ook de PvdA, zal zich de vraag moeten stellen welke conclusie hieruit moet worden getrokken. Een uitdaging voor Melkert misschien, die in Het Suriname-syndroom aanmerkelijk vaker wordt genoemd dan de huidige sociaal-democratische partijleider, en bij de boekpresentatie vorige week alvast enkele prikkelende ideeën ontvouwde?

John Jansen van Galen: Het Suriname-syndroom. De PvdA tussen Den Haag en Paramaribo.

Bert Bakker, 196 blz. ƒ36,50