Rotterdam zit gevaarlijke bedrijven op de huid

,,Minder praten, meteen een dwangsom.'' De gemeente Rotterdam verscherpte vijf jaar geleden na een bijna-ramp bij overslagbedrijf CMI de controles bij dit soort gevaarlijke bedrijven. ,,Na de rampen in Enschede en Volendam wordt de lat nog wat hoger gelegd.''

De stapel dossiers bij de juristen van Gemeentewerken Rotterdam is een meter hoog en groeit nog steeds. Vijf jaar na de brand bij het Rotterdamse opslagbedrijf CMI is de juridische afwikkeling nog lang niet voltooid. Controle en handhaving van de milieuregels werden direct na de bijna-ramp aangescherpt.

,,Bedrijven met gevaarlijke stoffen houden zich steeds beter aan de regels.'', zegt Rob Adams, Hoofd Bedrijven van Gemeentewerken. In Rotterdam en omgeving zijn 160 bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Enkele tientallen zijn op- en overslagbedrijven zoals CMI.

CMI, Container Masters International (Nederland) BV, dat inmiddels is verhuisd naar Spijkenisse, was destijds gevestigd aan de Keilestraat nabij de Merwedehaven, op een steenworp afstand van de kantoortorens waar grote gemeentelijke diensten zijn gevestigd. Het bedrijf bestond uit niet veel meer dan een aantal grote loodsen waar onder meer chemische stoffen en allerlei anderssoortige ladingen, zelfs een partij paardenhaar, tijdelijk werden opgeslagen.

DCMR Milieudienst Rijnmond, die belast is met de controle op de naleving van de vergunningvoorwaarden, had in 1995 al enkele malen vastgesteld dat er bij CMI van alles mis was. Het bedrijf wilde de door DCMR geëiste voorzieningen niet aanbrengen, omdat het van plan was naar elders te verhuizen.

Op de dag dat een beslissend overleg zou plaatsvinden, ontstond de brand. Op dat moment, zo bleek later, waren bij CMI zes keer zoveel brandbare stoffen opgeslagen als was toegestaan. Het personeel was niet bekend met de risico's van chemicaliën, die bovendien veel te dicht bij elkaar in de buurt stonden opgestapeld. De brand ontstond doordat een vat melgicide op een vat calciumhypochloriet was gevallen. Er ontstond een lek en de chloorhoudende substantie ontbrandde.

Tegenover de vuurzee die vele uren woedde, stond de brandweer machteloos. Het Rotterdamse rampenplan werd – voor het eerst – afgekondigd. Sirenes huilden. Een stevige oostelijke wind dreef dikke en giftige rookkolommen richting Hoogvliet en Spijkenisse. Rampenzender Radio Rijnmond zond uit in het Nederlands, Turks en Arabisch. Honderdduizend inwoners werden gewaarschuwd binnen te blijven en de ramen dicht te houden. Er vielen geen slachtoffers. Dat was waarschijnlijk anders geweest als de wind uit het westen zou zijn gekomen. Delfshaven (73.000 inwoners) en Schiedam liggen op een steenworp van het opslagbedrijf dat tot de grond toe afbrandde.

Strafrechtelijk is de brand bij CMI grotendeels afgehandeld. Het bedrijf en de directeur zijn in april vorig jaar, vier jaar na de brand, in hoger beroep veroordeeld tot hoge geldboetes wegens overtreding van de wet milieubeheer. Zo was bij het bedrijf 1.200 ton brandgevaarlijke stof opgeslagen in plaats van de toegestane 200.

Het gerechtshof in Den Haag legde CMI een boete van 350.000 gulden op. De 51-jarige directeur R.B. kreeg tien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf voorwaardelijk en een voorwaardelijke boete van 25.000 gulden. De gevangenisstraf werd omgezet in 210 uur dienstverlening. De Hoge Raad moet zich nog uitspreken in cassatie.

De meeste procedures die nu nog lopen, hebben betrekking op betaling van de kosten die de gemeente Rotterdam maakte na de brand: het bedrijfsterrein moest worden schoongemaakt, de resten van de opgeslagen ladingen moesten worden afgevoerd naar afvalverwerker AVR. Deze kosten en die voor juridische bijstand, onder anderen van de landsadvocaat, zijn inmiddels opgelopen tot zes miljoen gulden. ,,We wilden voorkomen dat de kosten voor de opruiming zouden worden afgewenteld op de overheid en de Rotterdamse belastingbetaler'', zegt bedrijfsjurist F. Veerman van Gemeentewerken. ,,We zetten in op twee sporen: CMI en daarnaast de ongeveer dertig bedrijven die lading bij CMI hadden opgeslagen.''

Deze aanpak werd gekozen omdat CMI zoals meer van dergelijke opslagbedrijven niet veel meer is dan de spreekwoordelijke kale kip waarvan je geen veren kunt plukken. Het bedrijf huurde de grond en de opstallen en had geen of nauwelijks eigen bezit en kon – nog steeds – failliet gaan. Veerman: ,,Daarom zetten we in op het tweede spoor: door middel van de onrechtmatige daad-actie geld van de ladingeigenaren te krijgen.''

De brandresten van de opgeslagen ladingen werden in grote zakken verpakt en de eigenaars kregen bericht dat ze die konden verwijderen. Enkelen deden dat, de meeste bedrijven reageerden niet. Daarop liet de gemeente de zakken zelf afvoeren naar de AVR in Europoort (die hoge tarieven voor verwerking van dergelijk zwaar verontreinigd afval berekent) en stuurde vervolgens de bedrijven de rekeningen. Veerman: ,,Enkele buitenlandse bedrijven betaalden, maar de meeste ladingeigenaren reageerden niet en besloten het voor de rechter uit te vechten.''

Recent boekten de juristen van Gemeentewerken samen met de landsadvocaat succes. Een van de bedrijven die weigerde de opruimingskosten te betalen, was Melchemie, een groothandel in chemicaliën en de belangrijkste klant van CMI. Op het moment van de brand stonden tientallen tonnen chemicaliën van Melchemie in de CMI-loodsen, veel te veel volgens de vergunning waarover het bedrijf beschikte. De Arnhemse rechtbank oordeelde op 18 januari dat Melchemie onrechtmatig had gehandeld door te weigeren de resten na de brand weg te halen. Melchemie was aangeslagen voor twee miljoen. Veerman: ,,Deze uitspraak biedt uitzicht op een aantal miljoenen guldens. Melchemie gaat mogelijk in hoger beroep.'' Tegen vijf andere Nederlandse bedrijven waaronder het Rotterdamse chemiebedrijf Caldic lopen nog procedures en er komen nog enkele tegen Britse bedrijven.

De `harde' aanpak van de ladingeigenaren en van CMI was mogelijk omdat B en W van Rotterdam al een week na de bijna-ramp besloten bestuursdwang toe te passen. Bij ernstige overtredingen van milieu- en veiligheidseisen wordt deze aanpak sindsdien stelselmatig gevolgd. Adams: ,,Als een ernstige overtreding wordt vastgesteld, krijgt een bedrijf een maand de tijd om maatregelen te nemen. Als dat niet gebeurt, wordt er niet langer gepraat, maar direct een dwangsom opgelegd.'' Een bedrijf kan daartegen bezwaar maken, waarna een lange procedure (maximaal 70 weken) volgt. ,,Maar negen van de tien keer win je het'', zegt Adams.

Op 17 juli 1997, ruim een jaar na de CMI-brand, besloot de Rotterdamse raad tot een strikter handhavingsbeleid inzake de milieuwetgeving. Zo worden bedrijven met gevaarlijke stoffen in het Rijnmmondgebied drie à vier keer per jaar gecontroleerd, terwijl de landelijke overheid een of twee keer per jaar aanbeveelt. ,,Na de rampen in Enschede en Volendam wordt de lat nog wat hoger gelegd'', zegt Adams. Zo wordt er nu gewerkt aan regelgeving om centrale registratie van gevaarlijke stoffen mogelijk te maken. Rotterdam heeft hier al jaren voor gepleit, Pas na de vuurwerkramp in Enschede is ook minister Pronk (VROM) voorstander van een dergelijke registratieplicht voor gevaarlijke bedrijven.