Schraalhans keukenmeester

Afgelopen vrijdag stond bij het wekelijkse kabinetsberaad een brisant stuk op de agenda. Het gaat om een notitie waarin de minister van Financiën bestrijdt dat de collectieve sector is verarmd. Met cijfers van het Centraal Planbureau in de hand betoogde minister Zalm dat overheid en gezinnen in de periode 1995-2001 even veel van de economische groei profiteren. Het gezamenlijke besteedbare inkomen van de Nederlandse gezinnen is na 1994 met 39 procent toegenomen. Dit besteedbaar inkomen is gelijk aan het totaal van lonen, winsten van zelfstandigen, uitkeringen en pensioenen, verminderd met de door gezinnen betaalde inkomstenbelasting en sociale premies. De koopkracht steeg minder. Een deel van de inkomensgroei met 39 procent is verdampt door de hogere kosten van levensonderhoud. Verder is de spoeling dunner, doordat het aantal gezinnen in deze zeven vette jaren is toegenomen. Maar vast staat dat de gezinnen samen dit jaar 39 procent meer guldens kunnen uitgeven dan het geval was bij het aantreden van het eerste paarse kabinet.

In de notitie becijfert het Planbureau dat ook de overheidsuitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg en woonsubsidies in de periode 1995-2001 met 39 procent zijn gestegen. Alle verhalen ten spijt over vervuilde scholen, te grote klassen en wachtlijsten in de zorg staat vast dat het voor onderwijs en zorg beschikbare budget even snel is gegroeid als het inkomen dat consumenten kunnen uitgeven voor eerste levensbehoeften, een nieuwe auto, personal computers, verre vakanties en zo meer. De investeringen van de overheid zijn zelfs met 59 procent toegenomen. De overige collectieve bestedingen (voor openbaar bestuur, politie en justitie, defensie) gingen met 34 procent omhoog. Deze uitkomsten staan haaks op de tegenwoordig in linkse kring te beluisteren opvatting dat in Nederland sprake is van uitbundige private rijkdom naast schrijnende publieke armoede. In de ministerraad concludeerde minister Zalm op basis van de genoemde cijfers dat er geen reden is de overheidsuitgaven hoger op te voeren dan in het regeerakkoord is voorzien. In overeenstemming met de in 1998 gemaakte afspraken kan de zeer omvangrijke belastingmeevaller van dit jaar worden bestemd voor vermindering van de staatsschuld en voor lastenverlichting. Die boodschap van de schatkistbewaarder stuitte op onbegrip bij de overige bewindslieden die met het oog op de rijksbegroting voor 2002 vrijwel zonder uitzondering verlanglijstjes van vele miljarden guldens hadden ingediend.

Hun tegenwerping lag voor de hand. Publieke overvloed? Het aandeel van de collectieve uitgaven is in de periode 1995-2001 toch verminderd van 51,5 tot 45 procent van het bruto binnenlands product? Zeker, maar die daling van de uitgavenquote onder het paarse bewind met in totaal 6,5 procentpunt valt nagenoeg volledig toe te schrijven aan lagere uitgaven voor sociale uitkeringen (door de sterk teruggelopen werkloosheid) en voor rente op de kleiner geworden overheidsschuld. Het aandeel van het bruto product dat Nederland uitgeeft voor zorg en onderwijs is in zeven vette jaren nauwelijks verminderd.

De op het eerste oog onbegrijpelijke onlust over de overheidsuitgaven voor zorg en onderwijs valt op drie manieren te verklaren. Ten eerste is de vraag naar deze diensten mogelijk sterker gegroeid dan de beschikbaar gestelde middelen, bijvoorbeeld als gevolg van het grotere aantal kinderen en de vergrijzing van de bevolking. Ik betwijfel dat. Door demografische veranderingen noodzakelijke uitgavenstijgingen pasten de afgelopen jaren ruimschoots binnen het beschikbare budget.

Ten tweede geeft het Planbureau aan dat de particuliere consumptie na 1994 sterker is toegenomen (met 46 procent) dan de gezinsinkomens (met 39 procent). Gezinnen hebben de afgelopen jaren behalve hun inkomen ook een deel van hun groeiende vermogen gebruikt om hun consumptie te vergroten. Om deze reden groeide de particuliere consumptie sneller dan de consumptie van door de overheid geproduceerde diensten. Dit argument snijdt hout.

Ten slotte is van belang dat een extra gulden voor zorg en onderwijs minder diensten koopt dan een gulden die wordt gespendeerd aan particuliere goederen. Omdat de productiviteit in de collectieve sector weinig verbetert, zijn steeds meer guldens nodig voor de financiering van één lesuur of één verpleegdag. In verhouding neemt de productiviteit in de commerciële sectoren van de economie sterker toe. Hierdoor stijgen de prijzen minder snel en krijgen consumenten in de marktsector meer waar voor hun guldens. De Amerikaanse econoom Baumol wees er op dat de uitvoering van een kwartet van Mozart tegenwoordig nog net zoveel tijd kost als aan het eind van de 18de eeuw. De salarissen van musici zijn echter gestegen in lijn met de algemene productiviteit. Daardoor zijn concerten en veel vormen van dienstverlening (huispersoneel, woningonderhoud) in verhouding tot brood, wijn en andere goederen aanmerkelijk duurder geworden. Om collectieve voorzieningen in stand te houden moet dus een groter deel van het bruto product naar de overheid, of men dient te accepteren dat hoeveelheid of kwaliteit van zorg en onderwijs langzaam afkalven.

Bij het beraad over een nieuw regeerakkoord doen kandidaatministers er verstandig aan compensatie te vragen voor Baumol-effecten. Krijgen ze die niet, dan zal soms verschraling volgen, omdat de achterblijvende productiviteit van collectief gefinancierde producenten zorg en onderwijs trendmatig duurder maakt.