Achter het masker

In de Engelstalige literatuur is een nieuwe generatie schrijvers opgestaan die wars is van ironie en cynisme. Belangijkste representant is de de succesvolle Amerikaanse auteur Dave Eggers. Engagement, gemeenschapszin en de zoektocht naar authentieke ervaringen beleven een wederopstanding. Maar is nostalgie naar een pre-ironisch bestaan niet vergeefs?

`Er zit helemaal géén ironie in het boek!' Dave Eggers, de Amerikaanse schrijver die het afgelopen jaar een sensatie veroorzaakte met zijn debuut A Heartbreaking Work of Staggering Genius (besproken in Boeken, 28.4.00) wordt niet graag verkeerd begrepen. Tijdens een interview met deze krant, afgelopen november, barstte hij, zonder dat `het i-woord' eerder ter sprake was gekomen, uit in een lang, hartstochtelijk pleidooi tegen ironie, postmodernisme en aanverwante zaken. A Heartbreaking Work of Staggering Genius, dat beschrijft hoe de auteur in 1991 op eenentwintigjarige leeftijd binnen vijf weken beide ouders verloor aan kanker, en vervolgens de zorg op zich nam voor zijn achtjarige broertje Toph, werd namelijk door veel recensenten ingehaald als een ironisch meesterwerk. Om dit misverstand recht te zetten en critici behulpzaam te zijn, vertelde Eggers, had hij net de laatste hand gelegd aan een nieuw nawoord, waarin hij zo'n 3.000 woorden aan de ironie-kwestie zou besteden.

Het bleek geen ironie: het nawoord – met de titel Mistakes We Knew We Were Making. Notes, Corrections, Clarifications, Apologies, Addenda – ligt nu prominent in de boekhandels. Aan de achterkant van de paperbackeditie van A.H.W.O.S.G. staat het omgekeerd afgedrukt – het stuk was namelijk niet echt een `nawoord', aldus Eggers, dus leek het hem beter om het boek in twee richtingen leesbaar te maken. De paperback is voorzien van drie verschillende omslagen en nieuwe grafische grapjes – een bewerkte foto van Eggers, die geen huisdieren heeft, met twee honden en een parkiet op zijn schouder; tekeningetjes en geestige teksten op vreemde plaatsen. `De auteur behoudt zich het recht voor om ruimtes zoals deze te gebruiken, en daarbinnen te werken, om geen andere reden dan dat het hem en een kleine coterie van lezers amuseert. Het betekent niet dat er iets ironisch aan de hand is. Het betekent niet dat er iemand pomo of meta of geinig doet', staat er onder de uitgeversinformatie. En er is inderdaad een vlammend betoog, in piepkleine lettertjes, over `Irony and its Malcontents', dat weinig ruimte laat voor twijfel over Eggers' oprechte afkeer van het begrip. `Het is niet een woord dat ik graag zie, waar dan ook, laat staan dat ik het graag tik op mijn eigen pagina's ', schrijft hij.

Het lijkt een wat overtrokken reactie op wat in het dagelijks spraakgebruik een tamelijk loze term is, meestal losjes gebruikt als synoniem voor humor, sarcasme of een opmerkelijke samenloop van omstandigheden. Maar Eggers staat bepaald niet alleen in zijn afwijzing van het woord en het fenomeen. Afgelopen september presenteerde een gelegenheidsformatie van jonge Britse schrijvers, onder aanvoering van Matt Thorne en Nicholas Blincoe, het `New Puritan Manifesto'. Deze lijst met regels voor het schrijven van `pure' fictie, geïnspireerd door Lars Von Triers manifest voor `pure' cinema Dogme 95, bevatte een expliciet verbod op ironie. De Britse schrijver Jonathan Coe (van de hilarische satire What a Carve Up!) deed daar onlangs een schepje bovenop door in de Sunday Times te pleiten voor `het hervinden van de komische ernst van de jaren zeventig', een tijdperk `geheel gespeend van ironie', aldus Coe. `We moeten de ironie afschudden en zelfs het risico lopen om onszelf weer een beetje te serieus te nemen', stelde hij. En ongeveer een week geleden verscheen de debuutroman van de verder onbekende Britse schrijfster Emily Barton, op de kaft aangeprezen door postmodernist par excellence Thomas Pynchon met de verrassende kwalificatie `blessedly post-ironic'.

In de Verenigde Staten is het zogeheten ironie-debat al iets langer aan de gang. `Ironie tiranniseert ons', beweerde de door Eggers bewonderde schrijver David Foster Wallace in een van zijn essays uit A Supposedly Fun Thing I'll Never Do Again (1997), een uitspraak die hij staafde met een uitgebreide analyse van de Amerikaanse mediacultuur. Rick Moody, nog een geestverwant van Eggers, verklaarde in een interview uitgekeken te zijn op ironie in zijn boeken. De meest rechtlijnige aanjager van het debat, is de jonge Amerikaanse journalist Jedediah Purdy, die in 1999 met zijn eerste boek On Common Things. Irony, Trust and Commitment in America Today een ware kruistocht tegen deze verderfelijke invloed op de Amerikaanse maatschappij probeerde te ontketenen. Een samenvatting van zijn standpunten, `De hedendaagse ironie', verscheen op de opiniepagina van deze krant (6.1.01).

Maar wat veroordelen deze uiteenlopende schrijvers nu precies, wanneer ze de ironie afwijzen? Wat is de hedendaagse ironie eigenlijk? Eggers begint zijn uiteenzetting met een woordenboekdefinitie: `het gebruik van woorden om iets uit te drukken dat verschilt van, en vaak tegenovergesteld is aan, hun letterlijke betekenis'. Een wat nauwe opvatting van het begrip, maar nuttig in zijn strengheid, in een tijd waarin het begrip zo breed is geworden dat het nagenoeg betekenisloos lijkt, en alle goede of grappige literatuur vanzelf ironisch wordt genoemd. Maar niet alle humor is ironisch, merkt Eggers zinnig op. Een grap hoeft niet ironisch te zijn om een grap te zijn, vervolgt hij. Satire, parodie, hyperbool of komedie zijn niet inherent ironisch, evenmin als het vreemde, het toevallige, het absurde, of alle `formal fun' zoals grafische grapjes, voorwoord, nawoord en diagrammen.

Binnen de context van zijn woordenboekdefinitie moeten we Eggers gelijk geven. Toch is zijn nadruk hierop wat misleidend. Het is immers niet ironie als eenvoudige retorische trope waar hij zich zo tegen afzet. Ook gaat het hem niet om academische categorieën als stabiele, instabiele, Socratische, dramatische, tragische, kosmische of zelfs romantische ironie, hoewel die laatste soort wellicht aanleiding was voor ironische interpretaties van A.H.W.O.S.G. Romantische ironie, Friedrich Schlegels term voor de ironie van de zelf-reflexieve kunstenaar die een artistieke illusie probeert te creëren en daar tegelijkertijd, in het kunstwerk zelf, commentaar op geeft, lijkt op het eerste gezicht wel van toepassing op het boek. Eggers pretendeert echter niet in zijn memoires een illusie te scheppen. Zijn commentaar, voorwoord en dankbetuiging (met onder andere een lijst van thema's en symbolen in het boek) creëren geen dubbele bodem of een ironische ondermijning van het verhaal, maar vormen eerder een accurate reflectie op de gebeurtenissen. Genadeloze zelfontleding en humor, tragedie en komedie gaan zij aan zij in het boek, zonder dat het een het ander op een ironische manier onderuithaalt.

Eggers zelf stelt dat zijn dwangmatig reflexieve, zelfrelativerende houding precies het tegenovergestelde is van ironisch: `Als je een boek schrijft over jezelf, kun je niet doen alsof je je niet bewust bent van jezelf, dat zou kunstmatig, zelfs leugenachtig zijn. Ik denk dat het een grote vergissing is om elke vorm van zelfreflectie gelijk te stellen aan distantie, ironie, koelheid of postmodernisme.' Filosofisch gezien valt er misschien wel wat af te dingen op deze opvatting, maar Eggers plaatst zich duidelijk niet in een traditie van filosofische kritiek op het concept ironie.

Want waar het Eggers en de andere genoemde schrijvers werkelijk om te doen is, is niet zozeer een literaire vorm of een filosofisch concept, als wel een maatschappelijk fenomeen: een cynische, oppervlakkige mentaliteit en levenshouding. Het is de ironische pose van de malcontent, die een gebrek aan wezenlijk engagement, enthousiasme en visie verbergt. De blasé houding van de hippe incrowd, die oprechtheid en passie een beetje naïef en belachelijk vindt, en in ieder geval erg uncool. Een nihilistisch relativisme, onder het masker van wereldwijsheid.

Hoewel ironie van oudsher een berucht ondefinieerbaar en rekbaar begrip is, heerst onder bovenstaande schrijvers een opmerkelijke consensus hierover. Ironie heeft volgens David Foster Wallace een `bijna uitsluitend negatieve functie', is `kritisch' en `destructief', `de veroorzaker van grote wanhoop en stagnatie in de Amerikaanse cultuur'. Jonathan Coe erkent dat ironie op zijn best een belangrijk middel van kritiek kan zijn, maar tegenwoordig vooral de vorm aanneemt van een `schouderophalend relativisme' dat alles reduceert tot `een willekeurige keus voor de consument'. En wat Jedediah Purdy de hedendaagse ironie noemt, is een `overlevingstechniek', ingegeven door een achterdocht die zowel privé-gevoelens als politieke retoriek geldt, en door angst voor teleurstelling en spot: `de ironische pose is een manier om zich niet op een verraderlijke wereld te verlaten'.

Grote boosdoener achter deze spirituele malaise volgens deze drie schrijvers is de alomtegenwoordige Amerikaanse mediacultuur. De media houden ons op elk willekeurig moment een pastiche voor van onze intiemste gevoelens; ze exploiteren het persoonlijke voor materialistische doeleinden. Media en commercie hebben bovendien de ironische cool en hippe postmoderne stijl overgenomen van de echte culturele rebellen en iconoclasten, en zich zo bij voorbaat onkwetsbaar gemaakt voor kritiek uit die hoek. Een bijkomende factor volgens Purdy is het verlies van vertrouwen in de politiek sinds de jaren zestig. Veel Amerikanen beschouwen de politiek nog slechts als cynische manipulatie en holle retoriek.

Ook Eggers is zich bewust – hyperbewust – van de invloed van de media op zijn generatie: `Terwijl we opgroeiden dachten we altijd over onszelf in relatie tot de vluchtige verschijningsvormen van politiek-media-entertainment', zegt hij in een scene waarin hij auditie doet voor een plaats in MTV's show The Real World. Het gevolg is dat mensen zichzelf alleen zien in relatie tot de media en alleen het gevoel hebben dat ze bestaan als ze zichzelf terug zien op televisie. Anonimiteit is ondenkbaar geworden.

Hij toont de worsteling van zijn generatie met ironie, imago en idealisme vooral in de passages over het cult-tijdschrift Might, waar hij aan meewerkte. `In die passages wilde ik parodiëren wie we toen waren: een groepje geprivilegieerde, idealistische, maar ook heel gefrustreerde en cynische kids, die dachten dat ze de wereld konden veranderen, en toen ze merkten dat dat niet ging, iedereen binnen hun bereik gingen afkraken.' Het zijn de enige passages waar een vertoon van ironie te vinden is in zijn boek, en dan uitsluitend om er afstand van te nemen, zegt Eggers.

Dat vestigt de aandacht op een interessante overeenkomst tussen Eggers en de eerder genoemde schrijvers die stelling nemen tegen de ironie. Met uitzondering van Purdy, die de ernst al met de paplepel kreeg ingegoten op de ouderlijke boerderij in West-Virginia, zijn ze letterlijk post-ironisch. Wallace worstelt al een oeuvre lang met de rol van ironie daarin, Coe begon als schrijver van een briljante satire op het Thatcher-tijdperk, maar publiceerde onlangs het autobiografisch getinte The Rotters' Club, en Moody, eveneens een begaafd satiricus met een voorkeur voor postmoderne spelletjes, gaf in zijn laatste werk Demonology blijk van een nieuwe, serieuze toon. Ze zetten zich niet zozeer af tegen een eerdere generatie schrijvers als het `Bratpack' uit de jaren tachtig, met Bret Easton Ellis en Jay McInerney, die op een cynische manier over een cynische samenleving schreven, als wel tegen hun eigen vroegere ironische tendenzen.

Zo contrastreert Eggers in zijn boek de cynische oppervlakkigheid van Might met zijn oprechte verlangen zich bloot te geven, nee, zich te géven en de afstand te overbruggen tussen zichzelf en zijn 47 miljoen generatiegenoten. Dit heeft alles te maken met zijn verlangen zich onderdeel te voelen van een gemeenschap. Eggers zou het liefst een lattice (`raster'), een netwerk creëren tussen zichzelf en ál zijn generatiegenoten. Dit verlangen neemt soms haast religieuze, communie-achtige proporties aan: `Oh maar ik doe dit voor jullie. Zien jullie dan niet dat ik dit voor jullie doe? (-) Ik eet jullie om jullie te redden. Ik drink jullie om jullie nieuw te maken. (-) Er is geen plek waar ik ophoud en jullie beginnen.' Wat het belangrijkste was voor hem en zijn vrienden, schrijft hij in zijn nawoord, was allereerst verbondenheid en vertrouwen (`Trust is fun! It is fun to trust strangers.') Een politiek programma zou later wel komen, als ze dat al nodig zouden hebben, want `ware gemeenschap kan niet politiek zijn'.

Deze overtuiging plaatst hem in een radicaal andere hoek dan Purdy, die ook roept om meer vertrouwen, maar dan in de Amerikaanse politiek. Waar Purdy met zijn pleidooi voor een terugkeer naar ouderwetse Amerikaanse burgerlijke waarden, engagement en gemeenschapszin blijft steken in ideologie en abstracties, onderneemt Eggers ondertussen kleinschalige, praktische acties om zijn eigen lattice te creëren. Uit desillusie met het grote uitgeverswezen richt hij een non-profit uitgeverij op, McSweeney's, die schrijvers 100 procent van de opbrengst van hun boeken biedt. De boeken distribueert hij uitsluitend via internet of kleine, onafhankelijke boekhandels. Verder publiceert hij een gelijknamig tijdschrift, verzamelt een groep gelijkgestemde schrijvers om zich heen, communiceert met lezers via zijn website en via lezingen, waarvoor hij overigens ook liefdadigheidsinstellingen uitnodigt, die drie dollar van elk verkocht boek krijgen. Kortom, hij méént het allemaal erg serieus. Het tegengestelde van ironische vrijblijvendheid, kun je wel zeggen.

Zulke initiatieven doen denken aan de grass-rootsprotestgroepen, zoals die beschreven worden in No Logo van Naomi Klein (zie Boeken, 16.02.2001). Over dit verband tussen maatschappelijk protest en literatuur deed Rick Moody interessante uitspraken in de New York Times. Moody ging in op zijn nostalgie naar een links-religieuze beweging, zoals de beweging die in de jaren zestig onder leiding van dominee Martin Luther King voor burgerrechten streed, en sprak de hoop uit dat `als de anti-WTO beweging blijft groeien, [er] een soort literaire tegenhanger van die beweging zal ontstaan'. Een moralistisch getinte nostalgie naar de jaren zeventig vinden we eveneens bij Jonathan Coe: `Ik geloof dat het een tijdperk was dat eerlijkheid verkoos boven de pose, inhoud boven uiterlijk, en dat wij iets fundamenteels hebben verloren door die waarden opzij te schuiven. Ik weet niet wat de langetermijnoplossing zou zijn. Maar ik zou graag mijn weg terugvinden, op een of andere manier, naar dat decennium van oprechtheid, het land van voor de ironie.'

Het is makkelijk om zulke uitspraken belachelijk te maken. En bovendien kunnen er een paar reële vraagtekens bij geplaatst worden. Is het überhaupt denkbaar, die terugkeer naar een pre-ironisch bestaan? Is dat verlangen zelf niet al intens ironisch? En is het niet slechts misplaatste nostalgie naar een mythische staat van onschuld? Maar wie de ideeën van Moody, Coe, Wallace, Purdy en Eggers op grond van deze overwegingen bij voorbaat honend van tafel zou vegen, gaat voorbij aan de kern van de zaak. Het is niet de neiging tot voortdurende zelfreflectie of zelfrelativering in onze cultuur waar ze van af willen, wel het daaraan gepaard gaande cynisme, een obsessie met imago en cool, en de neiging om niets meer serieus te nemen. Een streven naar meer ernst, warmte, eerlijkheid en speelse onbevangenheid is dan zo gek nog niet. Het is een vorm van engagement dat, Purdy ten spijt, minder te maken heeft met politiek idealisme dan met persoonlijk lef en de bereidheid zich ongegeneerd positief op te stellen.

Staat er ons nu een hele reeks onverteerbaar saaie en brave boeken te wachten? Eggers' debuut wordt er, nu hij heeft uitgelegd waarom het niet als ironisch geïnterpreteerd zou moeten worden, niet minder hilarisch op. Sterker nog, zijn hele verhandeling over ironie in het nawoord is hilarisch. A.H.W.O.S.G. toont, in zijn fusie van oprechtheid, hyperbewustzijn en uitzinnige humor dat er tussen deze drie geen enkele tegenspraak hoeft te zijn. Het lijkt er eerder op dat nu eindelijk de verschuiving valt waar te nemen binnen de literatuur die David Foster Wallace al aankondigde in zijn eerder genoemde essaybundel. Hij beschreef daarin hoe ironie van wapen van de culturele voorhoede is verworden tot marketingtechniek van de gevestigde orde. De schrijvers die zich aan de ironische norm durven onttrekken, die de beschuldiging van naïviteit, van sentiment, van een gebrek aan cool durven riskeren, zullen de nieuwe literaire rebellen zijn.

Dave Eggers: A Heartbreaking Work of Staggering Genius.

Met een nieuw nawoord door de auteur. Vintage, 437 blz. nawoord 78 blz. ƒ28,95 (pbk)