Trou Moet Blycken

afscheidsdiner

u kunt afruimen

de witomrande amuse gueule uit de nouvelle cuisine

van chrysanten die in de vaas op de tafel bij het raam staan

maar niet in de vaas op de tafel bij het raam staan

vegetarische stilleventjes geschetst met de zilverstift

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde

wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket

van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees

als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden

en verzen met boulimie

Ilja Leonard Pfeijffer (geb. 1968)

Het openingsgedicht van een debuutbundel is een prachtige plek om een beginselverklaring af te steken en, zie, in de bundel van de vierkante man (1998) van Ilja Leonard Pfeijffer gebeurt dat ook. De dichter maakt duidelijk waar hij wenst te staan. En, zoals in een goed poëtisch programma gebruikelijk, hij maakt eerst duidelijk tussen welke dichters hij zich niet op zijn gemak voelt.

Lucebert was ook sterk in dat soort beginselverklaringen –

nog ik, die in deze bundel woon

als een rat in de val, snak naar

het riool

van revolutie en roep:

rijmratten, hoon

hoon nog deze veel te schone

poëzieschool

– heet het aan het slot van zijn School der poëzie. Bij Lucebert ging het om een iets andere tegenstelling, om de revolutie die het van de esthetiek moest winnen, om het maar een beetje grof samen te vatten. Tegen de sonnettenbakkers was hij en vóór de kussers van de blote kont der kunst. Tegen de fluwelen dichters van het humanisme en vóór `de hete ijzeren keel'. De `lieflijke dichter' diende op te hoepelen en plaats te maken voor de `schielijke oplichter'.

Ilja Leonard Pfeijffer kondigt hier zijn entree met een gongslag aan. Wat bij hem moet worden opgeruimd blijkt het precieuze met veel wit eromheen. Wat volgt is een verwijzing naar de bundel Chrysanten, roeiers van Hans Faverey en naar een gedicht daarin dat begint met –

De chrysanten,

die in de vaas op de tafel

bij het raam staan: dat

zijn niet de chrysanten

die bij het raam

op de tafel

in de vaas staan

– alleen is door Pfeijffer het wit weggehaald en wat Faverey's omkering van de woordenreeks vaas-tafel-raam betreft: Pfeijffer doet of zijn neus bloedt waardoor de hele grap platvalt. Ineens wordt het ook een buitengewoon literatuurderig, dun grapje. Een vegetarisch stilleventje.

Waarna Pfeijffer schetst waar zijn hart wél naar uitgaat: naar rondborstig banket en full colour overdaad. Vóór de lardeerpriem en de dans is hij en tegen de zilverstift en de kaasschaaf. Vóór de vetrand en tegen het dorre bot. In van de vierkante man komen we dan ook veel gedichten tegen waarin erotiek, drank en vervoering het winnen van de nuchterheid –

in drievoud wordt eenvoud de deur gewezen

– en hij haalt zijn woorden waar hij ze vindt, uit de klassieken en uit springtouwliedjes, uit sprookjes en toeristenmonden. Hij stamelt en bezweert. Een kakofonie van stemmen klinkt. Witomrande zuinigheid is elk moment taboe. Hij is tegen de rechtlijnigheid en vóór de legpuzzel en concentrische cirkels.

Dichters citeren doet hij ook uitbundig. In het strand van scheveningen komen we flarden tegen uit Vondel, Kloos, Campert, Lucebert en Marsman. Dan zie ik vast nog iemand over het hoofd. Hun zee, hun zee klotst voort –

ik zeg veel dingen dubbel

maar verder

ben ik heel normaal

– besluit Pfeijffer. Een relativeringsdrang die maakt dat zijn gedichten, ondanks hun volheid, nooit een loodzware indruk maken. Hij is geen brave poëziehervormer, hij gooit een lardeerpriem in het hoenderhok.

Wellustig is hij ook in zijn alliteraties. Dram dromende druilknol knoestig knort het grote leven. Met zolen door zaagsel slepen de zeven soirées. Ilja Leonard Pfeijffer eet zich vaak tot barstens toe vol, met in roomboter gebakken beelden en de stijlfiguur van de herhaling –

ik ben de creoolse vrouw die mijn zinnen schroeit

(...)

ik ben het vuige rollertje op straat

– heet het in caribbean song. Als dát geen Van de Woestijne is, met diens

– ik ben de late; ik ben de slechte;

ik ben de dwaze;

(...)

Ik ben de laatste peer in de ijlte

van de boom

– dan ben ik een boon. In zijn gedicht belgië belijdt Pfeijffer trouwens zijn hang naar `woorden uit het roomse boek'. Naar barokke romigheid.

De gastronomische metafoor werkt altijd wonderlijk als het om zaken gaat van leven en dood. Kannibalisme, brood en wijn. Brave ernst mag Ilja Leonard Pfeijffer vreemd zijn, heel normaal ernstig is hij wel. Uiteindelijk gaat het – ook bij hem – om liefde in een krakkemikkige wereld. Om het opsommen van je schamele zegeningen. Maar dan in verzen met boulimie.

Boulimie, dat is geeuwhonger, een ziekelijke eetlust waarna alles weer wordt uitgebraakt. `U kunt afruimen.'

Met die uitgebraakte poëzie lijkt het gedicht mooi rond. We zouden onmiddellijk weer bij de eerste regel kunnen beginnen, waarmee de dichter zo onaangekondigd binnenviel. Het wit in de begin- en de slotregel van afscheidsdiner zou er zelfs betekenis door krijgen. Het is duidelijk dat deze dichter daar geen boodschap aan heeft. Zijn slotregel wil ons uitnodigend voortstuwen naar de rest van de bundel. De abrupte beginregel betekende heel normaal: ophoepelen. `De tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij.'